is toegevoegd aan je favorieten.

Katholiek sociaal weekblad, jrg 15, 1916, no 2, 08-01-1916

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nog uitgebreid, zoodat thans ongeveer 1/4 van het burgerlijk personeel — en dat vierde deel gaat naar de honderdduizend — onder de wet valt. Tot deze groepen behooren o.a. de arbeiders werkzaam aan het Panamakanaal, bij de Departementen van Oorlog en Mariner bij de havens, mijnen, bosschen enz.

De algemeene wet bepaalt, dat zij, die tot deze groepen behooren, en het slachtoffer zijn geworden van een bedrijfsongeval, dat langer dan 15 dagen arbeidsongeschiktheid veroorzaakt, een vergoeding ontvangen, gelijk aan het gewone dagloon, gedurende den tijd der ongeschiktheid, doch gedurende ten hoogste één jaar. Heeft het ongeval den dood tengevolge, dan ontvangt de weduwe of de kinderen beneden 16 jaar, of de ouders, voor wien de getroffene den kost verdiende, een jaar loon, verminderd met hetgeen de overledene zelf reeds wegens het ongeval heeft genoten. Geen vergoeding Wordt gegeven als het ongeval veroorzaakt werd door achteloosheid of wangedrag.

De uitvoering der wet berust geheel bij den Minister van Arbeid, die ook over het recht op uitkeering beslist.

Indien een persoon, die onder de wet valt, een ongeluk krijgt in dienst van de Unie, doch buiten den tak van dienst, waaraan hij zijn recht op uitkeering ontleent, ontvangt hij toch vergoeding.

Het begrip „ongeval" is zeer ruim genomen. Uitwendige, zichtbare verwondingen behoeven altijd niet geconstateerd te worden, om recht op uitkeering te verkrijgen. Een zuiver psychische abnormaliteit, keel-, oog- en andere beroepsziekten, tengevolge van het inademen van schadelijke dampen bijv., kunnen reeds tot vergoeding leiden. Zelfs wordt vergoeding gegeven, als reeds een ziekte bestond, maar het daarop volgend ongeval de arbeidsongeschiktheid veroorzaakte, of als uit het ongeval zich een ziekte ontwikkelt, die ten slotte tot den dood leidt. Feitelijk worden nagenoeg alle ongevallen als bedrijfsongevallen beschouwd als zij tijdens de uitoefening van het bedrijf zijn ontstaan.

Wordt een werkman tijdens zijn arbeid gebeten door. een dollen hond, wordt een ploegbaas gekwetst, wanneer hij tusschenbeiden komt in een gevecht zijner arbeiders, dan wordt dit als ongeval beschouwd. Echter niet, wanneer het geschiedt tijdens het komen naar of gaan van het werk, of wanneer een gewoon arbeider verwondingen oploopt in een gevecht zijner medearbeiders. In dit laatste geval heeft die arbeider niet voor de orde te waken, wel de ploegbaas.

Ook het woord „achteloosheid" wordt niet te «treng opgevat. Wanneer men door dagelijkschen omgang met het gevaar, daaraan gewend raakt en niet meer de voorzorgsmaatregelen neemt, die men theoretisch moest nemen, dan wordt dit niet als een achteloosheid beschouwt.

De vergoeding gaat in op den dag, volgend op het ongeval of op den dag, waarop zich het ongeval voor het eerst openbaarde, doch zooals reeds gezegd is, na een ongeschiktheid der arbeiders, gedurende 1 5 dagen, waaronder de Zondagen meetellen. De Zondag echter telt niet mee, als dit de vijftiende dag is en de getroffene den daaropvolgenden Maandag weer aan zijn werk gaat. Hij moet door zijn physieken toestand gedurende 15 dagen niet kunnen werken in de oude positie van zijn vak, om recht op vergoeding te kunnen erlangen. Een ander, doch even hoog betaald werk wordt hiermede gelijk gesteld, doch is hij voor zijn oude werk niet meer geschikt en wordt hij ontslagen, dan kan ander werk hem het recht op uitkeering niet ontnemen. Is hij nog niet genezen, doch hervat hij zijn werk, dan houdt de uitkeering op. Ook is dit het geval, als hij een jaar lang vergoeding heeft ontvangen, ook al is hij niet |geheel hersteld.

Zou de werkman tijdens het werk, wat hij onder handen had, toen het ongeval plaats greep, in de termen gevallen zijn van loonsverhoaging, dan gaat op het tijdstip, waarop

die verhooging zou worden toegestaan, ook een verhoogde uitkeering in, terwijl de uitkeering niet verminderd wordt bij gedeeltelijk herstel.

Wij zeiden reeds, dat na den dood van den getroffene óf de wettige weduwe, óf de kinderen beneden 16 jaar (ook de onwettige) óf de ouders, óf de financieel van den getroffene afhankelijk, in het genot der uitkeering werden gesteld. Eventueel wordt het totaal bedrag onder hen verdeeld.

Geneeskundige behandeling of begrafeniskosten worden niet vergoed, daar de wet zich streng bepaalt tot de voorgeschreven uitkeeringen.

Aantal 1908-09 1909-10 1911-12 1912-13 1912-13

Gerapporteerde on-

vallen .... 4887 6989 9381 7997 10876 Ongevallen met doo-

delijken afloop . 233 231 207 218 117 Aanvragen om uitkeering .... 1818 2656 3171 3793 3525 Toegestane uitkeeringen 1692 2530 2948 3489 3387

Bedrag der uitk. in

dollars .... 242937 337258 410699 435138 392126

Dat het aantal aanvragen om uitkeeringen zooveel kleiner is dan het aantal ongevallen, vindt zijn oorzaak hierin, dat elk ongeval, ook al loopt het binnen de wettelijke 15 dagen af, wordt gerapporteerd. De daling van het aantal ongevallen met doodelijken afloop in het laatste jaar, was een gevolg daarvan, dat de werken aan het Panamakanaal ten einde liepen.

Voor dóodelijke gevallen werd gemiddeld 16 k 18 o/0 van het totaal bedrag uitgekeerd, uitgezonderd in het laatste jaar, toen dit slechts 10 0/0 bedroeg.

Uit de staten, die het rapport geeft van de ongevallen over de verschillende bedrijfstakken verdeeld, blijkt dat naar verhouding onder de laagbetaalde arbeiders de meeste ongelukken met doodelijken afloop voioirkwamen.

Natuurlijk is zulk een wet voor aanzienlijke verbeteringen vatbaar. De kring der verzekerden is betrekkelijk willekeurig; na een jaar laat de wet de nog niet genezenen los, terwijl bij gedeeltelijke ongeschiktheid toch het volle loon wordt vergoed; geneeskundige behandeling wordt niet vergoed, en de termijn van 1 5 dagen waarna eerst het uitkeeringrecht begint, is te lang.

Dit ziet de regeering zeer goed in, en daarom is reeds in 1914 een ontwerp van wet ingediend, dat de verzekering uitstrekt over alle personen, in dienst van de Unie, den wachttermijn stelt op 3 dagen, de uitkeering vaststelt op 2/3 van het loon tot een maximum van 200 dollars per 3 maanden, naast ongevallen ook uitdrukkelijk beroepsziekten noemt, geneeskundige behandeling voorschrijft, en bij overlijden de uitkeering vervangt door een blijvende rente.

Zeer ruim is dit ontwerp bij de bepaling van beroepsziekten. Deze worden niet omschreven of beperkt, maar eenvoudig met bedrijfsongevallen gelijk gesteld.

Wel worden eenige bepalingen noodig geacht om niet terstond tot vergoeding over te gaan. Zoo kan een lijder aan een of andere beroepsziekte tijdelijk buiten werk gesteld worden of aan anderen arbeid worden gezet.

Het verband tusschen beroepsziekten en het overlijden tengevolge daarvan zal wel niet altijd nauwkeurig vast te stellen zijn. Om deze moeilijkheid te ontgaan wil men bepalen, dat geen rente jmeer Kvordt uitgekeerd, als de dood intreedt meer dan een jaar nadat de ongeschiktheid tot werken door de ziekte had opgehouden. Ook preventief wil men waken tegen beroepsziekten, door te bepalen, dat ieder, die in dienst van de Unie wil treden, geneeskundig moet worden onderzocht, en als hij symptomen van of