is toegevoegd aan je favorieten.

Noord en Zuid; taalkundig tijdschrift voor de beide Nederlanden, ten behoeve van onderwijzers, ..., jrg 20, 1897, no 2, 01-02-1897

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wordt, zijn steeds van eene behoorlijke toelichting vergezeld (b. v. willen als hulpwerkwoord van modaliteit); waar het den kundigen schrijver nuttig dunkt, worden vergelijkingen met andere talen niet vermeden, b.v. de verklaring van nonchalant (p. 194). Vooral aan de naamwoordelijke vormen van het werkwoord is veel zorg besteed (p. 178 p. 199); en dit is des te meer toe te juichen, daar ze bij Terwey, die ze bovendien in een verkeerd boek heeft geplaatst, al te stiefmoederlijk zijn bedeeld.. Slechts op een paar punten mag ik eene opmerking niet terughouden. Zoo b.v. is de verklaring der passief reflexieve werkwoorden (p. 160) wat eenzijdig; dat ze „een nog verder stadium van ontwikkeling in de wederkeerige vormen" vertegenwoordigen, is nog geene verklaring. „De deur opent zich „de bloem opent zich" dienen m. i. verklaard te worden als producten der fantasie, die zich door den schijn laat leiden, zooals op duizend plaatsen in de vorming van gedachten; immers ziet men de eigenlijke oorzaak der werking (de wind, de zon, of wie dan ook) niet en nu wordt de werking aan het voorwerp zelf toegeschreven ; van nature zijn deze uitdrukkingen dus , w a t de voorstelling betreft, wel degelijk toevallig-reflexief.— Dat het gebruik van doen als in „Daer na so doet verlanghen mijn vorstelijk ghemoet" verdwenen is (p. 177 Opm.) mag alleen gelden van het Nederlandsch, niet van de oostelijke dialecten. In Groningen wijst men ten platten lande eene uitnoodiging voor een bezoek nog veelal af met „Ik dou bedanken''; ook „Hi dee bedanken". —En dat de en te, als uitgangen van den verleden tijd der zwakke werkwoorden , vormen van doen zijn, is, minstens genomen, twijfelachtig , zoolang mannen als Paul, Braune en Kluge nog steeds hunne bezwaren hebben. Zelfs zegt Wilhelm Braune, in denlaatsten druk van zijne Gotische Grammatik (p. 69): „Die schwachen verba bilden ihr praeteritum durch einen zusatz am ende, welcher mit dentalem consonanten beginnt , z b. nasja „ich rette", nasida „ich rettete". In diesem angefügten element-?;/» vermutete man früher eine form des verbums „tun" (germ. dón) und nannte daher das schw. praet. ach wol „zusammengesetztes praeteritum". Opmerking verdient echter, dat de oude meening in den allerlaatsten tijd weer eenen verdediger heeft gevonden in Dr. W. Streitberg, hoogleeraar in de Indogermaansche talen te Freiburg (Zwitserland), die in zijn, reeds met het jaartal 1897 uitgegeven, „Gotisches Elementarbuch" zegt (p. 95): „Die schwachen Verba, d.h. solche