is toegevoegd aan je favorieten.

Noord en Zuid; taalkundig tijdschrift voor de beide Nederlanden, ten behoeve van onderwijzers, ..., jrg 26, 1903, 01-01-1903

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uit de 17e eeuw, waarvan een deel der bijgebouwen was afgebroken.

Daar stroomden in de 16e en 17e eeuw een menigte bezoekers samen, naar het zeer geliefde volksspel, waarbij — als bij een stierengevecht in het klein — een beer door groote honden werd bestreden. Dergelijke gelegenheden waren er te Amsterdam vroeger op verschillende plaatsen, die aan den Amstel was de laatst overgeblevene.

XV. Haan ex hen.

Dat zijn dieren, die heel wat meer in onzen taalschat voorkomen en in de taal van het dagelijksch leven wat duidelijker sporen hebben achtergelaten.

Als we aan het begin van den dag denken, spreken we geregeld over het kraaien van den haan waarbij we ons de opmerking veroorloven, dat de Romeinen even als alle Eomaansche volken den haan niet laten Jcraaien, maar zingen• uit den „Reinaart" herinnert men zich den naam KanteJclaar van het Fransch Chante clair, letterlijk (die) helder zingt, ook CanïecJeer genoemd, een der twee hanen uit den „Reinaert."

Als vogel, die het naderen van den morgen aankondigt, wordt hij reeds genoemd in Mattheus XYI. vers 34.

Het is genoeg bekend, dat de haan niet alleen kraait als de dag begint, maar dat hij ook bij verschillende andere gelegenheden zijn schelklinkend geluid laat hooren; hij roept de kippen te zamen, waarschuwt voor een of ander gevaar en kraait ook soms zonder dat het mogelijk is, de juiste aanleiding daartoe te ontdekken; vandaar, dat men oorspronkelijk van eene onbeduidende zaak zeide : daar Za1 9een hcan naar Jcraaien met andere woorden, het is eene zaak van zoo geringe beteekenis, dat zelfs een haan ze te onbeduidend zou achten, om er qm te kraaien. In dezen zin komt die uitdrukking tegenwoordig niet meer voor; men bedoelt er thans mede, dat zal niet heleend worden en maar al te vaak is die uitdrukking, „er zal geen haan naar kraaien", eene aanmoediging, om te doen, wat men moest laten, eene verontschuldiging, om iets verkeerds te doen, omdat men toch moet aannemen, dat het niet bekend zal worden.

Dat kraaien van den haan, wat de kippen hem niet na kunnen doen, is oorzaak, dat men het als een bijzonder teeken zijner waardigheid beschouwt en vandaar het indertijd zeer bekende versje :