is toegevoegd aan je favorieten.

Katholiek sociaal weekblad, jrg 14, 1915, no 30, 24-07-1915

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schuldigen, die hun leven gaarne van gemak en weelde omringd wenschen en niet vreezen voor die invretende wonde, die ook een violk, zonder oorlog, ten ondergang kan voeren.

Chr. J. Vrucht.

UIT TIJDSCHRIFTEN.

HOE MOETEN HYPNOTISME EN SPIRITISME ETHISCH BEOORDEELD WORDEN? — II.

Geheel afgezien ervan, of en hoelang de verkregen bekeeringen aanhouden, zij bewijzen toch minstens zooveel, dat de mensch in den toestand van hypnose door gepaste suggestie tot grooter zelfbeheersching en zelfoverwinning kan worden gebracht, dat zijn wilskracht voor langer of korter tijd kan worden gesterkt. Deze beinvloeding van de wilsenergie heeft ook parallellen in het gewone leven. „Of is het geen dagelijksch verschijnsel van het leven, dat b.v. iemand van zelf (autosuggestie)' of door overreding door een ander (allosuggestie) tot betere gedachten komt en tengevolge van deze gedachten, tot een energiek wilsbesluit, om zijn leven te veranderen, zich opheft en opwerkt. Daarop berust juist de mogelijkheid van zedelijke vervolmaking en, verbonden met de hulp der goddelijke genade, het resultaat van alle vruchtbare pastorale werkzaamheid. Wel is waar gaat hier een bewegende factor uit van God's genade, dan pas komt de medewerking van den mensch. Of dit moment ook heeft medegespeeld bij dat merkwaardige geval, dat een in een kliniek doodziek liggende maar verstokte metselaar door hypnotische suggestie tot een „gewillig" ontvangen der heilige sacramenten der stervenden kan worden bewogen, blijkt niet uit het bericht, is echter geenszins buitengesloten. Daarmede zijn wij reeds gekomen op het gebied der moraal.

Evenals het hypnotisme een enorme vergrooting van de wilskracht toelaat, zoo is het ook mogelijk, de werkzaamheid van den wil door hypnotische suggestie geheel of gedeeltelijk te verzwakken.

Hier ontstaat de vraag: hoe st,aat het dan met de vrijheid van den wil ? H oe ver gaat het gevaar van misbruik ? Wie is verantwoordelijk ? Daarbij komt het er vooral op aan, of iemand ook zonder of tegen zijn wil kan gehypnotiseerd worden. Schütz en Gutterlet nemen dit zonder meer aan. Anderen daarentegen bestrijden, steunende pp de ervaring, zeer beslist de mogelijkheid van hypnose tegen den wil. Kan iemand ook zonder zijn weten en zonder wil gehypnotiseerd worden, als 't ware onverhoeds verrast worden ? Wanneer dit zoo ware, dan zou Wilhelm Wundt volkomen gelijk hebben, wanneer hij het hypnotisme noemt een „slavernij onder verzwarende omstandigheden ; dan moeten wij met Schütz in het hypnotisme iets „immoreels, een vernedering der persoonlijkheid, een degradatie der menschelijke waardigheid" zien. De mensch zou zelfs weerloos zijn prijsgegeven aan de booze lagen van een geraffineerden bedrieger. In het hypnotisme zou dan een vrijbrief gelegen zijn voor misdaden, overtredingen en zonden van allerlei aard. Buiten zijn eigen huis zou men geen oogenblik meer veilig zijn, een speelbal, automaat en machine van den eersten den besten onbekende worden.

De daaruit voortvloeiende consequenties zijn niet te handhaven en geven veel meer recht tot de door erkende resultaten bevestigde ervaring, dat bij een wilskrachtig karakter, dat zich van te voren reeds verzet tegen alle hypnotische insinuaties, alle aangewende pogingen tevergeefs zijn en blijven, zoolang de wil energiek aan zijn weigering

vasthoudt. De hypnotiseurs moeten verklaren: „Gij zijt een ongeschikt medium, met u is niets te beginnen." Dat is weer een bevestiging ervan, dat de causa efficiens moet liggen in de te hj/pnotiseeren persoon. En waar de causa efficiens ontbreekt, dan kan ook de causa occasionalis niet werken.

Zoo komen wij tot de andere meening, dat in den toestand van hypnose wilsvrijheid en zelfbewustzijn zoowel verhoogd, als ook belemmerd kunnen worden, maar nooit en onder geen omstandigheden geheel kan worden opgeheven. Deze meening wordt voornamelijk aangehangen door Forel, Moll en Schlathölter. Hun argumentatie komt dichter bij de waarheid dan de tegenovergestelde. Eveneens geeft Loewenfeld een beperking van de vrijheid van den wil toe, ontkent echter eveneens de volkomen opheffing.

Men kan en mag volgens de Christelijke leer niet gedwongen worden tot prijsgeven van den eigen wil. Een mensch kan wel is waar, maar een Christen mag zich nooit daartoe laten dwingen.

„Wanneer het mogelijk ware, door hypnotisme iemand te dwingen, tegen zijn wil te handelen, dan ware het gedaan met het Christendom, gedaan met de verantwoordelijkheid. De zonde zou dan nog slechts in naam bestaan, rechtvaardigheid ware een klacht, straf een onrechtvaardigheid."

Deze uiterste consequentie van Schlathölter is echter niet juist. Een mensch zou in dit geval niet tegen, maar slechts zonder zijn wil, resp. met een vreemden wil handelen, nadat hij deze vrijwillig tot de zijne gemaakt heeft. Dat iemand echter, zelfs in den toestand van hypnose niet „willoos" op genade of ongenade is overgeleverd aan de suggestie, dat tegenstand mogelijk is, bewijzen de mislukte pogingen en noodig geworden onderbrekingen wanneer de suggestie het zedelijk gevoel van den gehypnotiseerde beleedigde, wanneer zij in tegenspraak was met het wezen van een zedelijk rein en sterk karakter. Dit feit wordt ook bevestigd door het ontwaken in den natuurlijken slaap, wat plaats heeft, zoodra het droomleven begint betrekking te hebben op het sexueele gebied.

Wanneer Walter en Schütz meenen, dat de tegenstand tegen ongewilde suggestie slechts reikt tot dat punt, waar een bekwaam hypnotiseur het verstaat, om ondanks den tegenstand de suggestie bij te brengen en deze in staat is, elke tegenstreving van den gehypnotiseerde te overwinnen, dan is daar tegen in te brengen, dat het opgeven van- den tegenstand niet op de eerste plaats afhangt van de bekwaamheid van den hypnotiseur, maar uitgaat van de zedelijke zwakte van den gehypnotiseerde; hetzij, dat deze laatste toestemt, omdat hij bevangen is door de valsche meening (vooroordeel) te moeten volgen, hetzij dat hij zich, ondanks aanvankelijken tegenstand laat ompraten, omdat hij innerlijk langzamerhand toch welgevallen heeft in de onzedelijke suggesties.

Een zedelijk reine persoon echter van strenge zeden zal nooit toestemmen, maar tevoren ontwaken en zulke suggesties als verzoekingen behandelen en ook zegenrijk overwinnen. Inderdaad is ook gebleken, dat zij, die zijn ingegaan op immoreele suggesties, grootendeels zedelijk geen intacte of juist slechte karakters waren, die ook in wakenden toestand in staat zijn tot dezelfde zonden. Juist is, dat tusschen „zegerijken tegenstand en blinde gehoorzaamheid alle schakeeringen bestaan", evenals tusschen den zedelijken heldenmoed en de typische misdadigerswereld.

De mogelijkheid van tegenstand blijft in de allermeeste gevallen bestaan. „Terwijl in den regel suggestie voor geneeskundige doeleinden gaarne en zonder tegenstreven wordt aangenomen, ligt het geval bij suggestie van onsympatbieken of immoreelen aard anders."