is toegevoegd aan je favorieten.

Katholiek sociaal weekblad, jrg 15, 1916, no 18, 29-04-1916

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan alle mogelijke andere oorzaken, als daar zijn woeker in goederen, anarchie in de prijsbepaling, onderproductie, enz., maar niet in verband met de voornaamste oorzaak: de uitgifte van te veel papiergeld.

Het hooge Staatsbelang, dat in den oorlog ook met psychologische momenten moet rekening houden, en vóór alles vereischt de Staatsgedachte levendig te houden, geeft derhalve tot zekere hoogte een verklaring van het feit, dat het gevaarlijke, maar uiterlijk aanlokkelijke middel van uitgifte van papiergeld wordt verkozen boven de inderdaad onschuldigere, maar acuter werkende en daardoor meer verontrustende middelen.

Daar komt nog bij, dat de practische uitwerking van de uitgifte van groote menigten ongedekte biljetten niet onder alle omstandigheden noodlottig is, maar steeds slechts dan, wanneer door de uitgifte een absoilute vergrooting van den geheelen nationalen geldvoorraad plaats heeft, of wanneer de nieuwe biljetten in de plaats treden van uit het land weggevloeid goudgeld. Meestal nu is er een van deze onheil brengende omstandigheden aanwezig. Maar juist bij het uitbreken van een oorlog veroorzaakt het ongedekte papiergeld veelal geen stoornis in het betalingsverkeer. Met name dan niet, wanneer groote sommen van 't oude standaardgeld, wegens een der in den oorlog zoo voor de hand liggende oorzaken, aan het verkeer onttrokken wordt. Want dan vormen die nieuwe betalingsmiddelen geen nieuw bijkomend geld, maar uitsluitend een aanvulling van even groote kwantiteiten oud geld, die het land niet hebben verlaten, doch desniettemin niet circuleeren. Ook in den huidigen oorlog zijn er groote menigten geld — goud en zilver — gepot. Voorzoover het ongedekte papiergeld slechts deze verdwenen hoeveelheden vervangt, is het betrekkelijk onschuldig.

Doch geheel anders is het met de zaak gesteld, wanneer het ongedekte papiergeld de hoeveelheid aan de circulatie onttrokken oud geld overtreft, of wanneer de bij wijze van plaatsvervanging uitgegeven biljetten niet worden ingetrokken, wanneer het oude geld weer in circulatie komt. Dan is er kunstmatig een nieuwe koopkracht in 't leven geroepen, die weliswaar den schijn wekt van een opgewekt zakenleven, maar Inderdaad zeer nadeeligen invloed heeft op de geheele huishouding. De aard van dezen invloed is verschillend, naarmate de huishouding van het land in kwestie eene begrensde is, olf is aangesloten aan het wereldverkeer.

Het zuivere type van nationaal begrensde huishouding bestaat slechts in theorie, Toch zijn er Staten, wier buitenlandsche handel en geldverkeer met het buitenland slechts een onbeduidende rol speelt naast heit binnenlandsch verkeer. In deze Staten zal de uitwerking van groote, nieuw in omloop gebrachte papieren geldvoorraden, bijzonder ingrijpend zijn, hoewel zij hier nog minder gemakkelijk dan in de wereldhandelsstaten als uitwerking van een bepaalden maatregel ten opzichte van het geld te herkennen is. De vermeerderde koopkracht, door het nieuwe papiergeld ontstaan, doet hare uitwerking in een gesloten handelsstaat op begrensder gebied gelden — en op dit begrensde gebied ingrij¬

pender — dan op een gebied, dat met het buitenland in de verkeersnolitiek een eenheid vormt. In de nationaal begrensde huishouding, wordt ieder goed, waartoe zich de verhoogde koopkracht door het nieuwe papiergeld uitstrekt, intensief in prijs verhoogd, en deze prijsstijging werkt golfvormig op alle andere goederen, van af de. voedingsmiddelen en grondstoffen af tot de voltooide fabrikaten toe, terug, zonder dat aan de prijsstijging door goederen uit het buitenland een grens kan gesteld worden. Weliswaar tracht de huishouding tegenover de sterk vermeerderde vraag een overeenkomstig verhoogd aanbod te stellen, door van de beschikbare arbeidskracht intensiever gebruik te maken. Maar reeds in normale tijden gelukt haar dit slechts in beperkte mate, want de arbeidskracht van een land is, behoudens een klein percentage, het zoogenaamde ,,industrieele reserveleger", reeds in het productieproces gebonden. De nieuwe, intensieve vraag naar arbeidskracht heeft derhalve, nadat het werkwillige gedeelte van het reserveleger (waaronder ook vele arbeidsschuwen zich bevinden) tot werkzaamheid gebracht is, uitsluitend voor gevolg, dat de loonen evenzeer stijgen als de prijzen der goederen. Op een zeker punt begint weliswaar de technische vooruitgang zijn uitwerking te doen gevoelen, die den te duur geworden handenarbeid op velerlei gebied vervangt door machinalen arbeid. Maar om dezen vooruitgang te bewerkstelligen, moeten de loonen al heel buitengewoon gestegen zijn, welke loonsstijging door de zich alsdan opwerpende concurrentie der machine geenszins ongedaan gemaakt, maar hoogstens verminderd wordt.

De bevolking in haar geheel heeft derhalve geen voordeel van de ontstane prijsstijging, want de hooge goederenprijzen der producenten en handelaars worden door de hooge loonen, en de hooge loonen worden wederom door de hooge prijzen der goederen gecompenseerd. Niettemin is het een grove dwaling aan te nemen, dat, tengevolge van de algemeene verhooging van het prijsniveau, de verhouding, waarin de verschillende deelen der bevolking tot elkaar staan, wa(t het eindresultaat betreft, onveranderd zou gebleven zijn, en dat de duurte, omdat zij algemeen is, voor den afzonderlijken persoon als het ware niet zou bestaan.

Dit zou slechts dan het geval zijn, wanneer de sttijging van loonen en goederenprijzen tegelijkertijd en juist in dezelfde mate zou plaats hebben.

Dit nu is in geene deele het geval. Veeleer stijgen de prijzen der goederen aanmerkelijk sneller dan de loonen, vooreerst omdat de onmiddellijke en eerste vraag gericht is op de goéderen, en de vraag naar arbeidskracht slechts in de tweede plaats en indirect toeneemt: en vervolgens stijgen de goederenprijzen derhalve sneller en sterker, bijaldien in een nationaal begrensde huishouding de goederen, waartoe zich de koopkracht in den vorm van vermeerderde vraag uitstrekt, meestal niet door een reserve onder zekeren druk gehouden wordt, gelijk dit bij de arbeidskracht het geval is. Wel is er een reserve-leger van arbeid, maar geen, erf slechts een onbeteekenend reserve-leger van arbeids- en natuurpro