is toegevoegd aan je favorieten.

Noord en Zuid; taalkundig tijdschrift voor de beide Nederlanden, ten behoeve van onderwijzers, ..., jrg 22, 1899, no 5, 01-05-1899

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der moeten genoemd worden zijne horae helgicae in 12 deelen ; zij waren het uitgangspunt voor verschillende groote werken, die wij thans op het gebied onzer oude litteratuur bezitten. Jaren lang zijn de horae helgicae, het werk geweest, waaruit mannen als de Yries, Willems, Jonckbloet en zooveel anderen geput hebben.

Yoor de wetenschap heeft het uitgeven van oude teksten onschatbare waarde. Men leert zeden en gebruiken van vroegere tijden eruit kennen, niet minder den geest dier tijden. Doch in het bijzonder voor de taal hebben deze geschriften groot gewicht. Hebben wij dit zooeven niet reeds gezien wat de leer der vormen aangaat! Doch ook met het oog op de beteekenis der woorden kunnen de oude geschriften nuttig zijn. Immers de beteekenis van veel woorden is langzamerhand veranderd, de hedendaagsche heeft zich van lieverlede uit de vroegere beteekenis als vanzelf ontwikkeld. Zoo ziet bijv. hij , die de oude geschriften bestudeert, dat maarschalk oorspronkelijk paardekneclit is, dat bescheidenheid in de oude taal verstand beteekende, dat baken niets anders is dan teeken enz. enz.

Ook wordt ons de beteekenis der eigennamen uit de oudere geschriften duidelijk, daar deze namen nog dikwijls den vorm van vroeger vertoonen, en bovendien daar in de oude geschriften deze eigennamen vaak den volleren duidelijkeren vorm hebben.

Het best kan men zich de groote verdienste van Hoffmann v. Fallersleben voor onze oude letterkunde voorstellen, wanneer men nagaat, dat Matthijs de Yries zijn Middeluederlandsch Woordenboek (fragment gebleven), heeft opgedragen aan den schrijver van de horae belgicae.

De arbeid van de gebroeders Grimm en Hoffmann heeft zegenrijke gevolgen gehad, zooals wij reeds boven zeiden. Het Nederlandsch heeft de belangstelling der Duitschers gewekt; omgekeerd vindt men in ons land menig wetenschappelijk beoefenaar der Duitsche taal, wijl dit noodig is, om het Nederlandsch als onderdeel van den Germaanschen taalstam goed te leeren kennen. Is het niet een teeken des tijds, dat Prof. Symons bij de aanvaarding van het hoogleeraarsambt in 1881 eene rede houdt: Jacob Grimm, cle Schepper der historische Spraakkunst; dat eenige jaren van te voren de Göttinger Professor Moritz Heyne de uitgave zijner kleinere altniederdeutsche Denkmaler had opgedragen aan onzen de Yries. De mannen, wier namen boven dit opstel staan, hebben