is toegevoegd aan je favorieten.

Noord en Zuid; taalkundig tijdschrift voor de beide Nederlanden, ten behoeve van onderwijzers, ..., jrg 22, 1899, no 4, 01-04-1899

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

arbeid, nog verzwaard door de groote verantwoordelijkheid, die op hem rust.

De eerste plicht van den examinator is de kans van slagen voor de examinandi te verhoogen Dit kan hij voor een deel door doeltreffende opgaven. Het zal hem niet gelukken, die samen te stellen, zoo hij zich blind kijkt op zijn eigen vak, zoo hij uit 't oog verliest, dat dit vak slechts een onderdeel is van 't examen, dat naast 't Nederlandsch ook kennis der natuur en geschiedenis en wat er meer volgt aan de orde komen. Het zal hem evenmin gelukken zoo hij zich niet ernstig afvraagt, hoe was het met mijne kennis gesteld, in 't begin van de gulden twintig P Welken kijk had ik toen op die dingen ? Is mijne kennis niet ontzaglijk vermeerderd en gerijpt, mijn oordeel niet verscherpt, mijn gezichtskring niet verruimd door lectuur en studie en levenservaring? Mag ik dan — zoo vraagt hij zich af — van jonge menschen eischen, dat ze om zoo te zeggen „volgroeid" zijn ? Mag ik rijpe vruchten vergen van de lente ?

De taak van den examinator wordt ook daardoor zeer verzwaard, dat hij zich niet vrij kan bewegen: hij is, wel niet aan handen en voeten, maar toch hij is gebonden door het programma.

Persoonlijke inzichten moeten zich zoo min mogelijk doen gelden, mogen althans nooit overwegen. Is hij voor zich van oordeel, dat „bedrevenheid in het taal- en redekundig ontleden' een zonderling vereischte is, hij behoude dat oordeel, maar als examinator heeft hij naar die „bedrevenheid" onderzoek te doen. Hij lache zoo hard en zoo lang als hij wil met de spelregels, mits hij op 't examen naar de bekendheid daarmede maar ernstig onderzoek doe. Heeft hij zelf grondige studie gemaakt van de literatuur in de 17de eeuw, geldt één Yondel hem meer dan alle dichters van lateren tijd te zamen, ook al goed; laat hem zijn stokpaardje berijden overal, waar hem goeddunkt, mits hij 't maar buiten de examenzaal houdt; het programma vraagt: eenige bekendheid met de voornaamste voortbrengselen der Nederlandsche letterkunde, vooral van lateren tijd. Kortom hij staat onder 't program. Dit eischt van de candidaten ook vaardigheid, om zich juist en gemakkelijk uit te drukken. Nu mag de examinator, als hij daartoe lust gevoelt, op die woorden gaan vitten en beweren, dat wie de vaardigheid heeft om zich uit te drukken, dit ook gemakkelijk doet, maar die vitterij en die bewering ontslaan hem niet van de