is toegevoegd aan je favorieten.

Katholiek sociaal weekblad, jrg 15, 1916, no 18, 29-04-1916

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en hier ligt de knoop. De jaren van 14—21 gevein den overgang van knaap tot man. De eerste een otf twee jaar zijn de jongens beslist nog kind en haken ze naar alle tijdverdrijf en ontwikkeling, die kinderen begeeren. Daar moet de actie rekening mee houden, eenerzijds, maar anderzijds moet toch ook bedacht dat hier voorbereid moet worden de overgangsperiode die we stellen in 't algemeen tusschen 16 en 19 jaar. Na het 19de jaar kan men rekenen dat de praeparatie van het mannelijk dadenleven moet worden gegeven. Van 14—19 jaar blijft het kinderlijk karakter, dat afwisseling eischt, beziggehouden, ,,gepakt" moet worden met steeds varieerende middelen, aanwezig, langzaam stervend. En omgekeerd evenredig aan dat afsterven moet 't doelbewuste streven 'worden aangemoedigd, dat 14 a 15 jarigen nog niet pleegt te bezielen, maar bijl 19 1 20jarigen toch zoo zoetjes aan aanwezig dient te zijn, zij 't nog niet in volle kracht. En dan op 21-jarigen leeftijd de mannelijke actie's. Welke nu?

Een mensch moet opgevoed worden tot: I. religieuse plichten in den meer beperkten zin van het woord, en II. tijdelijke plichten, welke dan betrekking hebben op a. zijn persoonlijk welvaren en b. zijn sociale betrekkingen.

I. Is zuiver z'ielezorg van den geestelijke en alle middelen die de beoefening dier plichten kunnen bevorderen, zijn diens taak. Niets is zoo individueel alb de verhouding van den mensch tegenover die plichten, en daarom moet het rechtstreeks religieuse niet gemengd worden in het publieke actieleven. Deze primaire godsdienstigheid blijve tusschen zielzorger en discipel.

Wat II betreft, zullen we dit aangeven voor den werkmansstand. Het is de taak van iemand die 't onderwerp volkomen wil uitwerken, een en ander gelijkelijk aan te geven voor de andere bovengenoemde klassen.

Ha, Bij werkmansjongelingen moet worden gegeven: ie. op 14 a 15-jarigen leeftijd herhalingsonderwijs, al of niet vergezeld van vakonderwijs, intuïtieve apologie, die moet aansturen op gemoedsovertuiging en practische toepassing, als voorbereiding voor latere sociologische kennis; zoo mogelijk talenonderwijs. Voor 16—19 jaar veel en goed vakonderwijs, waaronder gerekend talenonderwijs, apologie, weer intuïtief, maar al met eenige redeneering, en als eerste beginselen van sociologie een kennis van de meest algemeene levensverhoudingen en maatschappelijke regelen, meest noodzakelijke wetten. Op 19—20 jaar fundamenteele apologie en sociologie, terwijl toepassingen kunnen gemaakt worden als oefeningin het dadenleven door werken in propaganda-vereenigingen. Want op dezen leeftijd, als het meeste vakonderwijs is geëindigd, moet men ze gewennen ;ian het daadwerkelijke sociale leven. Leden moeten ze worden van alom op te richten ontwikkelingsclubs en (bon entendeur), debatingclubs. Die ontwikkelingclubs moeten echter niet geven zware verhandelingen over, zij 't dan ook reëele oï gevaarlijke, dan toch in hun kring niet voorkomende verschijnselen, theosofie b.v. (*) maar eigenlijk ligt dat buiten ons bestek.

*) qua theosofie dan natuurlijk.

Ilb. Het sociale leven. Voor jongens van de lagere? school moet de maatschappij zich bepalen tot het huishouden en de naaste omgeving. Hier wordt gezonde wisselwerking aangekweekt. Want de eenige goede grondslag voor goede sociologische kennis, d. w. z. voor sociologische kennis, die ook wordt beoefend, practisch, is 't van kindsbeen af leeren van medeleven met anderen, al leert een verjudelte empiriek ook lijnrecht het tegendeel. Jongelui van 14—15 jaar moeit er op gewezen worden, dat er een actie-leven is, en dat het goed is aan anderen door te geven, wat men zelf bezien heeft en kent, maar actief optreden moeten ze nog niet. Ze mogen beginnen met propaganda, die geen onderlegdheid eischt; het pvesenteeren van propagandalectuur op vergaderingen e. d. Jongens van 16—19 moeten, zij 't niet te veel (men zij voorzichtig met het kweéken van hoogmoed en al te vroege objectiviteit) toch al iets naar buiten gaan pre^teeren. Ze mogen eigen besturen kiezen (met motiveering van keuze!!) mogen zelf uitgaansmiddagen en ontspanningsavonden organiseeren, en leeren voordragen en tooneelspelen, enkel en alleen om houding, onbevangenheid in optreden en practische wellevendheid te leeren.

Het groote beginsel moet wezen: leeren doen. Hier is de groote grondlegging tot de daad die bij jongelui van 19 en 20 jaren moet kunnen gesteld worden, flink. Want deze, zelf georganiseerd om hoogerop te komen, moeten verder optreden door deel uit te maken vajn patronaatscommissiën en besturen van jeugdorganisaties. Dat 19e en 26 jaar sluit dan op het 14e en 151de en er is niets tegen, hier de ouderen (natuurlijk in combinatie met ouderen en verreweg in de meerderheid) periodiek om bv.. de drie maanden aftredend, te laten fungeer en als leiders voor de jongeren. Zij worden aspirantleden van organisaties voor volwassenen; propagandaclubs van kiesverenigingen, ontwikkelingsclubs, etc. Ontwikkelden kunnen en mogen al optreden bij tijd en wijle en als leeraar in jeugdorganisaties, of adspirantvakvereenigingen, nog eens gezegd: steeds onder leiding en nooit te lang, want elke nieuwe generajtie moet op haar beurt worden opgevoed tot de daad. Het zou te overwegen zijn, of het niet verkieslijk is aan dat optreden zekere emolumenten te verbinden, als prikkel. In ieder geval, nog eens, en nog eens, en nog eens, h,et beginsel moet zijn: de daad leeren stellen. Want als de ontwikkeling beperken tot het verstand en de opwekking geven tot de daad, is daarmee de daad nog niet gesteld. De daad moet door gewenning sterk worden, de menschen, bij wie overtuiging en daad zóó één zijn dat de laatste onmiddellijk uit de eerste voortvloeit, zijn zeldzaam, en het zijn niet alleen kinderspreekwoorden: „oefening baart kunst" en „gewoonte wordt een tweede natuur," gelegenheid voor de daad, hoe meer hoe liever. Is er geen gelegenheid zoo moet ze word'en gezocht, zoolang de wereld onvolmaakt is, is er gelegenheid tot actie, tot daad. En die daad is niet alleen het bezoeken van de vergaderingen, die openen en sluiten met gebed en overigens worden vol gebiljart en gekaart. We zijn in de opvoeding van 14—21-jarigen