is toegevoegd aan je favorieten.

Noord en Zuid; taalkundig tijdschrift voor de beide Nederlanden, ten behoeve van onderwijzers, ..., jrg 22, 1899, no 6, 01-06-1899

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ietwat onbeholpen, ietwat opsnijerige Brabander met zijn potten bier die altijd min of meer potsierlijk wordt, als hij zich in galante, hoofsche manieren wil voordoen, naast den sierlijken Franschen hoveling, die zijn schoone gracieuselijk een roos aanbiedt.

Veel moois is er b.v. in 't volgende:

De reuek ws asems goedt, schoonste Olympiette,

Is suter dan den reuck van een blau violette.

Als Dael-lelikens reyn, ia oock noch witter vele Sijn, Lief, u borstkens hert, en u schoon saechte kele U ooghskens claer en suet, lichten soo reyn ten toonc Als twee schoon sterren goedt, des Avonts in den troone

Soo suet en magh niet zijn int schoonste vanden Meye Eenighe schaepkens teer, een malsche claver weye Gheen raep-bloyscl en is soo aenghenaem den bien,

Noch gheen soo suten gras, en mocht ooyt Osch bespien Noyt en vant gheiaeghdt hert soo suet een claer fonteyne Als my is aenghenaem, schoon Lief, u liefde reyne.

Dus koomt mijn Duyfken schoon, wilt mijnder toeh ontfermen En slaeght om mijnen hals u twee witte schoon' ermen Soo om den Popelier, met goy manier' van doene Sijn ranckens livelijck gaet slaghen d'Ley-loof groene.

En wilt my vrindelijck duysentich kuskens gheven,

Soo sal ieh wel ghemoedt, en vry van sorghen leven.

En zoo is er nog heel wat meer. Er zijn dingen bij, die tot het beste behooren, dat door de -Zuid-Nederlandsche letterkunde is voortgebracht, al is dit nu nog juist niet de allerhoogste roem, die ooit een poëet kan behalen Toch komt de geest van Breero's braven Jerolimo telkens spoken in onze ernstige schoonheidsaandoening.

Ook Yan der Noot heeft zijn krachten beproefd aan een heldendicht, Olympias, waaruit wel aardige fragmentjes te knippen en waar al de eigenaardigheden van de Benaissance, zoowel als van de oude rederijkers telkens met den vinger aan te wijzen zijn, maar als epos is het geheel mislukt. Men beschouwe dit in verband met de opmerking, die we hiervoor over het heldendicht maakten.

Eens had men Petrarca de lauwerkroon om de slapen gelegd als openlijke verheerlijking van zijn schitterende gaven. Ook dat wordt na Petrarca mode, de meest onbeteekenende prulpoëetjes laten zich onder deftig ceremonieel lauweren. Het wordt een van die vele uiterlijke eigenaardigheden, die de Benaissance hebben aangekleefd en in verband hiermee is het alweer van belang er nog even aan