is toegevoegd aan je favorieten.

Dietbrand; maandschrift, jrg 6, 1939, no 2, 01-02-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dr. Scholte in den bundel « De Goede Hoop » is uitsluitend gewijd aan de hedendaagsche stroomingen in de litteratuur van Noord -Nederland. Misschien zal Dr. Scholte, met nagenoeg al de andere beschrijvers der Nederlandsche litteratuur, het bestaan aanvaarden van een « Vlaamsche Letterkunde », die dan naast de Nederlandsche (lees : de Noord- of Rijksnederlandsche) wordt gezet (of er aan wordt gehangen) als de letterkunde van « het stamverwante Vlaamsche volk » : een begrip waarmede niet alleen op het gebied der letterkundige geschiedschrijving de waarheid omtrent ons ééne Nederlandsche, Dietsche volk om hals wordt gebracht ! Het onzinnige van de staatsgrens, die loopt tusschen « Noord en Zuid », ligt voor ons hierin, dat zij Vlamingen « gescheiden » houdt van Vlamingen, Brabanders van Brabanders en Limburgers van Limburgers ; dat zij een « lijn » trekt tusschen drie, zeker niet van de minst-begaafde deelen van het Nederlandsche volksgeheel. Men heeft het vaak aldus afgeschilderd (Paul van Ostayen deed het met frissche verven in zijn bespreking van de verzen van H. Marsman), alsof ten gevolge van die grens een wezensverschil in den nieuwen tijd zou zijn ontstaan tusschen wat daar heet de H o 11 a n d s c h e en de Vlaamsche letterkunde, de Holland sche en de Vlaamsche poëzie. Zonder bepaalde, de Dietsche wezens-eenheid echter onverlet latende gevolgen en uitwerksels van de bedoelde staatsgrens met betrekking tot onze letterkunde (zooals met betrekking tot andere levensuitingen) voorbij te zien, moet van volksch standpunt worden erkend, dat er, óók bij ontstentenis van die grens, binnen de Nederlandsche letterkunde, de Nederlandsche dichtkunst, plaats is voor de uitdrukking van een (écht-)Vlaamsche en van een (ècht-)Hollandsche eigenheid, voor het specifiek-Brabantsche, het specifiek-Limburgsche, gelijk verder voor het Groningsche, het Ueldersche enz., als zoovele lévende verscheidenheden in het ééne, orqanisch-Dietsche.

Aan het Hollandsch-eigene nu wordt men in het overzicht van Dr. Scholte slechts éénmaal herinnerd, daar namelijk, waar hij wijst op het «koloriet» (enkel maar dat!) van het « Hollandsch patriciërsleven » in den roman « Offers» van I op Naeff, — terwijl dan nog van dat koloriet gezegd wordt, dat het als een versiersel, een tooisel van « Goethische Resignation » werd aangebracht. Niets verneemt men over de uitdrukking van het Hollandsch karakter in het werk — met name in de laatste romans — van een Arthur van Schendel. Er >s sprake, in verband met de jongste letterkunde in Noord-Nederland, over bezinning op « het vaderland », — maar men komt er spoediq qenoeg achter, dat hier begrepen dient te worden : het vaderland in den s t a a t s c h e n — niet in den wezenlijken . zin. Den Doolaard(C. Spoelstra), zoo vertelt ons Dr. Schoete,