is toegevoegd aan je favorieten.

Noord en Zuid; taalkundig tijdschrift voor de beide Nederlanden, ten behoeve van onderwijzers, ..., jrg 26, 1903, 01-01-1903

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den Heer Verwijs bedenkingen aangaande de echtheid van het H. S. en onttrok hij zich aan de zaak en liet de uitgave over aan Dr. Ottema. Ook eenige leden van 't Friesch Genootschap o.a. Johan Winkler en Dr. Colmjon koesterden twijfel omtrent de echtheid. De laatste gaf een brochure uit Over liet boelc van Adela, waarin hij de onechtheid aantoonde uit het gebruik van tal van vreemde woorden ; hij wees er op dat de z.g. oude schrijver vormen en woorden bezigde, die eerst veel later zijn ontstaan. Het regende nu van alle kanten aanvallen, zoodat Dr. Ottema wel een weinig beangstigd was, doch hij liet na een lang en nauwkeurig onderzoek allen twijfel varen en bij 't in 't licht geven van den len druk verdedigde hij zich manmoedig tegen de aanvallen der ongeloovigen. Het manuscript heette afgeschreven te zijn door Hidde Oera Linda, in 1236, voor zijn zoon Okko en bevat de mededeeling, dat hij deze bladen gered heeft uit den grooten vloed, doch daar zij nat waren geworden, had hij ze overgeschreven; ieder die ze erft, moet ze weer overschrijven. Het werk zelf is veel ouder. De letters waarin het geschreven is, zijn op zeer curieuse wijze vervaardigd, volgens Dr. Ottema uit het „jol" of zonnerad gevormd. „De schrijver heeft een cirkel genomen en hierin getrokken drie middellijnen, die elkander onder hoeken van 60° snijden. Door nu eens den straal en een stuk van den boog, of dan weder de middellijn en een of meer der bogen met een straal te nemen, heeft hij letters gevormd, die veel met onze letters overeenkomen, doch op het eerste gezicht vreemd schijnen." (Dr. J. H. Gallée, in De Gids voor Januari 1878). Volgens Mr. P. A. L. van Limburg Brouwer bestaat het schrift uit niets anders dan gewone Eomeinsche kapitalen, met een paar hier en daar verhaspelde letters. (Zie een gedeelte tekst blz. 411.)

Het boek bestaat uit zes deelen, door verschillende personen geschreven tusschen 530 en 11 v. Chr.- De inhoud is deels mythologisch, deels historisch en bevat de zonderlingste zaken. Zoo werd b.v. Minerva op het eiland Walcheren onder den naam van Nyhellennia vereerd, omdat haar raadgevingen nieuw en helder waren. De naam van een Frieschen Viking, zeekoning, was Teunis, in de wandeling bij zijn manschappen Neef Teunis genoemd, wat Dr. Ottema aan Nepiunus deed denken. Het zoogenaamde historische gedeelte is even fraai. Wij leeren hier dat Friesland in ouden tijd bestuurd werd door burchtmaagden en dat de opperburcht-