is toegevoegd aan je favorieten.

Noord en Zuid; taalkundig tijdschrift voor de beide Nederlanden, ten behoeve van onderwijzers, ..., jrg 22, 1899, no 4, 01-04-1899

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wie echter iets onreins mocht vinden in het volgende keurige stukje, diens eicjen reinheid staat bij mij onder zware verdenking:

De liefde boud een Hemel.

(Toon : Amarillitje, myn Vriendin.)

Nimphjen, als ik 'er uw oogjens zo zoet,

So lief, so lodder, vol heldere gloed,

Jiekyke, zo vliegt 'er mijn zieltjen gebuid,

Op wiekjens van zuchtjens ten aderen uit.

Dan blijft het hangen, als 't Byelyn doet,

Aan kaakjes of lipjes, vol gloejend bloed,

Of kropjen, dat zacht op en neder geaamt,

Met blankheid de mellik en lely beschaamt.

Ay zoete Nimphje, wanneer 't eens rust Op 't mondeken , daar 't zvn vlammetjes blust,

In stroompjes van Necter en zuchtende wind,

Zo ging het na 't hartjen, het geen het bemind.

Laat 'et daar wonen, en geef uwe mijn,

Zoo worden wy Bruigom en Bruidelyn,

1" smelten de zieltjes te samen gerust,

En slyten de naclijens en daagjes met lust.

De blijde daagjes met lonkjes en praat,

De nachtjes met lekker dat minne verzaad Waar voor men niet keuren zou perel noch goud;

Dat is t Hemeltjen hier op der aarden geboud.

Hoe huppelen die woordekens daarheen, licht als sylphiden, wier feeënvoetjes op de maat van het rythme ten dans zijn gezet! Met behulp van welk beeld zal ik de gewaarwording aanduiden, waarmee de lezing van dit stukje mij vervult?

Er gaat voor mij een lieflijkheid van uit, lichtjes en fijntjes als het nauw merkbaar glimlachje van een achttienjarige schoone; en toch deed ik misschien nog beter, het prettige sprankellicht, dat er over glanst, te vergelijken bij de tintelsterretjes in het oog van den guit, die de triumf van zijn schalkheid genieten mag.

Wie het eigenaardig schoon dezer Idylle gevoelt en haar als gevoeld aan anderen wil doen hooren, die zal als vanzelf zijn stem alle diepte benemen, zoodat zijn lezen meer het lispelen dan het spreken nadert, bevreesd als hij is, die teere, fluweelige woordjes geweld aan te doen. En zelfs wie beseft het zóó te moeten voorlezen, zal gevoelen, dat ook dan nog de menscheljjke stem te ruw is voor de aetherische fijnheid dezer taalmuziek. Zulke verzen