is toegevoegd aan je favorieten.

Noord en Zuid; taalkundig tijdschrift voor de beide Nederlanden, ten behoeve van onderwijzers, ..., jrg 20, 1897, no 4, 01-04-1897

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zoo een geschiedenis der Renaissance volledig zal heeten, moet ook noodzakelijk deze beweging in de Nederlanden worden aangegeven en gevolgd, wat echter niet of te weinig het geval is. Wat iedereen daarbij zal treffen , is het groote verschil van de geestesen gemoedsrichting bij de mannen der Renaissance in de Zuidelijke landen en die der Noordelijke streken , vooral van Engeland en de Dietsche landen. Daarbij is dan noodzakelijk het oog te slaan op Coornhert. Men wachte zich echter daarbij voor een misvatting, waartoe de lezing van de aangehaalde Sonnetten, wat toon en inhoud betreft, allicht bij oppervlakkige kennismaking aanleiding zou geven. Men zou wellicht meenen, dat de didactische strekking bij Coornhert en anderen uitsluitend aan den nog heerschenden invloed der Rederijkers is toe te schrijven. Dit is volstrekt niet het geval. Ook de Renaissance in andere landen was lang niet afkeerig van bespiegeling, van moraliseerende uitweiding, van didactische neigingen.

Nu kan , na de aangehaalde proeven van Coornhert, de vraag gedaan worden : zijn de Sonnetten van dezen humanist werkelijk de eerste klinkdichten in het Nederlandsch ?

Om op die vraag antwoord te geven dient men rond te zien bij andere dichters uit denzelfden tijd, uit de tweede helft der 16eeeuw,onder Coornherts tijdgenooten derhalve. Het allereerst wenden wij ens tot

Lucas d' Heere, den schilder-dichter, geboren te Gent in 1534 en waarschijnlijk gestorven in 1584 Wij komen derhalve in de Zuidelijke Nederlanden , waar de Renaissance zich het eerste vertoonde. Lucas d' Heere is ook bekend als de leermeester van Carel van Mander. Hij dient dus dezen vooraf te gaan. In 1565 gaf Lucas d' Heere een psalmberijming naar die van den Franschen dichter Marot bewerkt, en in hetzelfde jaar een bundeltje , getiteld: Den Hof en Boomgaerd der Poësyën. Te G e n d t, bij Ghileyn M a n i 1 i u s. Men lette op het aangegeven jaartal.

Dr. G. Kalft geeft de volgende opmerking over den dichter, als hij in zijn Letterkunde der 16e eeuw sproekt over den invloed der vreemde letteren in dien tijd: „Een ander Zuidnederlander, de rederijker-schilder Lucas de Heere, verwerkte het bekende epigram van Martialis: Vitam quae faciuntbeatiorumtot een Sonnet, misschien het eerste, dat in het Nederlandsch is gedicht vóór 1565. Andere verdiensten dan die der vroegtijdigheid heeft dit gebrekkig Sonnet echter niet"