is toegevoegd aan je favorieten.

Katholiek sociaal weekblad, jrg 14, 1915, no 2, 09-01-1915

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KATHOLIEK SOCIAAL WEEKBLAD.

sinds de zestiger jaren met Duitschland bestond, opgezegd. Men nam aan, dat het gebeurd was, om zijn tariefpositie te verbeteren. Ook kan, al was het dan niet algemeen, de gedachte medegesproken hebben, om door overeenkomsten op het gebied der handelspolitiek', tot een sooft, politieke entente te komen. De zaken hadden echter een anderen keer genomen. De toepassing van het Duitsch' Algemeen Tarief op Kanada, dat zijnerzijds op Duitsche waren een verhoogd invoerrecht geheven had, leidde tot een vaak zeer opgewonden taal in Engeland (o.a. of Duitschland zich tusschen Engeland en zijn koloniën wilde stellen?) en tot een in krachtige bewoordingen gestelde nota, welke Lord Lansdowne, Staatssecretaris van Bui tenlandsche Zaken, naar Berlijn zond.

Deze dingen boden weer een nieuwe aanleiding om de stemming tegen Duitschland te versterken; onzichtbare handen werkten daarbij mede. De reis van Prins Hendrik van Pruisen in de Vereenigde Staten had de Amerikanen van de bekoring, eveneens dezen weg te volgen, afgeleid; nu begon een deel der pers opnieuw het werk der bronnenvergiftiging. De Duitsche gezant, Vrijheer Speck von Sternberg, werkte haar friet succes tegen en de invoering van de zgn. ,,ruil-professoren" was het gevolg dezer bemoeiingen.

Destijds kwam ook het plan op in geval van een Europeeschen oorlog de Duitsche handelsvloot onder de Amerikaansche vlag te stellen.

Intusschen had de Fransch-Engelsche politiek haar naaste doel bereikt. Nadat men den geheelen zomer van 1903 beraadslaagd had, werd den 8sten April 1904 het verdrag tusschen Engeland en Erankrijk gepubliceerd. De Fransche gezant in Londen, Paul Cambon, heeft wel het meeste daartoe bijgedragen. Het was de overeenstemming in bijna alle koloniale vraagstukken, [het opgeven door de Franschen van Egypte, waarvan Engeland beloofde den politieken toestand niet te veranderen en de uitlevering van Marokko' aan Frankrijk (handelsvrijheid in Egypte en Marokko). Daarbij komen: het Spaansch-Fransche verdrag van 7 Oct. 1904, en het Fransch-Engelsche geheim verdrag, dat eerst in November 1911 gepubliceerd is (Art. 4: Vrijheid van handel in Egypte en Marokko, Spaansche spheren.) De conventie van Madrid van het jaar 1880 had gelijkheid voor alle mogendheden in Marokko vastgesteld.

Dit treffen van een vergelijk tusschen Engeland en Frankrijk veroorzaakte begrijpelijkerwijze het grootste opzien. Als men het alleen opvatte als het in orde brengen van Engelsch-Fransche geschilpunten, dan had von bülow gelijk, toen hij opmerkte, dat Duitschland bij zulke geschilpunten geen belang had. In Engeland lette men op dem algemeenen toestand: de goede verhouding van Engeland tot Frankrijk maakte een einde aan de bezorgdheid voor een hernieuwing van de Russisch-Fransch-Duitsche ver standhouding in Oost-Aziö in 1900. Balfour sprak de meening uit: nu is het gevaar van een EngelschT ranschen oorlog opzijgesteld en met Duitschland kan men in vrede en vriendschap leven.

Nieuwe agitatie bracht de Russisch-Japansche oorlog. Hoe wantrouwig een groot deel van de publieke opinie in Engeland tegenover de Duitsche politiek stond, toont de toen reeds uitgesproken vrees, dat er tusschen Rusland en Duitschland een geheim verdrag zou bestaan. Vergelijkt men dit nu met de gddachten, die we reeds in het werk van den Russis< hen Generalen Staf hebben aangeduid, dat Rusland zich in den Japanschen oorlog trots alles aan zijn Westgrens niet geheel veilig had gevoeld, — dan zou de indruk gevestigd kunnen worden, dat de Duitsche politiek destijds in Londen noch in Petersburg het verdiende vertrouwen gevonden had. Maar hoe werd er ook gekuipt! In Engeland liepen geruchten over de mobilisatie der Duitsche vloot en de ,,Army and Navy Gazette" schreef: ,,Het zou tijd zijn, om een eind te maken aan de Duitsche vloot."

In ieder geval was het Duitsch-Engelsch verdrag van scheidsgerecht, dat na het bezoek van Koning Edward bij den zeilwedstrijd in Kiel tot stand kwam, een verblijdende onverwachte gebeurtenis.

De Duitsche vlootwetten van 1898 en 1900 speelden in alle beschouwingen een rol; men beweerde, daarin een gevaar te zien. Een deputatie van de ,,Imperial Federation Defence Committee" gaf aan Lord Balfour hare wenschen te kennen. Het geschrift van Lord Selborne wil, dat de Engelsche vloot haar zwaartepunt naar de Noordzee verlegge.

In 1905 liep de eerste (Engelsche) Dreadnought van stapel. In Februari 1905 verlangde een rede van den eerSten Lord der Admiraliteit, Arthur Lee, dat men bestendig op de Noordzee den blik gericht zou houden: ,,De eerste slag moet vallen, vóór de andere mogendheden gewaar worden, dat |de oorlog verklaard is." Dacht men inderdaad aan oorlog? Sir John Fisher, de reorganisator der Engelsche vloot, moet 'toen gezegd hebben: „ Ik hoop de vernietiging der Duitsche (vloot te beleven." Waar of niet — en 't is waarschijnlijk, dat Sir John Fisher zoo niet gesproken heeft, — men was er verre van af, de v,roeger.e' tegemoetkomende inzichten van Lord Salisbury en Lord Balfour te deelen; alleen zijn liberale opvolger in de regeering, Sir John Campbell—Bannermann, had, waar bet maar mogelijk was, de hand aangeboden.

De reis van Keizer Wilhelm naar Tanger richtte de blikken der geheele wereld op het optreden van Frankrijk in Marokko en daarmede op de duidelijk-merkbare Verstandhouding met Engeland. In Londen zoowel als in Parijs had men maatregelen genomen. Drie malen liet de Engelsche politiek in Parijs vragen, of men een bondgenootschap met Engeland wilde. ÜELCASSé gaf ontwijkende antwoorden, maar de gezant Cambon in Londen onderhandelde.

In den Franschen ministerraad van den 6en Juni 1905, onder voorzitterschap van Rouviers kwam DELOASSé op voor zijn politiek in Marokko; hij beriep zich op de belofte van Engelsche hulp en op een telegram van den Ministerpresident van Italië, Tittoni: „Duitschland zal het nooit wagen, U aan te vallen, als gij verbonden zijt met Engelland" Daar de Fransche Ministers van Oorlog en Marine verklaarden, niet klaar rte zijn, besliste men vóór het voorstel, een internationale Marokko-conferentie bijeen te roepen; DELCASSé nam zijn ontslag. De Fransche bladen wisten te berichten, dat Engeland beloofd had: „het KeizerWilhelm-kanaal en Sleeswijk-Holstein te bezetten en honderdduizend man te landen."

Kort na deze gebeurtenissen bezocht een Engelsch eskader de haven van Brest, waar Admiraal May de „entente" verheerlijkte; spoedig daarop verscheen een Fransche vloot aan de Engelsche kust en werd door den koning plechtig ontvangen.

Sir Edward Grey omschreef in een rede op den 2osten October 1905 zijn opvatting van de taak der Engelsche buitenlandsche politiek. Hoewel hij toen nog geen minister van Buitenlandsche Zaken was (spoedig kwam hij tot dit ambt), zoo is het toch van belang, te weten, wat de tegenwoordige leider der Engelsche politiek toen zeide: „De drie hoofdpunten van onze buitenlandsche politiek zijn: de vriendschap met de Vereenigde Staten, het verbond met Japan en het verdrag met Frankrijk. Het is te wenschèn, dat Rusland zijn plaats in den raad van Europa weder inneme. Ik kan Rusland niet vermelden, zonder ook rekening ■te houden met Duitschland: de voorwaarde voor iedere verbetering der betrekkingen tusschen Duitschland en ons moet z'ijn, dat de betrekkingen tusschen Duitschland en Frankrijk eveneens rechtvaardig en goed zijn."

De toon in de Duitsch-Engelsche betrekkingen werd merkbaar koeler. Toen koning Edward in den winter 1905—'06 in Parijs was, noodigde hij DELCASSé, die geen ambt had, in het gezantschapsgebouw. Toen werd er een