is toegevoegd aan je favorieten.

Noord en Zuid; taalkundig tijdschrift voor de beide Nederlanden, ten behoeve van onderwijzers, ..., jrg 26, 1903, 01-01-1903

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet tot de gewesten. Daarbij komen dan nog de talen, welke sommige schrijvers er op na houden en niet de minste.

Stijn Streuvels in Vlaanderen meent met anderen terecht dat hij onze taal zal verjongen en verfrisschen door tal van gewestelijke uiidrukkingen en zegswijzen.

In de kunst-litteratuur is dat uitstekend en iedereen zal dat met hem beamen ; maar waarom verder voor tal van uitdrukkingen, die in 't Nederlandsch bestaan, dan ook den geijkten Nederlandschen vorm niet aangenomen ? Zou dat in iets aan de waarde van een kunstwerk schaden ?

In De Oogst lezen wij: „te her-overdenken, vereenzaming, eenthoeveel, neveneens, eendelijke, tenden, op een nieuw herbeginnen, manhoogde, straven, de eerde, eene droefheid beviel hem, gerochten, rilde" . .. enz. Zouden deze woorden en tal van andere die wij hier niet aanhalen, niet zeer goed door: „opnieuw te overdenken, eenzaamheid, eenige, nevens elkaar, gelijke, aan het einde van, opnieuw beginnen, manshoogte, straffen (in den zin van sterken), de aarde, eene droefheid overviel hem, geraakten, ril" kunnen vervangen worden.

Denkt iemand dat de kunst van Streuvels1 er door zou lijden de geijkte Nederlandsche schrijftaal aan te nemen ?

Zij mogen de vrijheid van den kunstenaar in roepen, of de noodzakelijkheid van 't gebruik dier woorden om hunne gedachten beter weer te geven, — dat is een bloot beweren, en op 't gevaar of van door den eenen of anderen ongelikten criticus uitgescholden te worden, verklaren wij dat zulks hunne werken ontsiert en zij de Nederlandsche taal in gevaar brengen, omdat zij, uitstekende kunstenaars, het slechte voorbeeld geven.

Dat gevaar bestaat noch in de Duitsclie, noch in de Fransche, noch in de Engelsche letterkunde en hij, die zich zulke vrijheden — zelfs al stond hij zoo hoog als de hoogste kunstenaar gestaan heeft — zou veroorlooven, zou daar schipbreuk lijden. Men zou het eenvoudig aanzien als eene kunstenaarsgril, en er de schouders bij ophalen.

Toonen wij nog een voorbeeld, dat van dichter Guido Gezelle

In eenen zijner dichtbundels achtte hij het noodig in de voorrede den lezer over de schrijftaal te waarschuwen :

„Natuurlijk zal een Ylaming geen ruw en ongezuiverd Ylaamsch gaan schrijven, zooals hij 't op straat hoort: zoo schrijft hij niet: „ten è chee waa"; maar ,'t en is geen waar''; ook niet „mettak