is toegevoegd aan je favorieten.

Noord en Zuid; taalkundig tijdschrift voor de beide Nederlanden, ten behoeve van onderwijzers, ..., jrg 20, 1897, no 2, 01-02-1897

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bescheiden, zeclig; hij heeft willen zeggen, dat A. Beeloo geen aanspraak maakt, geen hooge eischen stelt aan anderen , zich niet veel aanmatigt. De afleiding met -loos kreeg daardoor een te actieve beteekenis, er werd in uitgedrukt de afwezigheid van zekere handeling■, van zekere daad, terwijl de woorden op -loos juist een meer passieve beteekenis hebben, bloot uitdrukken de afwezigheid van bezit. En daarom had Potgieter in 1843 aansprakeloos niet mogen gebruiken, zeker niet in den zin, dien hij er aan hechten wou. En ook nu nog zal velen dat woord hinderen, velen zal het als iets onzuivers in de ooren klinken, velen zullen het als een Germanisme verwerpen.

Toch is het wel noodig misschien er even op te wijzen, dat de verhouding van den taalartist tot den taalgeleerde in die vijftig jaar zoo geheel veranderd is. Er valt niet tegen te praten , de kunstenaar schikt zich niet meer docile en gedwee naar wat de taalman leeraart; men mag het toejuichen of niet, een feit is het, dat er een scheiding is ontstaan. Aan de eene zijde staat het gewone alledaagsche Hollandsch , dat de advocaat, de onderwijzer , de koopman gebruikt om eenvoudig en nauwkeurig uit te drukken wat hij wil, gesproken of gedrukt, en daar tegenover staat de taal van den woordartist, die in de volle souvereiniteit van zijn kunstenaarschap de klanken en woorden gebruikt zooals hem, en hem alleen dat goed dunkt. „Men kan het den goeden menschen waarachtig niet kwalijk nemen als ze de verzen van Herman Gorter niet verstaan. Want de taal is voor dezen onzen Nederlandschen dichter nog geheel iets anders dan zij voor bijna alle andere menschen is." Zoo begint Willem Kloos zijn aankondiging van Gorter's verzen. Men trachte toch eens voor al goed te begrijpen, wat van Eeden daarover zoo mooi heeft gezegd in zijn studie over Gorter's verzen.

Beter zeggen dan hij kan ik het niot.

Ik moet den lezer nog even wat verder laten kijken in die kritiek van Potgieter, op gevaar af, dat wat als een eenvoudige taalkundige opmerking bedoeld was, de allures van een causerietje zal gaan aannemen. „Onder de laatste" (n.1. onder de kennissen, die aanspoorden) zoo gaat Potgieter voort, „behoorden ook wij, niet uit ingenomenheid met zijnen persoon , slechts uit belangstelling in zijnen arbeid , wij verklaren het goedrond. Yraagt men, wat den heer Beelo eindelijk overhaalde den wensch van velen gehoor te geven, hij zelf zal het u zeggen. Het „moedig aanbod van mij-