is toegevoegd aan je favorieten.

Dietbrand; maandschrift, jrg 6, 1939, no 2, 01-02-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schreef zijn boek « Oriënt-Express », vervuld van geestdrift voor den nationalen vrijheidskamp der... Macedoniërs. Het zou beJangrijk geweest zijn, te hooren, in hoever bij dezen dichter-romancier ook eenig bewustzijn van onzen Nederlandschen volkskamp aanwezig is. Zoowel Den Doolaard als Slauerhoff stelt Dr ocholte ons voor als « exotische » dichters. Wanneer hij daarbij op hun vertedrang (in 't bizonder bij Slauerhoff) de aandacht vestigt, mist men een verklaring van dien drang van uit het iNoordsche raselement in de beide kunstenaars.

Volgens Dr. Scholte kan van een «onmiddellijke» vernieuwing van het geestelijk leven in «Holland» ten gevolqe van den wereldoorlog niet gesproken worden. Immers : « Holland i ofo j n,et te. vechjen »• Maar er vochten in den krijg van 19141918 duizenden Nederlanders, « Vlamingen » gelijk ze gemeenlijk worden geheeten, onder de vlag van een vreemden en verdrukkenden staat; en achter de vuurlijn vochten duizenden, eveneens als « Vlamingen » bestempelde Nederlanders (gesteund door volksgenooten, die men voor het gemak « Hollanders » noemt) met de wapenen der politieke actie voor niets anders dan het Nederlandsche goed. De tragiek en de levenswil van het Dietsche Zuiden in de oorlogsjaren riepen mede een vernieuwing der poëzie te voorschijn, die haar « invloed» zou doen gelden in het Noorden. Voor wie volksch denkt is die invloed er een, welke niet van buiten af komt ; de volksch-denkende erkent hier een « onmiddellijk » Neder'andsch gebeuren.

Dr. Scholte heeft het in zijn opstel over « een soort van heemkunst (Heimatkunst) », die daardoor ontstaat, dat sommige vertellers op zeer opvallende wijze hun voorkeur voor een of andere streek doen uitkomen. Van dat soort van «Heimatkunst» is het maar een korte stap, zegt hij, naar de « Dialektdichtunq ». Dat de Amsterdamsche hoogleeraar het Friesch als « dialekt » beoordeelt, is tot daar aan toe. Verdienstelijk is het stelliq van hem, de aandacht te vestigen op de in eigen taal (zoo moet het zijn) gestelde letterkunde der Friezen en de lezers van zijn overzicht bekend te maken met de namen van enkele levende dichters als een Fedde Schurer en een Douwe Kalma. (Ook een Postma en de dichter-boer Douwe Kiestra hadden hier noq vermeld mogen worden.)

Wie hoopvol naar het doorbreken van het volksche in onze letter unde uitziet, verheugt zich wel in bizondere mate over den bloei eener « Heimatkunst », al verstaat hij daaronder iets anders dan Dr. Scholte : niet een kunst die getuigt van een « opvallende voorkeur » voor dit of dat gewest, maar wel eene die waarlijk haar wortels heeft in de streek (of gouw), het landschap, waaraan voor den kunstenaar de waarde toekomt van het vaderland in de beperkte en tévens directe beteekenis. Met