is toegevoegd aan je favorieten.

Noord en Zuid; taalkundig tijdschrift voor de beide Nederlanden, ten behoeve van onderwijzers, ..., jrg 21, 1898, no 1, 01-01-1898

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE ZUTPHENSCHE STELLINGEN.

Het verslag van hetgeen door mij op de Vergadering der onderwijzers aan de Rijks-Normaallessen van Gelderland te Zutphen, is beweerd, is zoo onvolledig, dat ik er prijs op stel de stellingen, waarin ik mijne lezing resumeerde, in haar geheel te publiceeren. Het behandelde onderwerp had tot opschrift:

Spreek- en Schrijftaal.

De stellingen luiden :

I. Het onderscheid tusschen spreektaal en schrijftaal vindt men overal. Het Javaansch bezit voor elk denkbeeld, voor elke zaak twee vormen , een in de hooge taal en een in de lage. De taal van het Grieksche treurspel verschilt veel van die van het blijspel, dat meer de spreektaal volgt. „Wij moeten" zegt Klaus Groth over het Duitsch, „wij moeten onze algemeene moedertaal met heel veel moeite leeren; zij is eene moeilijke taal ook voor den inwoner, eene taal, waarbij men licht uitglijdt en struikelt". „Nergens is eene absolute overeenstemming van schrijftaal en spreektaal".

II. Het ligt in den aard der zaak, dat men onderscheid krijgt tusschen schrijftaal en spreektaal. Dit is even natuurlijk als dat wij, wanneer wij het reine en verhevene verheerlijken, een reinen en verhevenen stijl aannemen.

III. De volksspreektaal is evenmin als het dialect in staat, onze hoogste en verhevenste gedachten weer te geven,

IV. Overal zijn de vormen der schrijftaal meer bepaald en minder onderhevig aan verandering dan die der volksspreektaal.

V. Eerst door de schrijftaal wordt de vorm onafhankelijk van het sprekende individu, kan hij onveranderd ook aan de volgende geslachten overgeleverd worden.

"VI. Bij een volk, dat leest, heeft de schrijftaal dezelfde rechten als de spreektaal en tot hen, die medespreken, behooren ook de reeds gestorvenen. Het is een feit, niet tegen te spreken, dat thans het woord niet meer in den mond van het volk alleen, maar ook op liet papier, door het gebruik der schrijvers, zijn stempel krijgt.

VII. Elke groote natie vindt slechts in de Letterkunde en °in het geschreven woord hare taalkundige eenheid en waar de taal

Noord en Zuid, 21e Jaargang. I