is toegevoegd aan je favorieten.

Katholiek sociaal weekblad, jrg 12, 1913, no 19, 10-05-1913

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Onder zulke omstandigheden zag men in Worms de komst van LuTHER tegemoet. Chr R.

UIT TIJDSCHRIFTEN.

OVER HET DEELHEBBEN DER ARBEIDERS IN DE WINST DER ONDERNEMING. ij

Groote problemen, die een groote rol spelen bij het arbeidersvraagstuk, wachten op oplossing door de arbeiders zelf.

Wij behoeven slechts te wijzen op het streven der vakvereenigingen om met de ondernemers collectieve contracten te sluiten, waartegen vooral de groot-industrie een beslist neen heeft laten hooren.

Deze en dergelijke instellingen zouden echter tot stand gebracht kunnen worden, zonder dat de ondernemers nadeel hadden te vreezen. Wanneer zij den arbeiders voor een bepaalden tijd hun loonen contractueel verzekeren, dan blijven zij voor verrassingen op dit gebied bevrijd.

In plaats van zulk een economischen vooruitgang in 't leven te roepen, toonen vele ondernemers zich daardoor vrienden der arbeiders, dat zij aan deze laatsten zoogenaamde nuttige instellingen ter beschikking stellen.

Wij denken daarbij aan arbeiderswoningen, kerstgeschenken, ouderdomspremiën, gezamenlijke uitstapjes, etc.

Al liggen aan al deze gaven nog zulke welwillende gedachten ten grondslag, wanneer zij belemmerend zijn voor de zelfstandigheid en de bewegingsvrijheid van den arbeider, den arbeidgever in de oogen der arbeiders doen verschijnen als uitdeeler van weldaden, wanneer zij kruipers en huichelaars doen ontstaan, die de vrije beweging der arbeiders belemmeren, dan bestonden zij beter niet, zij zijn schadelijk en daarom te verwerpen.

Wanneer de vrije individualiteit door zulke systemen wordt opgeofferd aan de verhouding van afhankelijkheid, dan zijn de beste nuttigheidsinstellingen uit den booze.

Is daarmede gelijk te stellen, het deelen der arbeiders in de winst der onderneming en zoo niet, welke waarde is er aan te hechten van het standpunt van den arbeider?

Nog afgezien van het feit, dat bij de invoering van dit systeem groote moeilijkheden van den kant van den ondernemer het in den weg staan, waarbij nog dikwijls komt het wantrouwen van den kant der arbeiders, gaat het er bij invoering nog om, wat er mede bereikt moet worden en in welke verhouding de winstaandeelen der arbeiders staan tot die van den ondernemer.

Laat men de arbeiders deelen in de winst der onderneming, om ze daardoor af te leiden van de belangrijkste standsvraagstukken, ze te vormen tot een »tevreden" onzelfstandige massa, dan zijn de laatste dingen erger dan de eersten en zouden zij beter niet bestaan. Evenzoo moet het den arbeiders toekomende zuiver winstaandeel niet slechts een brokstukje zijn van de geheele zuivere winst, maar juist evenveel als dat van werkgever.

Heeft echter het deelen in de winst ten doel de arbeiders belang te doen stellen in de onderneming, de liefde voor zijn beroep en zijn plicht in hem te doen toenemen, het verantwoordelijkheidsgevoel voor alles, waarmede hij moet omgaan in hem te verhoogen, hem te maken tot medebelanghebbende van het geheele bedrijf en de industrie, dan is dit systeem slechts te loven.

Wel is waar moet met het systeem ook het winstaandeel in overeenstemming zijn.

1) Gewerkschaftsecretar Erh. Kiefer, in de Decemberafl. van de Monatschrift f. chr is tl. Sozialreform.

Een aandeel der arbeiders van 10, 20, 30 of 40 mark zou niet geschikt zijn om bovenstaand ideaal te bereiken. Zulke winstaandeelen mogen slechts uitzonderingen zijn in slechte jaren. Wanneer het systeem van invloed zijn moet, dan moet de ondernemer de arbeiders ook de helft van de geheele zuivere winst toestaan.

De meening van Dr. Becker om den ondernemer een risicopremie van 4% toe te staan, beschouwen wij eveneens als goed. Werkt de ondernemer in het bedrijf mede, dan moet hem voor deze werkzaamheid een overeenkomstig loon toegekend worden, dat eveneens onder hoofd loonen zou te boeken rijn. Daarmede zou hij beloond zijn voor zijn arbeid.

Nu de vraag, hoe het staat met het risico van den arbeider.

Wil de arbeider deelen in de winst, dan moet hij ook in slechte jaren helpen meedragen aan het risico. Deze meening hoort men niet zelden verkondigen.

Het eindresultaat zou zijn, bij slechten gang van zaken wordt het loon der arbeiders verminderd. Zulk een opvatting is alreeds daarom niet goed te keuren, omdat het loon der arbeiders evenals het salaris van den directeur een vergoeding is voor verrichten arbeid en de arbeider immers in 't geheel geen invloed heeft op de toestanden van de zaak.

De arbeider zou dan pas moeten meedragen aan het risico, wanneer hij door het bezit van aandeelen als deelhebber in het bedrijf zou optreden. Het risico, waaraan de werkgever zijn in het bedrijf gestoken kapitaal blootstelt, is naar verhouding voor den arbeider hetzelfde. De ondernemer kan zijn bedrijfskapitaal verliezen en de arbeider zijn bestaan. Omdat de werkgever bij slechte conjunctuur meer op het spel zet dan de afzonderlijke arbeider, ontvangt hij in goede tijden ook alleen evenveel zuivere winst, als zijn 400—1000 of nog meer arbeiders te zamen.

Voor de verantwoordelijkheid als bedrijfsleider, die veel grooter is dan die van den arbeider, ontvangt hij ook een veel grooter salaris dan het loon van den arbeider bedraagt.

Het is volstrekt geen buitengewone overeenkomst, die den arbeider een aandeel in de winst verzekert zonder risico, want in slechte tijden vermindert het winstaandeel belangrijk, maar het eenmaal gekweekte plichtsbesef der arbeiders zal niet ophouden, want hoe meer ieder in de zaak zijn plicht doet, des te beter is het gesteld met de grondslagen daarvan. Ook zullen de arbeiders er wel op letten, dat niets moedwillig of lichtzinnig vernield wordt.

Het moreele gevolg is verder nog, dat de arbeiders minder afgunstig zijn op de werkgevers en meer vertrouwen in hen stellen, terwijl daartegenover de werkgever zijn arbeiders het volste vertrouwen schenken kan. Verder zullen de arbeiders, in slechte tijden, wanneer geen winst kan gemaakt worden, niet het onmogelijke mogelijk willen maken. Om in zulke tijden echter, toch swinstaandeelen" te kunnen uitkeeren, kan men in goede tijden invoeren, dat jaarlijks een zeker bedrag als reserve wordt afgezonderd, om dan, wanneer geen zuivere winst gemaakt is, dit bedrag aan te spreken, wanneer dit een zekere grootte heeft bereikt.

In dit geval moeten de bijzonderheden door bijzondere bepalingen worden vastgesteld.

De regeling der winstverdeeling mag ook niet te moeilijk zijn. In dit geval kan eerst onderscheid gemaakt worden tusschen de arbeiders en de daarboven geplaatsten; evenzoo tusschen diegenen der beide groepen, die meer en die minder verdienen.

Om tot een practisch resultaat te komen, zou de te verdeelen som de helft van de geheele winst moeten uitmaken en dan percentsgewijze moeten verdeeld worden naar het verdiende loon.

Vanzelfsprekend is het, dat van dit winstaandeel niet eerst nog de directeuren en boekhouders een procentsgewijs aandeel krijgen,