is toegevoegd aan je favorieten.

Noord en Zuid; taalkundig tijdschrift voor de beide Nederlanden, ten behoeve van onderwijzers, ..., jrg 20, 1897, no 6, 01-06-1897

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de meeste ge lichten en den wansmaak, waarvan ze alle getuigen.

De Drie Zustersteden staan volstrekt niet hooger dan menig bespottelijk gemaakt fragment uit Helmers Hollandsche Natie1), De Boekweit is vol ongewild komieke passages en de rest staat nog heel ver beneden die zwakke navolging van contemporaine NoordNederlanders. Noch Zegepraal, noch De Linnenmakerij, noch De Lof der Schilderskunst, noch Heil en Onheil der Tooneeloefening wil ik meerekenen. Dat zijn prullen die anno 1845 reeds uit den tijd waren. Maar Boudewijn van Vlaanderen, Het Burgslot van Zomergem en De Zinnelooze en Laster wil men nü nog niet veroordeelen als beneden het allerminste dat in onze dagen wordt voortgebracht. Toch zou iemand die zoo iets leverde, misschien niet eens een uitgever kunnen vinden. Het is geen quaestie van tijd ... Zijne vertalingen , zijn Gevangene van Chillon , zijn Volt den beker nog eens, kortom al die stumperige overzettingen geven precies den maat aan van zijn kunnen. Ze staan héél laag. Een groet voor het standbeeld van den strijder!"

Verder vinden wij hier de Toespraak bij de onthulling van Huygens' borstbeeld op 4 September 1897 door Prof. Dr. J. Verdam. Een schoone karakteristiek van den dichter en zijn werk bevatten de volgende regelen :

„ ... De poëzie van Constanter is niet van de soort die schittert door verhevenheid of meesleept door hare stoutheid of door hare schoonheid ons treft; men kan niet bij Huygens gelijk bij Vondel spreken van „zijn adelaarsvlucht" of van den „gloed en de liefelijkheid zijner dichtgave"; zijne poëzie beantwoordt niet aan de drie bekende door Da Costa gestelde eischen; bovendien is hij vaak gewrongen tot duister wordens toe; hij offert aan den wansmaak van zijn tijd door het najagen van woordspelingen en gezochte woordvormingen; men stuit op platheden en smakeloosheden , die ons in een man van Huygens' fijne vormen en beschaving verbazen ; hij is, ik erken het volmondig, een dichter van den tweeden rang, maar een dichter is hij. Of heeft hij niet een scherpen blik op menschen en dingen en verstaat hij niet de kunst ze ons te laten zien zooals hij zelf ze gezien heeft ? Kan hij niet een schilderstukje schetsen met de pen tintelend van gloed en leven? Zijn zijne Alexandrijnen niet voortreffelijk en herinneren zij door hun bouw niet vaak aan Vondel, doch nimmer aan Cats? Drukt hij

1) Deze uitspraak is overdreven te noemen.