is toegevoegd aan je favorieten.

Katholiek sociaal weekblad, jrg 13, 1914, no 4, 24-01-1914

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wanneer ik meen dat met zulk een opvoeding weinig resultaten bereikt worden, dat ik dan volstrekt geen blaam wil werpen op de personen, maar op het systeem, hetwelk mannen van zoo verschillende godsdienstige overtuiging aanstelt tot opvoeders onzer Roomsche jeugd, die door woord en voorbeeld onze jeugdige christenen moeten vormen.

Nu kan het zeker een groot verschil geven of in een tuchtschool de meerderheid van personeel en jongens Katholiek is, of dat ze er slechts in klein getal aanwezig zijn; ook kan het eenig verschil maken of aan het hoofd een flinke Katholieke directeur staat enz.; maar dat neemt niet weg dat de neutraliteit nergens uitgebannen mag worden.

Welnu, hoe oordeelen wij als Katholieken over de openbale neutrale school? Hoe denken wij over de opvoeding van kinderen in een gemengd huwelijk, of in een gezin waar geen flink godsdienstig leven is? Hoe gevaarlijk voor het geloof achten wij niet den voortdurenden omgang van onze jongens met andersdenkende of met ongeloovige makkers? Wie weet niet hoe ontzettend gevaarlijk een zedelijk minderwaardig of bedorven individu voor zijn omgeving is?

Neem nu een jongen, die tweemaal per week een uur godsdienstonderwijs geniet en door een geestelijke wordt toegesproken, die Zondags een stille H. Mis met preaicatie bijwoont; welke resultaten zal dit alles hebben wanneer die jongen met zijn eigenaardig zwak of bedorven karakter verkeert in één of meer der bovenaangehaalde omstandigheden ?

Ouders die hun kinderen aldus zouden opvoeden en hen zelfs iederen dag naar de catechismus zouden zenden, breken toch nog met de linkerhand af, wat zij met de rechterhand opbouwen.

Air. van Berckel noemt deze denkbeelden onjuist, omdat de verpleegden der tweede klas niet met elkaar mogen spreken, en die der derde klas slechts onder toezicht. Zoo luidt inderdaad het voorschrift, dat echter bijna onmogelijk in alle strengheid door té voeren is. Nu wil ik wel aannemen, dat deze voorschriften streng geobserveerd worden, als men weet, dat de voorzitter van de commissie van toezicht in het gebouw vertoeft; maar zeker is het dat deze voorschriften zeer dikwijls overtreden worden. Uit eigen ondeninding zou ik een menigte bewijzen kunnen aanhalen, dat jongens over hun gepleegde misdaden spreken, misdadige plannen voor later beramen, zedelooze taal voeren, zelfs zedelooze handelingen verrichten met elkander of onder 't oog van anderen enz.

Nu begrijpt iedereen, waarom ik niet pleit voor een langdurig verblijf op de tuchtschool voor de jongens, die ik onder de eerste en tweede categorie gerangschikt heb. „Ik heb al zeer vele malen ondervonden, schreef mij dezer dagen een geestelijke, dat ze bij langer verblijf achteruit gaan, door hun omgang met anderen."

Ten slotte heb ik nog iets tegen de neutraliteit, en dit betreft de lectuur. Wie weet niet welk een machtige invloed ten goede op het gemoed wordt uitge¬

oefend door Katholieke lectuur? En toch bestond, naar ik uit goede bron vernomen heb, op minstens drie van de vier jongenstuchtscholen, tot heden nog geen speciale afdeeling Katholieke boeken. De godsdienstleeraar wordt geheel buiten het beheer der bibliotheek gehouden en de verpleegden , krijgen dag na dag het slappe geestesvoedsel Vcin neutrale boeken te verteren

1 erwijl ik dit alles overweeg, sta ik er eenvoudig paf van, dat ik in het „Kath. Soc. Weekblad" lees dat er geen enkele reden is, om eraan te twijfelen of de resultaten van het tuchtschoolsysteem zijn even gunstig als van de gezinsverpleging!

En ik begrijp eenvoudig niet hoe een man als Mr. van Berckel kan beweren, dat van e enigen nadeeligen invloed in paedagogisch of moreel opzicht nóóit iets is gebleken, en dat aan het tuchtschoolsysteem in het algemeen niet veel gewijzigd behoeft te worden.

Geheel anders klinkt het antwoord dat ik eenigen tijd geleden ontving van een geestelijke, die gedurende eenige jaren zielzorger en godsdienstleeraar aan een onzer tuchtscholen geweest is. „Op maatschappe1 ij k gebied verwacht ik van onze tuchtscholen niet veel, ik heb er ten minste nog niet veel goede resultaten van gezien. Op godsdienstig gebied verwacht ik er nog minder van; een totaal neutrale inrichting kan immers niets uithalen."

Gedurende eenige jaren ben ik zelf als godsdienstleeraar en zielzorger aan één onzer tuchtscholen verbonden geweest, en de ervaring heeft mij geleerd dat mijn collega volkomen gelijk heeft.

Ik heb maar weinig jongens zien heengaan, van wie ik zou durven verklaren dat zij na langen straftijd onder godsdienstig opzicht flink verbeterd waren.

Een andere, en zeer gewichtige vraag is: wat zou de Staat kunnen en moeten doen, opdat wij op al onze tuchtscholen met onze jongens betere resultaten, verkrijgen.

Wie in dezen goede wenken geven kan, bewijst aan onze room'sche tuchtscholieren een groote weldaad. Het is, d unkt mij, niet moeilijk te bewijzen dat de Staat \ erplicht i s voor onze Roomsche jongens meer te doen, dan tot heden gedaan is.

In het „Katholiek Sociaal Weekblad" lees ik (pag. 5.18): „Wat de Staat biedt kan in ons land niet anders dan neutraal zijn en moet daarom liefst slechts aanvullend wezen. Welnu in deze richting gaat het juist bij het Tucht- en Opvoedingswezen." En verder lees ik daar, dat de Staat in eigen inrichtingen zorgt voor de verpleegden, die niet door godsdienstige vereenigingen worden aanvaard.

Maar dit schijnt mij beslist onjuist. Immers de jongens worden veroordeeld tot tuchtschoolstraf; deze straf moeten ze ondergaan in de rijks-tuchtscholen. En daarom zegt zeer terecht het algemeen verslag (Bijlage I) dat „de Staat, met uitsluiting van ieder ander, voor de behoorlijke opvoeding en verpleging van deze minderjarigen verantwoordelijk is."

Van deze verantwoordelijkheid moeten wij den Staat niet al te gemakkelijk ontslaan voordat in al onze tucht-