is toegevoegd aan je favorieten.

Katholiek sociaal weekblad, jrg 14, 1915, no 15, 10-04-1915

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KATHOLIEK SOCIAAL WEEKBLAD.

VRIJSTELLING VAN PERSONEELE BELASTING EN GRONDBELASTING VAN INRICHTINGEN TOT ALGEMEEN NUT.

Begrijpelijk is de verbazing van bestuurders van patronaten, die hunne patronaatsgebouwen van personeele belasting zien vrijgesteld op dezen grond, dat de patronaten als inrichtingen tot algemeen nut erkend zijn, terwijl tegelijkertijd de Vrijstelling van grondbelasting! niet kan verkregen worden, dewijl, volgens het oordeel der tot beslissen geroepen autoriteit, de patronaten niet als inrichtingen tot algemeen nut te beschouwen zijn.

Deze inderdaad in 't oog loopende tegenstrijdigheid in den laatst en tijd herhaaldelijk waar te nemen — geeft mij aanleiding tot het beantwoorden der vraag: hoe is die tegenstrijdigheid te verklaren, en is zij op goeden grond te verdedigen?

Volgens art. 4 § i der wet qp de personeele belasting (van den ióden April 1896, S. no. 72) wordt geen belasting naar den eersten, tweeden en derden grondslag geheven wegens het gebruik van perceelen en gedeelten Van perceelen uitsluitend als inrichting tot algemeen nut door zedelijke lichamen, vereenigingen in het bezit van rechtspersoonlijkheid of stichtingen, mits niet gebezigd voor uitvoeringen, voorstellingen of bijeenkomsten, waarbij aan het publiek tegen betaling van meer dan 20 cent per persoon toegang wordt verleend, een en ander voor zoover daarbij geen winst wordt beoogd of gemaakt anders dan voor inrichtingen als hier bedoeld.

De inrichtingen als hier bedoeld worden door de directeurs der directe belastingen, invoerrechten en accijnzen geplaatst op daartoe bestemde lijsten.

Zonder plaatsing op deze lijsten wordt de vrijstelling niet Verkregen.

Inrichtingen, die op deze lijsten niet voorkomen, of daarvan zijn afgevoerd, kunnen bij den directeur voornoemd plaatsing of herplaatsing verzoeken.

Wordt deze plaatsing of herplaatsing geweigerd, dan kunnen de inrichtingen in beroep komen bij de Koningin, die, na ingewonnen advies van den Raad van State, in laatste instantie beslist.

Door plaatsing op de lijst is wel de mogelijkheid der vrijstelling ontstaan, doch de vrijstelling is daardoor nog geenszins een feit geworden.

Aan den inspecteur van de belasting en het college van zetters is het thans te beoordeelen of het perceel in kwestie (geheel of gedeeltelijk) uitsluitend gebruikt wordt als inrichting tot algemeen nut.

Van dit oordeel hangt af, of een geheele of gedeeltelijke aanslag alsnog zal plaats hebben. Tegen een eventueelen aanslag kan de inrichting een bezwaarschrift indienen bij den directeur der directe belasting, invoerrechten en accijnzen, terwijl tegen diens eventueel afwijzende beslissing wederom beroep openstaat bij den Raad van Beroep.

De feitelijke vrijstelling wordt dus door de plaatsing op de lijst, bedoeld bij art. 4 § 2 der wet niet verkregen.

Wel echter is door de plaatsing op die lijst de principieele vraag, of de inrichting is eene inrichting tot algemeen nut, in bevestigenden zin beantwoord.

De wet op de Grondbelasting, van' 26 Mei 1870, S. no. 82, bepaalt in art. 25 ten aanzien dezer materie:

Geene belastbare opbrengst wordt in de kadastrale leggers opgenomen voor: de gebouwen, uitsluitend dienende tot inrichtingen ter bevordering van kunsten en wetenschappen of ten algemeenen nutte, mits niet tevens Igebezigd tot uitspanning of gezellig verkeer of tot het geven van muziek- of danspartijen of andere vermakelijkheden.

Deze bepaling is alleen van toepassing, indien de eigendommen toebehooren aan provinciën, gemeenten, polders of waterschappen of aan kerkgenootschappen, wier bestuurders of hoofden voldaan hebben aan het voorschrift van art. 1 der wet van den 10 September 1853, St. no. 102.

Tegen aanslagen, die in strijd met deze wettelijke bepalingen mochten geschied zijn, kunnen belanghebbenden een bezwaarschrift indienen bij Gedeputeerde Staten; deze beslissen in hoogste instantie.

Voornamelijk twee belangrijke verschilpunten zien wij dus in de regelingen der vrijstelling van personeele en van grondbelasting.

Het eerste verschilpunt is van materieelen aard en betreft den omVang der vrijstellingen:

Terwijl van personeele belasting kunnen worden vrijgesteld alle als inrichting tot algemeen nut uitsluitend gebruikte perceelen, onverschillig of zij toebehooren aan publiekrechtelijke lichamen of kerkgenootschappen, dan wel aan particuliere vereenigingen of stichtingen, kan de vrijstelling van grondbelasting slechts verkregen worden voor gebouwen, die in eigendom toebehooren aan lichamen van de eerstgenoemde categorie.

Voor deze beperking van de vrijstelling van grondbelasting zijn bij behandeling der wet Verscheidene gronden aangegeven, waaronder wel de voornaamste deze is,dat de personeele en de grondbelasting van geheel verschillend karakter zijn, en dat derhalve de redenen, die tot vrijstelling van personeele belasting geleid hebben, derhalve volstrekt niet eveneens voor vrijstelling van grondbelasting als steekhoudend te aanvaarden zijn.

Het is hier de plaats niet te onderzoeken of en in hoever het inderdaad verschillend karakter van personeele en grondbelasting de beperking ten aanzien der vrijstelling van grondbelasting rechtvaardigt.

Het feit, dat, — om bij het voorbeeld, dat mij tot deze bespreking aanleiding gaf, te blijven — een patronaatsgebouw, eigendom eener particuliere Vereeniging, die werkt ten algemeenen nutte, wèl vrijstelling van personeele, doch niet van grondbelasting kan verkrijgen, hebben wij Voor het oogenblik zonder meer te aanvaarden op grond der positieve, ondubbelzinnige wetsbepaling.

De vraag, die ons thans bezighoudt, is deze: is het redelijk en hoe is het te verklaren, dat een patronaatsgebouw, eigendom van een kerkgenootschap, als inrichting tot algemeen nut vrijstelling verkrijgt van personeele belasting, terwijl de vrijstelling1 van grondbelas-