is toegevoegd aan je favorieten.

Noord en Zuid; taalkundig tijdschrift voor de beide Nederlanden, ten behoeve van onderwijzers, ..., jrg 22, 1899, no 2, 01-02-1899

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

duidde eerst de oeverstreek van een stroom, daarna den stroom met den oever en eindelijk werd het begrip weer beperkt, maar nu tot den stroom zelf. Varen had oudtijds de beteekenis van gaan, zich voortbewegen in het algemeen, en komt als zoodanig nog voor in hemelvaart, kruisvaart, bedevaart, welvaart, rechtvaardig, laten varen, in volle vaart, hoe vaar je ? Maar overigens beteekent het nu: zich door middel van een schip voortbewegen, en heeft dus een belangrijke beperking ondergaan. De grondbeteekenis van rijzen is: zich in beweging zetten (reizen is daarvan het causatief), maar deze is beperkt tot: zich naar boven bewegen. In 't Mnl. beduidde risen ook vallen en nog bij Cats leest men :

lek dacht, wanneer ick sagh de dorre bladers rijsen,

Dit kan oock mijnen val als metten vinger wijsen.

Ja, nog in onze dagen is deze bet. niet geheel verloren gegaan. Een dichtbundel van Jan van Beers heet „Bijzende Blaren" en in Brabant en Gelderland spreekt men van het stof, dat door de reten van den zolder rijst (valt). Intusschen is hier een nog grooter beperking van het grondbegrip waar te nemen, want men bedoelt met rijzen niet Tallen in het algemeen, maar het langzame neerdalen van dorre bladeren, bloesems, stof enz. Een dergel. inkrimping van beteekenis heeft plaats gehad bij smaken, dat in 't Mnl. de bet. behagen had, bij dichten, dat opstellen in 't algemeen (bijv. ook Tan brieTen) beduidde, enz. enz.

C. Groustra, de Schetsen uit de pastorie te Mastland. Gelijk bekend is, heeft KoetsTeld daarin de onderTindingen meegedeeld, door hem opgedaan, terwijl hij predikant te Westmaas in de Hoeksche Waard was. Het boek Terscheen in 1834 en is dus ongeTeer Tan denzelfden tijd als de Camera Obscura, Waarheid en Droomen en Klikspaan's Studententypen. Yan deze alle wint de Camera Obscura het Terre, maar toch heeft ook Tan de andere schetsbundels ieder zijn eigenaardige verdienste. Zoo munt die Tan Koetsveld uit door buitengewone oprechtheid, Toortkomende uit zijn waarheidsliefde. De schrijTer spreidt geen Talsche nederigheid ten toon, maar toont zich ten Tolle bewust Tan het TerheTen standpunt, dat hij tegenoTer zijn gemeenteleden innam en dat uit allerlei kleinigheden blijkt, bijT. uit het feit, dat hij de eenige was, die bij den burgemeester door de Toordeur werd binnengelaten, terwijl ieder ander „achterom" moest gaan. Maar ook wat in zijn nadeel