Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

volk is geene onverschillige zaak, maar behoort I tot het plan Gods, tot de openbaring van het leven des Geestes en zal eenmaal gewisselijk op aarde gezien worden. Hier komt te pas het woord van Paulus, Romeinen 9 vs. 6 en 8: »Die zijn niet allen Israël, die uit Israël zijn, maar de kinderen der beloftenis worden voor het zaad gerekend."

God heeft ten allen tijde kinderen der beloftenis gehad, die werden gerekend te behooren tot het zaad Israëls, en deze konden niet anders dan verlangen naar de verwezenlijking van de beloften Gods aan de 1'2 stammen gebonden.

Om het inenten van zoovelen uit de Heidenen in den olijfboom Israëls, zoowel als door de verharding over een deel der Joden gekomen, is wel is: waar de verwezenlijking, van het plan Gods uitgesteld, maar 'tis daarom geenszins opgeheven.

Een Israël Gods in 12 stammen verdeeld, zal er zijn, en de wederherstelling er van in beginsel is de beteekenis der verzegeling. Blijkbaar wordt deze. verzegeling, het voornemen daartoe, vooraf openbaar aangekondigd, en wel na de geweldige revolutie in dit zesde zegel beschreven; — de verzegeling volgt op dat tijdvak der geschiedenis, waarin de afval der Christenheid tot Heidendom, tot wereld openbaar wordt,, en in zoover is de verzegeling een maatregel Gods, die juist door den afval noodzakelijk wordt.

Gedurende het lange tijdvak der vier eerste zegels is de geschiedenis een komen van den Heer tot de volken; een strijd der kerk met de aardsche magten, waarvan het doel is de volken immer weer op de christelijke waarheid te bouwen en een christelijk volk daar te stellen.

Het Heidendom der volken werd echter nooit geheel overwonnen; de geboden Gods en van Zijnen Christus werden nooit geheel grondwet der staten; zij meenden het nimmer volkomen ernstig met het Christendom; het Heidendom drong in de kerk, en nu de volken zien, dat het Christendom onmagtig is, om hen langer te beheerschen, verachten zij het; het ongeloof is in eer en aanzien gekomen, en de Fransche natie heeft in het laatst der vorige eeuw het eerst dit juk afgeschud, zich van het Christendom los verklaard, zelfs het bestaan van God geloochend en de menschelijke rede aangebeden.

Dit was het begin van den afval der volken, en daarmade is ook de stelling van het Christendom veranderd en heeft het eene andere roeping gekregen.

Het heeft niet meer tegenover zich een onmagtig Heidendom, waarvoor het een bewarend zout en een licht moest zijn, maar een herlevend Heidendom, van groote kracht, dat de leer van Christus en Zijne eischen kent, haat en veracht, en dat het Christendom als een hinderpaal begint aan te merken voor ontwikkeling en vooruitgang en weldra openlijk zal bestrijden als de vijand van het menschdom.

De tegenstelling is nu en wordt meer en meer: Christendom en anti-christendom. Met den afval is een nieuwe tijdkring in de wereldgeschiedenis aangebroken; de oude tgd van het komen van Christus tot de volken is afgeloopen, of loopt af, en nu begint de ineenstorting van de oude orde van zaken Despotisme en revolutie bestrijden elkander en leiden de ge-

li efgebad en mij verlost heeft, niet met goud j en zilver, maar met het bloed van bet Lam van God (1 Petr. 1: 21, 22). In Zijne diepste vernedering en in Zijne verhevenste heerlijkheid ■vind ik mijne veiligheid, mijn vrede, mjjn roem. Zie ik op mij zeiven, dan weet ik dat ik niet waard ben de geringste Zijner weldaden, dan waag ik het niet voor Hem te verschijnen en Zijnen heiligen naam op mijne met zonde bevlekte lippen te nemen; doch zie ik op Hem, dan schaam ik mij over mij zeiven, dan buig ik mij tot in het stof, dan sla ik op mijne borst en beken: »0 God, wees mij zondaar genadig!" En ik zie ten tweeden maal op Hem, en ik hoor Hem zeggen: »Ik ben in de wereld gekomen om verlorenen te zoeken, om zondaren zalig te maken, Ik zend u niet ledig weg, neen, Ik heb goddelijke zegeningen voor wêerspannigen verworven, zoodat God in hen woont en zij voor God mogen wandelen. En de zachte stem gaat voort met mij te lokken, te bemoedigen, te vertroosten, te ver'stèrken, te verkwikken; Hij ziet mij aan met heilige liefde, en ik zie op Hem met tranen, die in blijdschap veranderen, met schaamte en vertrouwen, met boete en geloof, met kinderlijke afhankelijkheid, en vrede en vreugde in den Heiligen Geest keeren in mijne ziel in. Elk gebrek trekt mij tot Hem in geloovig gebed; elke zegen vereenigt mij met Hem in de stemme der aanbidding als een onderpand, als een voorsmaak van zegeningen, die Hij mij beloofd heeft in Zijn onfeilbaar Woord.

Door den Vader is Hij mij tot wijsheid, geregtigheid, heiligmaking en verlossing gesteld. Hij dacht aan mij vóórdat de grond der wereld gelegd Werd; Hij zeide en deed alles wat goddelijke wijsheid, geduld, liefde en volharding zeggen en doen kan. Hij leidt mij, voedt mij, rust mij toe, behoedt mij, bewaart mij voor eene nooit eindigende zaligheid, voor mij den schuldige, ondankbare, onwaardige. Waar is een God als mijn God, waar een Heer als mijn HeilandV Dat alles wat in mij is Zijnen naam groot make, dat elke polsslag een loflied, elke ademhaling een verheffing van Jezus liefde ware, elk woord eene bekentenis van Zijne trouw, elke daad eene getuigenis té Zijner eer!

Wat kan ik anders doen dan Hem lief hebben, die mij met eeuwige liefde heeft lief gehad en Zich over mij met grondelooze goedertierenheid heeft erbarmd ?

Wat kan ik doen dan Hem buiten het leger volgen, gereed Zijnen naam te dragen, daar Hij mijnen smaad op zich heeft geladen?

Wat kan ik doen dan op Hem zien, die niet altijd, in het lijden bleef, maar het lijden heeft geheiligd, den dood heeft overwonnen, tevens de onsterfelijkheid aan het licht heeft gebragt? En op Hem ziende, word ik naar Zijn beeld veranderd, naar ligchaam en ziel veranderd; ik ga voort van heerlijkheid tot heerlijkheid; Hij leeft en ik zal leven, ik leef een leven, het leven van Christus, dat de dood niet deren kan, en ik zie verlangend uit naar den dag, wanneer ik naar ligchaam en ziel veranderd, het verderfelijke heb afgelegd, en het onverderfelijke heb aangenomen, bij Hem blijf zonder zonde, zonder smart, zonder tranen en zonder verzoekingen, Hem ziende zoo als ik door Iiem gezien, Hem kennende,. zoo als ik door Hem gekend word, mij verblijdende in het Lam, dat werd geslagt, en den Leeuw, die heeft overwonnen, zingende met de schare, die niemand tellen kan, een eeuwigdurend Hozanna, het nieuwe lied van Mozes en van het Lam. C. S.

De verzegeling.

"Tv

Johannes zegt: »Ik hoorde het getal dérgenen die -verzegeld waren, honderd vier en veertig duizend waren verzegeld uit alle geslachten der kinderen Israëls

Hij noemt daarna 12 geslachten op, in eene volgorde, • anders dan Jakob (Gen. 49), anders dan Mgzes , (Deut. 33) en laat Dan geheel weg. Dat Dan evenwel niet uitgesloten is, blijkt klaar daaruit, dat het getal der verzegelden -js uit alle geslachten van Israël. Mogelijk is Dan nu onder Levi begrepen, gelijk Mozes vermoedelijk Simeon. onder Levi begreep.

Eene diepe studie der profetie wordt vereischt, om de beteekenis der volgorde door Johannes in acht genomen te kunnen verstaan; ik moet eerlijk bekennen, er zeer weinig of geen inzigt in te hebben. Daarentegen blijkt het groote gewigt der verzegeling uit den lofzang der groote schare, die niemand tellen kan, en der engelen rondom de ouderlingen, en der vier dieren, vermeld in hoofdstuk 7 vs. 9—17.

Deze schare van verlosten voor den troon en voor het Lam en de engelen rondom hen, prijzen God van wege de verzegeling der 144,000 op aarde. Deze gebeurtenis moet alzoo groote beteekenis hebben voor Gods Rijk. En zoo is het inderdaad.

Uitwendig ziet Johannes niets; de verzegeling gaat in alle stilte en aan de verzegelden is niets te bemerken, behalve hunne belijdenis; zij worden niet verzameld of op eenige andere wijze als een volk Gods voor de wereld kenbaar, maar bestaan toch voor God als een volk van 12 stammen van 12 x 12 duizend personen.

Eene betrekkelijk geringe en toch magtige schare, want 144,000 menschen, die de volkomene zekerheid hunner roeping hebben, zijn zeer magtig in den Heer.

Met deze verzegeling is het begin gemaakt van de wederverschijning eener Israëlitiesche natie op aarde, niet in den zin van eene vleeschelijk Joodsche natie, maar in den zin van eene gemeente van uitverkorenen, die als een volk van 12 geslachten verschijnt.

Van den aanvang der roeping van Jakob af heeft God gewild, dat er zou zijn een volk van 12 geslachten, waarin Zijne heerlijkheid zou wonen. Deze vorm van Gods gemeente, Gods

schiedenis der volken tot de ontbinding, de ineenstorting van het statenbeeld van Nebucadnezar, waarbij zich het anti-christendom tot de volle openbaring van den mensch der zonde ont¬

wikkelen zal, en waarbij het Christendom meer

en meer zal worden tot een last uit den ouden

tijd, tot eiken prijs af te werpen.

Daarom is nu de uitroeijing van het Christendom de taak der eeuw, eene taak, die de ontwikkeling der geschiedenis beheerscht.

Het werk van Christus wordt daardoor echter niet in gevaar gebragt. maar komt slechts tot beslissing. Aan de volkeren is het heil aangeboden ; hadden zij het in geest en waarheid aangegrepen, zij zouden den zegen van Abraham deelachtig geworden, een volk Gods — Israël geworden zijn, met al het geluk en de heerlijkheid daaraan verbonden. Zij hebben niet gewild.

Nu moet alzoo het Volk Gods zich ontwikkelen in tegenstelling met de rigting der volken en in bepaalden strijd daartegen. Daarmede begint de scheiding, waartoe de verzegeling de eerste schrede is. Hoe minder de wereld aan de oogmerken Gods kan beantwoorden, hoe donkerder het wordt op aarde, hoe meer zich het oog der geloovigen rigt op God en Zijne beloften. Dit is een werk des Geestes, die in het midden van den afval, de getrouwen beleeft en vervult met geloofsmoed, hen bewaart voor de dwalingen des tijds en de kiem tot de wedergeboorte van een volk Gods in de harten

plant. Het woord der profetie is die kiem, dat

zaad, hetwelk even zeker eten volksboom zal voortbrengen, als een natuurlijk zaad opwast.

Zulk een zaad is klein, naauwelijks merkbaar, schijnt dood, is als verloren onder de aarde, doch die het zaait en kent, weet wel wat het worden zal.

Ztio is het met het vast verzegeld geloof aan Gods beloften. Die Jakobs 12 zonen ha,d gezien zou niet gezegd hebben, dat aan die mannen het heil der wereld hing; evenmin kwamen het kleine hoopje onder Zerubabel en Jozua; de herders, Simeon en Anna en later de 120 in de opperzaal te Jeruzalem in aanmerking, en toch waren deze weinige discipelen de werktuigen, waardoor het eeuwige raadsbesluit Gods tot uitvoering kwam.

Die in dit licht de verzegeling van 144,000 uitverkorenen Gods betracht, zal erkennen, dat die verzegeling het antwoord Gods is op den afval der Christenheid, verhooring der gebeden van Zijne gemeente, aanmerkelijke verhooring der gebeden voor het volk der Joden, het heilige land en het Jeruzalem Gods, en vo«rberei-

ling voor den laatsten beslissenden kamp met ien Anti-christus.

Dat het bij dien kamp noodig is, dat de meerderheid, althans een groot deel van het te herstellen Godsvolk, uit bekeerde Joden bestaat, betwijfel ik voor mij niet, daar het dan zal aankomen op mannen als de Gideon's, de Jonathan's, de David's, die onder de geloovigen uit de volken minder te verwachten zijn. Evenwel zullen er gewis geloovigen uit de volken onder de 144,000 zijn, opdat het blijke dat het voornemen Gods is naar de verkiezing, niet naar vleeschelijke afstamming. De geslachten Israëls zullen daarom ook mijns inziens niet worden gerekend naar de afstamming, maar naar den geestelijken aard. Juda, Levi, enz. hebben geestelijk elk hun bijzonder karakter, hun eigenaardigheid, en het zou kunnen zijn, dat de verschillende sekten onder Christenen en Joden, de verschillende landen en toestanden, waarin ze zyn opgewassen, tot het vormen van ie regte mannen van Juda, Levi enz. moet medewerken. — Hoe dit zij: God kent de Zijnen en Hij kan even goed door Zijnen Geest een wezenlijk geestelijk Israël doen geboren worden, als Hij het volk der vleeschelijke afstamming tot den dag van heden heeft in stand gehouden.

De verzegeling van dat geestelijk Israël, dat leeft bij het woord Zijner profetie, is hier voorspeld, en om die verzegeling prijst de schare der verlosten God en het Lam, als ware de zaligheid nu door deze gebeurtenis volbragt, waarmede de engelen Gods instemmen.

Nu is de bede der zielen onder het altaar aanvankelijk verhoord. De ontwikkeling der gemeente op aarde, het werk van Christus in haar, is tot dien graad gekomen, dat zich uit haar weder een volk vormen kan. Dit is geene nieuwe gedachte Gods, maar voortzetting van het werk in het Oude Verbond aangevangen, doch door de hardnekkigheid der Joden en de dwaasheid der naamchristenen telkens uitgesteld of verschoven. Deswege looft de schare der verlosten voor den troon G ode en het Lam, niet alsof het werk der gemeente mislukt ware en het alzoo weder aan het vleeschelijk Israël zou worden opgedragen, maar veel meer omdat het nu blijkt, dat de gemeente uit Joden en Heidenen verzameld, ook door nieuwe toebrenging van velen uit de Joden, door Gods Geest wordt in staat gesteld, om het beroep van een waar Godsvolk aan te grijpen, aan hetwelk de overwinning over alle rijken der wereld is beloofd en verzekerd. I. E.

Anti-Dagbladzegel-Verbond.

De redactie van de Heraut werd, even als andere bladen, verzocht van het verslag van de buitengewone algemeene vergadering van dat Verbond in de Heraut melding te maken. Ik doe dit gaarne, omdat ik geloof, dat het wenschelijk is, dat Nederland, het land der vrijheid bij uitnemendheid, niet bij andere landen achterstaat. Het is mijne stellige overtuiging, dat de Nederlandsche pers in een allerjammerlijksten toestand verkeert, en dat de voornaamste dagbladen in geenen deele bij de buitenlandsche vergeleken kunnen worden. De bladen zijn duur en slecht, zij leven van vertalingen, en zijn in geenen deele geschikt om het volk voor te lichten. Vergelijkt men de hoofdartikelen der Engelsche goedkoope pers met die der Nederlandsche, dan staat men waarlijk verbaasd over de onbeduidendheid der Nederlandsche schrijvers, die enkel in één punt uitmunten , in hunnen haat tegen het positieve Christendom. Zij uiten dit veelal niet in zoovele woorden, maar het is overal te bespeuren, en zij hebben niet weinig bijgedragen om het woord liberaal in verdenking té brengen, naardien liberaal gelijk gesteld móet worden in Nederland met on-, met an<!-christelijk. Wanneer men dus uit Nederland komende in Engeland gevraagd wordt: Behoort gij tot de liberalen? dan moet men, welke ook overigens de staatkundige overtuiging moge wezen, antwoorden : neen, omdat liberaal hetzelfde beteekent als ongeloovig.

Het wordt door velen voor onmogelijk gehouden, om aan dien toestand een einde te maken, zoo lang de tegenwoordige zware belasting der dagbladen blijft voortduren, omdat de redakteurs niet even als de buitenlandsche, zelfstandige correspondentie kunnen betalen, noch aan hunne medearbeiders een zoodanig honorarium geven, dat zij zich de hulp van bekwame mannen kunnen verzekeren. Voorts is concurrentie tegen de eenmaal gevestigde dagbladen bijna onmogelijk, en men slaapt overal in, waar men niet door mededingers wakker geschud en wakker gehouden wordt. Het afschaffen van het Dagbladzegel zoude aan de zware belasting, die nu de° ontwikkeling der pers belet, een einde maken, en de vaderlandsche pers gelijk stellen met die van andere landen, en haar dus de mogelijkheid geven te doen wat ook elders geschiedt. Naardien de pers een ontzaggelijken invloed uitoefent; naardien het wenschelijk is, dat zij zooveel doenlijk onbelemmerd en goed bestuurd worde; naardien het afschaffen van het Dagblad-zegel een der groote beletselen uit den weg zoude nemen, geloof ik dat het Anti-Dagbladzegelverbond bevorderd behoort te worden, al weet ik zeer wel, dat eene meer en meer vrije pers ook hare gevaren heeft en dat het zegel niet het voornaamste onregt is, waaronder de Nederlandsche pers gedrukt gaat. De pers kan niet slechter zijn dan zij nu is, en daarom dunkt mij is eene verandering, die billijk is, bijna overal elders is ingevoerd, en die eene verandering ten goede tot stand brengen kan, zeer wenschelijk. Daarom zoude ik zeer bepaald lid worden van het Anti-Dagbladzegel-Verbond.

C. S.

jongste politieke gebeurtenissen in ons land.

Een politiek drama.

Onder dit opschrift deelt Prof. J. T. Buijs in de Gids van April zijn gevoelen mede over de jongste politieke gebeurtenissen in ons land. Hij begint met te verklaren: »Onze politieke toestand is tegenwoordig van dien aard, dat alles mogelijk en zelfs waarschijnlijk wordt, alleen datgene niet wat het koel veerstand, na rijp beraad als het meest overeenkomstig de wezenlijke belangen van den st aat zou willen aanprijzen."

De overwinning eg? liberale partij bij de stembus schrijft de hoogleeraar vooral aan twee omstandigheden toe, vooreerst aan het besef dat die partij al hare krachten moest inspannen tegen de coalitie der conservatieven, katholieken en anti-revolutionairen, en ten anderen aan de vrees dat de schoolwet in gevaar verkeerde.

Het Ministerie heeft, naar zijn inzien, door zijne onbestemde houding met betrekking tot de schoolwet zich zelf vele en gevaarlijke tegenstanders verwekt, zonder dat het tegelijk het getal zijner aanhangers kon vermeerderen.

Twee zaken acht de hoogleeraar zeer duidelijk :

1. dat de verkiezingen hebben uitgemaakt, dat de voorstanders van de Schoolwet de meerderheid hebben onder het kiezersvolk.

De belangrijke vraag of de kiezers in dit opzigt zijn de getrouwe uitdrukking van de wenschen der geheele natie — »misschien onoplosbaar" — laat de hoogleeraar ter zijde.

2. dat de anti-revolutionaire partij nog meer heeft geleden dan het Ministerie; dat zij een groot deel van het terrein, in 1866 door de liberalen verloren, weder aan de liberale partij heeft moeten afstaan, en zedelijk zoodanig échec heeft geleden, dat zij op dit oogenblik als politieke partij heeft opgehouden te bestaan, en zich, in de Kamer althans, heeft opgelost onder de ministeriëelen.

De heer Buys vindt geene politieke verwantschap meer tussehen de heeren Wassenaar, Saaijmans Vader en Gefken, met den leider der partij Groen van Prinsterer, en acht dat, met het vrijwillig aftreden van den heer Keuchenius, ook het laatste spoor van een zelfstandig bestaan der anti-revolutionaire partij is weggenomen.

Voor de zoodanigen onzer vrienden in en buiten de Tweede Kamer, die van den heer Groen verschillen, is de lezing van dit artikel van den heer Buijs zeer aan te bevelen. Tegenstanders kunnen ons soms voortreffelijke diensten doen en door voorbarige blijdschap over onze feilen ons dubbel oplettend maken op den weg dien wij gaan.

Ik moet echter een enkel woord in het midden brengen tegen de vrij stoute beweringen van den hoogleeraar.

1. Het is minstens zeer gewaagd, zoo niet bepaaldelijk onwaar, te verzekeren dat de meerderheid van het kiezersvolk is gebleken te zijn voor de voorstanders der schoolwet. Men zou dit kunnen zeggen, wanneer de schoolkwestie het motief 'der ontbinding van de Tweede Kamer ware geweest; wanneer aan de kiezers wave voorgelegd de vraag: wat dunkt u van eene verandering der schoolwet? Dit is niet geschied. Alleen hebben de anti-revolutionairen de schoolkwestie, als punt van ralliement, als banier opgeworpen, en deze kwestie is hier en daar door andere partijen in hun belang gebruikt, maar volstrekt niet alleen, terwjjl het beleid van den Minister van Buitenlandsche Zaken, het gezag des konings, veel meer op den voorgrond zijn gesteld.

De hoogleeraar weet dit zéér wel; hij weet zeer goed, dat de antirevolutionairen, wanneer de regering over een christenvolk zoo ver is gedaald, dat zij meent de goddeloosheid te mogen openbaren van het christelijk onderwijs en de christelijke opvoeding des volks tot eene kwestie te maken, door kiezers te beslissen, — dat in zoodanig geval de anti-revolutionairen er geenszins tegen zouden opzien, dat de Kamer werd ontbonden en de vraag aan Nederlandsche harten werd onderworpen, mits de vraag duidelijk en zuiver werd gesteld, bij voorbeeld: de christelijke school, of de moderne secteschool; de school waar de naam van Jezus mag worden genoemd, of de school waar die naam verboden is ; Christendom of anti-Christendom?

Eerst wanneer de vraag zoo duidelijk ware gesteld, zou men tot de conclusie geregtigd zijn, dat het kiezersvolk, waarlijk in staat is geweest om te beslissen.

De meerderheid van het kiezersvolk heeft de schoolwet nooit gelezen en beoordeelt dezelve meestal naar de plaatselijke toepassing, welke bijna overal nog veel meer heeft van de wet van 1806, dan van die van 1857. Neutraal, dat is: zonder godsdienst zoo als de schoolwet verlangt , is de openbare school bijna nergens, zoodat eene eerlijke naleving der wet gedurende eenige jaren zou moeten voorafgaan, voordat het kiezersvolk in staat zou zijn om er over te oordeelen.

Juist de voor den hoogléeraar »misschien onoplosbare" vraag: wat de wenschen zijn der geheele natie, moet opgelost worden, zal men kunnen weten, wat de kiezers, die het volk moeten vertegenwoordigen, eigenlijk willen.

De wenschen der natie vinden hunne ontwijfelbare uitdrukking in het behoud van den doop, van de belijdenis van den Christus; in haar weerzin tegen ongeloof en Godverzaking, zeer krachtig openbaar geworden in de kerkelijke verkiezingen.

Uit die openbaringen van het nationaal gevoelen kan de hoogleeraar zien, wat de kiezers zouden stemmen, bijaldien zij werden geroepen eene der groote vragen te beslissen, waaraan het bestaan van een uit de Hervorming geboren volk hangt.

De hoogleeraar acht trouwens zijne slotsom van het resultaat der verkiezingen eene gissing; grondiger kennis dau hij van het volk heeft, is, zegt hij, noodig, om hier te beslissen, en»mis-

Sluiten