is toegevoegd aan je favorieten.

Katholiek sociaal weekblad, jrg 12, 1913, no 21, 24-05-1913

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De vakorganisatie, die de economische positie van de arbeidende vrouw wil verbeteren, zou op onnatuurlijke wijze het vrouwenberoep kunnen doen toenemen. Daarom wekt het verschijnsel der vrouwelijke vakorganisatie van den eenen kant zorg, terwijl toch van den anderen kant er weer noodzakelijkheid is om de positie der vrouw door middel van eene organisatie te beschermen.

Ziehier hoe de georganiseerde vrouwen zich verdeelen over de voornaamste bedrijven:

Diamantbewerkers 1865

Chemische nijverheid 222

Kleermakers, naaisters 803 Overige uit de kleed, en rein.-industrie 146

Lederbewerking 224

Machinefabricage 333

T extiel-nij verheid 1812

Tabaksnijverheid 485

Handels- en Kantoorbedienden 388

Overige uit den Warenhandel 120

Post- en Telegraafbeambten 524

V erkeerswezen 161

Verplegend personeel 813

Dienstboden 266

Gerangschikt naar het standpunt ten opzichte van den godsdienst krijgen we de volgende verhouding:

Roomsch Katholiek georganiseerden 2096

Interconfessioneel „ 563

Totaal 2660

Niet-confessioneel georganiseerden 5843

Algemeen totaal 8.503

Van de 8.503 georganiseerde arbeidende vrouwen in Nederland! zijn dus 2096 Katholiek georganiseerd, of bijna 24 pCt. Eene verhouding die voor de Katholieken gunstiger is dan bij de mannen.

Dit doet vreemd aan om bij een verschijnsel als de vakbeweging 'der vrouw, waar men onwillekeurig aan feministerij denkt, de Katholieke vrouw betrekkelijk vooraan te zien staan.

Doch vooreerst zijn de cijfers zoo laag, dat het toeval hier te groot spel heeft. En bovendien zal dit het gevolg 'zijn van den ijver der R. K. Priesters, om uit1 vele industriën de Roomsche meisjes in eene vereeniging te krijgen, die uit den aard der zaak half vakvereeniging en half patronaat is, in welk geval de uitbrèiding der organisatie der Roomsche arbeidende vrouwen onvoorwaardelijk moet worden toegejuicht.

Emile Verviers. GELOOFSVERDEDIGING.

LUTHER.

E. Luther ap reis naar Worms.

Hoe welkom moet het Luther geweest zijn, toen hij 6 Maart 1521 werd opgeroepen, om voor den Rijksdag van Worms te verschijnen. Wat een schoone gelegenheid immers werd hem hier aangeboden, om voor

het gansche land van zijn nieuw Evangelie te getuigen en nog meerderen voor zijn beweging te kunnen begeesteren! Zelfs de zware lichaamspijnen, waaronder hij toen juist leed, konden hem niet weerhouden. Al mocht hem ook „de Satan" door ziekte „hinderen" — schreef hij 14 April 1521 op zijn eigenaardige wijze aan Spalatinus — hij moest intégendeel den duivel „verschrikken en verachten" „Christus leeft, en wij zullen Worms intrekken ten spijt van alle poorten der hel en machten der lucht." —' Spalatinus gaf deze gedachte aldus weer: „Hij wilde naar Worms, al zouden daar ook zooveel duivels als baksteenen wezen"! (bij Grisar, Luther Bd. I. 379).

Op 2 April 1521 begaf Luther zich van Wittenberg

op reis naar Worms. Overal hadden hem zijn vrienden, daaronder vooral de Humanisten, een feestelijke ontvangst bereid. Zijn reis naar Worms had zoodoende veel van een triomftocht!

Luther's komst te Erfurt — vier dagen later — werd door Eobanus Hessus, den „machtigen drinker", in de vleiendste verzen bezongen: „Jubel, o verheven Erfurt, en krans u met feesttooi, want zie, hij komt, die u bevrijden zal van den smaad, welke u helaas te lang reeds gedrukt heeft. Hij het eerst heeft het gewaagd, het giftige onkruid, 'dat op 'den akker van Christus welig groeit, met ijzeren spade uit te roeien." Op drie mijlen afstand van de stad ging Crotus Rubeanus, rector der universiteit, aan het hoofd van veertig universiteitsleden en begeleid door 'een ontzaglijke volksmenigte, Luther, „den held des Evangelies", te gemoet en huldigde hem als „den richter der boosheid, wiens gelaat te mogen aanschouwen voor hem en zijne vrienden als het ware een goddelijke'verschijning was"!! bij Janssen, Geschichte des Deutschen Volkes, Bd. II 173.

Onder grooten toeloop van volk preekt Luther den volgenden dag in de Augustijnen-kerk te Erfurt. „Zoo vol bewondering waren niet de Kekropiden — aldus wederom Eobanus Hessus — voor de taal van Demosthenes, niet Rome, wanneer het neerviel aan de voeten van zijn grooten redenaar, zoo heeft niet Paulus door zijn welsprekendheid de gemoederen bewogen, als Luther's preek het volk aan de oevers van de Gera"! (bij janssen t.a.p. (II. 174).

In deze preek sprak Luther over de goede werken. „De een bouwt kerken, de ander gaat ter bedevaart naar

Sint Jacob of naar Sint Pieter, een derde vast en bidt, draagt een monnikskap, loopt barrevoets .... Zulke werken beteekenen allemaal niets en moeten tot in den grond uitgeroeid worden. En let wel op deze woorden: Al onze werken hebben geen kracht *) Ik ben, spreekt

*) Het kon niet anders, of deze leer van de verdiensteloosheid der

goede werken moest wel tot nalating der goede werken leiden, zoodat Luther zelf eenige jaren later klaagde: «Onder het Pausdom waren de menschen mild en gaven graag, maar tegenwoordig onder het Evangelie geeft niemand meer, doch vilt de een slechts den ander en wil iedereen alles hebben. En hoe langer men het Evangelie predikt, des te dieper zinken de menschen in hebzucht, hoovaardij en weelde, alsof de arme bedelzak eeuwig hier blijven moet." En: «In het Pausdom was iedereen barmhartig en mild, daar gaf men met beide

■H