is toegevoegd aan je favorieten.

Noord en Zuid; taalkundig tijdschrift voor de beide Nederlanden, ten behoeve van onderwijzers, ..., jrg 22, 1899, no 3, 01-03-1899

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BI. 91. noviciaat =r proeftijd. Eigenlijk die inrichting, krachtens welke diegenen , welke in een klooster opgenomen wenschen te worden vooraf een korteren of langeren tijd aan de kloosterregelen worden onderworpen, om na liet einde van den proeftijd nog van eene vaste toetreding tot de orde te kunnen terugkomen.

BI. 92. aanhooren is hier een onscheidbaar samengest. werkwoord. Zie aanteekening bij pag. 156 : Aanzien.

BI. 93. een klein verneuteld mannetje. Verneuteld = niet goed tot rijpheid gekomen , gerimpeld, b. v. Die peren zijn verneuteld : Zie , wat verneuteld manneken !

BI. 95. Onze advocaat zelfheeft hem op de studie niet weten komend, i. de advocaat zelf wist niet, hoe en wanneer die bundel er gekomen was. De studie (fr. étude) is het kantoor van notaris of advocaat.

BI. 95. jurisdictie — rechtsspraak. Ook : rechtsgebied en rechtsmacht.

BI. 96. beginneling. In N. Nederl. : een eerstbeginnende. Beginneling is taalkundig even juist gevormd als aankomeling, leerling.

BI. 100. litigieus = betwistbaar.

BI. 100. possessorium, petitorium worden verklaard door de voorafgaande woorden : bezit en eigendom.

BI. 100. in eersten aanleg of ter eerste instantie d. i. bij de eerste of laagste rechtbank. Tegengestelde: in 't hoogste ressort.

BI. 100. d e quo — waarvan.

BI. 104. een toefje pensees een ruikertje, of tuiltje viooltjes.

BI. 105. leuren, in Z. Nederl.: waren langs de deur ven'en , ook sluikhandel drijven. In fig. beteekenis dikwijls spotten b. v. met iemand leuren; hij laat met zich leuren. Zie pag. 154.

BI. 106. i m p o r t a t i e-a r t i k e 1 e n. "Wetten en instellingen zijn meestal uit den vreemde bij hen ingevoerd.

BI. 107. Proost r kloostervoogd.

Drossaard, drost, baljuw H o f d ij k zegt hiervan in Ons Voorgeslacht: Op sommige plaatsen wordt de Baljuw maarschalk geheeten , op andere Drossaa(r)t of drost.

Deken — hoofd van een gilde; naast hem stonden de overlieden.

Laathof ofLaatbank. "Wanneer eene schepenbank geene lioogere bevoegdheid had dan om over zaken de goederen aan-