is toegevoegd aan je favorieten.

Noord en Zuid; taalkundig tijdschrift voor de beide Nederlanden, ten behoeve van onderwijzers, ..., jrg 22, 1899, no 1, 01-01-1899

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waarin men nagenoeg geen inhoud ontdekt, dan zegt men dat hij bombast en holle phrasen schrijft, gebruikt hij ergens eene uitdrukking die niet volkomen datgene zegt wat hij blijkbaar wilde zeggen, dan noemt men zijn stijl onhandig, onbeholpen, armoedig, men zegt dat hij zijne taal niet beheerscht enz. Kortom, alle gewone uitdrukkingen yan critiek hebben haar oorsprong in een begrip yan kunst dat uit de classieke school afkomstig is. En wat zal iemand met eene dergelijke opvatting beginnen bij de litteratuur der middeleeuwen, die niet onder den invloed van het classicisme is ontstaan ? Al kende men toen ook geschriften van Latijnsche auteurs, men werd er niet door opgevoed, en eindelooze gedichten werden samengesteld zonder dat daarbij aan wezenlijke navolging der antieke kunst werd gedacht; men kan het niet sterker uitdrukken dan met deze woorden van Gaston Paris : „Le monde d'alors est étroit, factice, conventionnel; le sentiment de la beauté est a peu prés complètement absent des ames"; men leze de bladzijde waar dit staat in haar geheel, wanneer men het oordeel van een der beroemdste geleerden wil kennen *).

Maar ook in de litteratuur van later tijd is zeer veel dat naar onze begrippen eene geringe aesthetisclie waarde heeft, dat althans niet voldoet aan de eischen die voor ons de voornaamste zijn. Naarmate die begrippen zich bij iemand levendiger doen gevoelen, zal hij het recht der zuiver aesthetische critiek ook krachtiger verdedigen, en zal hij minder behagen vinden in werken waarin tegen die begrippen wordt gezondigd. Leest men de beoordeelingen van de meesters der aesthetische critiek, dan geniet men voornamelijk hierdoor dat die meesters hun eigen geest er in openbaren, en bij die kennismaking bespeurt men hoever zulk een geest boven dien van een gewonen lezer verheven is. Want zulk een geest is bijna die van een kunstenaar. Niemand zal in eene dergelijke critiek iets van beteekenis uitrichten wiens gevoel voor litteraire schoonheid niet buitengewoon fijn is, en vandaar dat er zoovele opstellen van dien aard geschreven worden waarin men niets ontdekt dan banaliteiten. Men gevoelt duidelijk, dat wanneer menschen van een zeer gewonen aanlog zulk eene critiek trachten toe te passen, er zoogoed als niets van te recht komt; het wordt een gebabbel, een vorm van luiheid, want het is veel gemakkelijker eenige zoogenaamd aestlie-

') La littéra'ure franraise au moyen age; 2c druk, blz. 31.