is toegevoegd aan je favorieten.

Katholiek sociaal weekblad, jrg 14, 1915, no 26, 26-06-1915

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KATHOLIEK SOCIAAL WEEKBLAD

ten, leerlingwezen, enz. moet als een belangrijke verbetering beschouwd worden.

Daarom onthielden wij ons zooveel mogelijk van critiek. Temeer wijl niet vooruit is te zeggen welke invloed het vakonderwijs van deze wettelijke regeling zal ondergaan. Want de meest ingrijpende bepalingen op het vakonderwijs zullen nog aan het beleid der administratie overgelaten worden. Indien de administratie van denzelfden geest bezield zal blijken als de wetgever, is in 't algemeen veel goeds te verwachten van de belangstelling der Overheid in het vakonderwijs.

Dr. Emile V'erviers.

UIT TIJDSCHRIFTEN.

DE IDEE DER VAKBEWEGING EN HET CHRISTENDOM. — II.

Deze veranderingen kunnen 'wij in deze twee karakterschetsen opsommen: van den eenen kant, is d". werkplaats van de woning overgebracht naar de fabriek • en deze is, vian den anderen kant, meer en meer het collectief eigendom geworden van talrijke aandeelhouders, onbekend aan elkander: de moderne industrie is in wezen reusachtig en onpersoonlijk.

Daardoor moet het beroep of bedrijf helaas! ophouden een gemeenschappelijke zaak te zijn van den arbeider en den patroon; van sociaal standpunt, ontstond tusschen hen een afgrond, de elementen van antagonisme doende toenemen ten koste van de elementen van eenheid en voorbereidende de overwinning van het individueel belang van het beroep. Voeg daarbij het anonyme karakter der industrie; de afwezigheid of de verzwakking van die familiaire betrekkingen die vroeger patroons en werklieden samen brachten, dikwijls misbruiken voorkomende of de gevolgen minstens verzwakkende.

In vele landen, schenen de aanhangers der industrie zich te willen aaneensluiten in een gewapend leger, geplaatst als een natuurkracht tegenover veel talrijker werklieden, maar zonder wapenen, verstoken zelfs van elk middel om het sociale kwaad te bezweren.

Bij dien toestand voegde zich weldra een vrees: wanneer deze nog niet de nachtmerrie was van een vexatoirö tyrannie, dan was zij minstens de vrees voor een partijdige oplossing van alle geschillen, van een regeling ten voordeele der eenen, ten koste der anderen.

Het natuurlijk en onvermijdelijk gevolg van dien staat van zaken, wat kon het zijn? — Het misbruik veroorzaakt een reactie; de aanval leidt tot den weerstand, geweren en kanonnen doen versterkingen ontstaan.

Maar, als middel van verweer, als veilige versterking voor de werklieden overtrof niets de syndicaten.

Derhalve begrijpt men: het syndicaat heeft een krijgshaftig karakter; een kiem van oppositie, zelfs van oorlog is in zijn wezen besloten. Wanneer dit niet zoo was, hof) dan te verklaren de koude en zelfs vijandige ontvangst die hem overal van de zijde der patroons ten deel viel ? Hebben de eigenaars zich verzet tegen de vereenigingen der boeren ? In geenerlei wijze. Waarom ? Omdat die vereenigingen belangen nastreefden, die niet strijdig waren met die der eigenaren. Maar wanneer die vereenigingen er toe overgegaan waren zich als doel te stell'en een verlaging der pachten: of wanneer zij zich eenvoudig metl landbouwbanken hadden bezig gehouden, zou men weldra een verandering van decor en scenes gezien hebben.

Maar overal waar tegenstrijdige belangen in conflict dreigen te komen is er plaats voor de syndicaten. Daarom

is het, dat wij de productie syndicaten zien tegenover die der koopers en koopers tegenover producenten, huurders tegen eigenaars en eigenaars tegen huurders.

Integendeel hebben daar, waar hetzij uit den aard der omstandigheden of het karakter der instelling, het geheel der belangen en gevoelens het denkbeeld van weerstand en verzet verwerpt, de syndicaten geen reden van bestaan. Zou men kunnen goedkeuren, zelfs maar kunnen bedenken een syndicaat van ouders tegen kinderen of kinderen tegen ouders ? En waarom ? Omdat de liefde een steviger band knoopt tusschen ouders en kinderen, omdat in de eenheid, die de liefde brengt de geschillen, die ontstaan zich oplossen. In ons Europa waar het huisgezin is saamgesteld. uit één man en één vrouw, welk een onheil zou een 'syndicaat doen ontstaan van gehuwde vrouwen of een syndicaat van gehuwde mannen ?

In den Congo daarentegen, bij gebreke van het gezinsleven, zou de veelvuldige exploitatie der vrouwen de stichting van een syndicaat van vrouwen minder vreemd maken.

Tusschen professoren en hoogeschoolstudenten zou een syndicaat denkbaar wezen, wanneer het niets anders betrof dan van den eenen kant aan de professoren een rechtvaardig loon en geregelde betaling der honorariums te verzekeren en van den eenen kant, voor de leerlingen te verkrijgen lessen geregeld en met zorg gegeven. Maar wanneer het betreft studies of examens te regelen zien wij ons op een terrein, vanwaar het syndicaat moet verbannen blijven. Want zijn inderdaad de eischen van studies en examens niet ten voordeele zelf van de leerlingen? Waar derhalve een tegenstelling van belangen te zoeken tusschen professoren en leerlingen ?

Maar ook de taak van opvoeding verbiedt elk syndicaat van niet volwassen leerlingen. De opvoeding eischt liefde en wederziidsch vertrouwen; nog meer, een zeker achterlaten van het kind of van den knaap in de handen van den meester. Maar die toeneiging en vooral dat achterlaten zijn onbestaanbaar met den min of meer oorlogszuchtigen geest der syndicaten.

Afgezien van zijn constitutie en slechts beschouwende het 'doel van een katholieke universiteit, opgericht ter bevordering van het*hooger goed, intellectueel en spiritueel, der leerlingen, is het duidelijk dat het absurd zijn zou de oprichting toe te laten van vereenigingen van studenten bestemd om zich te verzetten tegen de academische autoriteiten. Er kan hier geen sprake zijn van rechten tegenovergesteld aan die van de autoriteit. Een hartelijke vriendschap moet de verhoudingen tusschen professoren en studenten beleven; in datgene wat zij gemeen hebben, moet een gezinsleven zijn.

Ziehier derhalve wat goed is vastgesteld: de syndicale geest is geen gezinsgeest; zooals wij hebben beschrevien, onderstelt hij, dat ondanks de eenheid van beroep, patroons en werklieden voor elkander vreemdelingen geworden zijn. Het intreden in een syndicaat, beteekent gelijktijdig erkennen, dat zekere belangen gevaar loopen te worden geschaad door de belangen van andere leden van het beroep, hooger geplaatst of machtiger. Derhalve kan het syndicaat worden beschouwd als een bliksemafleider. Maar waarom plaatst men een bliksemafleider tenzij ter voorziening tegen een onweer en daar, waar hij den bliksem te keeren heefft ?

En welk oordeel moeten wij nu uitlspreken over die instelling, waarin wij hebben aangetoond te zien een versterking, een borstwering, een wapen geschikt voor de verdediging ?

Herinneren wij ons eerst, dat zich verdedigen, zich vtoorzien tegen mogelijke aanvallen een recht is van den vrijen mensch. Dit recht moet daarom worden toegekend zoowel aan de werklieden, evenzeer als aan de patroons. Waarom het te bestrijden: zulke instellingen ontleenen hun reden van bestaan veel meer aan de erfzonde, dan aan de natuur zooals die is voortgekomen uit de handen van