is toegevoegd aan je favorieten.

Katholiek sociaal weekblad, jrg 13, 1914, no 22, 30-05-1914

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De gasdirecteur HaSE uit Lübeck betoogde in zijn prodomo de economische superioriteit der gasfabriek. Hij beweert o.a., dat in veel gevallen de prijzen voor levering van electrischen stroom ten koste der rentabiliteit naar beneden wordt gedrukt en levert een pleidooi om eerder de gasprijzen te verlagen, teneinde zoodoende het afzetgebied der gasfabrieken uit te breiden.

Bij zijn beschouwingen en berekeningen stelt HaSE de gelijkheid voorop van 1 kub. M. gas en 1 K..W.U. electriciteit.

Van deze stelling, respectievelijk veronderstelling, — want een rechtstreeksch bewijs dier stelling ontbreekt — uitgaande, komt hij door vergelijking der resultaten van een dertigtal willekeurig gekozen groote en minder groote fabrieken tot de conclusie, dat ook de gemiddelde winst, gemaakt op 1 kub. M{. gas en op 1 K-W.U. ongeveer gelijk zijn. Indien nu de winst per eenheid in beide gevallen gelijk is, zoo concludeert hij verder, dan is het pleit ten gunste van het gas beslecht, omdat de eenheid gas gemiddeld verkocht wordt voor 12 en de eenheid electriciteit voor 18 Pf., en dus om één zelfde winst te behalen, electriciteit eene 11/2 maal hoogere uitgaaf vereischt. Wanneer echter, om dezelfde winst per energie-eenheid te behalen, bij electriciteit eene 11/2 maal hoogere uitgaaf wordt vereischt dan bij gas, dan beteekent dit m. a. \\% dat de gasfabrieken de energie voor licht en kracht goedkooper en economisch voordeetiger kunnen teveren dan de electrische centrales.

Op de tweede plaats heeft directeur HaSE de kwestie gas contra electriciteit beschouwd van het standpunt der rentabiliteit van het kapitaal. Hij komt door zijne berekeningen, die zich ditmaal uitstrekken over een ioo-tal groote en middelsoort bedrijven, tot het resultaat, dat de gemiddelde bruto-winst, in pet. van de aanlegkosten, bedraagt:

bij gasfabrieken 14,2 pet.

bij centrales 12,7 pet.

Slaat men de bruto winst om over de boekwaarden, dan verkrijgt menvolgens HaSE's berekeningen nog geheel andere cijfers, nl. deze:

bij gasfabrieken 17,4 pet.

bij centrales 8,2 pet.

Wij kunnen deze laatste cijfers echter gevoegelijk elimineeren, omdat zij uit den aard der zaak misleidend moeten zijn. Immers ligt het voor de hand, dat bij de veel oudere gasfabrieken de boekwaarden door amortisatie tot bedragen zijn teruggebracht, die in veel gunstiger verhouding staan tot de capaciteit dier fabrieken, dan het geval is bij de zooveel jongere centrales.

Maar ook afgescheiden hiervan, zijn de overige cijfers, door den pro-gas-schrijver verzameld, voor hem voldoende ter motiveering zijner gevolgtrekking, dat in het algemeen de gasfabrieken ook „finanzwirtschaftlich", dus uit een oogpunt van rentabiliteit, de meerderen zijn der electrische centrales.

Ter verdediging dezer conclusie wijst hij er op, dat in het algemeen:

1. de aanlegkosten voor fabrieken van gelijk pro¬

ductievermogen bij electriciteit grooter zijn dan bij gas;

2. de gasfabrieken hunne capaciteit intensiever benutten dan de electrische teentrales dit vermogen te doen;

3. het percentage, waarmede de opbrengst den kostenden prijs overtreft, m. a. w. de winst, voor 1 kub. M. gas niet onbelangrijk hooger is dan voor 1 K.Wj.U. nuttig afgegeven electrische energie.

De schrijver staaft zijne beweringen nog met de volgende cijfers:

Per 1000 kub. M. afgeleverd gas kost eene gas fabriek van gemiddelde grootte 573 Mark, en van kleineren omvang 615 Mark aan aanlegkosten.

Per 1000 K.W.U. {afgeleverde energie kost eene centrale van gemiddelde groote 1054 Mark, en van kleineren omvang 1819 Mark aan aanlegkosten.

Het gemiddeld gebruik van het totale productievermogen bedraagt bij gasfabrieken 50 pet., en bij electrische centrales slechts 46 pet.

De hoogere winst, zoowel per eenheid energie, uitgedrukt in pet. der opbrengst, als die per 1000 Mark aanlegkapitaal, werd reeds hierboven onder cijfers gebracht.

Alvorens het contra-betoog van électro-technische zijde te laten volgen, meen ik toch eene enkele kantteekening te moeten maken, om de waarde der in het debat gebrachte cijfers te belichten. Dr. HaSE heeft de aanlegkosten van electrische centrales uitgedrukt per 1000 K.W.U. afgeleverde energie. Het wil mij toeschijnen, dat deze biaatstaf minder juist gekozen is; immers de bed rijf sdrukte, waarvan het cijfer der afgeleverde hoeveelheden toch mede afhankelijk is, staat in een zoo ver verwijderd verband met de aanlegkosten, dat zij geacht kan worden practisch geen invloed op deze kosten uit te oefenen. Bij den aangenomen maatstaf zal echter eene centrale, die tweemaal meer energie aflevert dan eene andere van gelijke capaciteit, schijnbaar de helft goedkooper gebouwd zijn, hoewel in werkelijkheid de aanlegkosten elkaar niet zullen ontwijken, wanneer althans alle andere omstandigheden gelijk zijn. De aanlegkosten zijn in hoofdzaak afhankelijk van de capaciteit der machines voor de electriciteitsopwekking en moeten m. i. dus worden uitgedrukt per K.W.U. 1 vermogen

Ook meen ik, dat de juistheid der gepubliceerde cijfers aan gerechten twijfel onderhevig is. Doordat Dr. HaSE de namen der centrales, die hij voor zijne berekening heeft gekozen, niet vermeldt, zijn zijne cijfers echter niet te controleeren. Uit eene statistiek, die ik laat volgen, blijkt, dat bij een twintigtal Duitsche centrales van middelbare grootte de aanlegkosten alle beneden de 1000 Mark per 1000 K.W.U. afgeleverde energie blijven.

Enkele voorbeelden uit ons land leeren, dat in ieder geval onze Nederlandsche centrales, zoowel kleine als 'groote, hunne aanlegkosten verre beneden de cijfers van Dr. HaSE hebben weten te houden.

De gemeentelijke centrale te Nijmegen heeft in haar vierde exploitatie jaar (1912) ruim 4 millioen K.W.U. nuttig afgeleverd. Hare aanlegkosten zijn geweest f 1.185.000, dus per 1000 K.W.U. neg geen f 300.