Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aanvaard wordt, zoo dikwijls ze tegen, maar bestreden, zoodra ze voor de belangen der kerk pleit.

We zouden dan ook alle hoop voor de toekomst laten varen, zoo de Kamer zulk een regeeringsbeleid had goedgekeurd.

Gelukkig deed ze dit echter niet.

Juist door de halstarrigheid van den minister heeft de heer van Lijnden zich laten bewegen om zijn amendement een principieel karakter te geven. Na het gesprokene door de heeren van Houten en Jonckbloet is dit onmiskenbaar.

De aanneming van dit amendement is dus niet slechts eene zedelijke nederlaag voor het Algemeen Collegie, maar ook een politieke nederlaag voor Mr. van Bosse, en niet minder een hoopvol precedent voor de vrijmaking onzer kerk in de toekomst.

Immers bi] de stemming bleek het, dat alleen de Thorbeckianen van zuiveren bloede, waarbij zich de heeren Kien, van Voorthuysen en Taets aansloten, het stelsel van pressie bleven verdedigen.

Lang blijven zal dit ministerie niet. Het heeft te weinig levensvatbaarheid, om zich nog krachtig te gevoelen, na de vele speldeprikjens en degenstooten, die het reeds ontving.

Het is geen ministerie waartegen men

storm loopt. Het wordt eenvoudig met de gewone pas teruggedrongen, tot het zijn wapenen niet meer over kan geven, omdat het geen wapenen meer heeft.

Vooral Mr. van Bosse vond èn als minister van Finantiën, èn als minister van Eeredienst, te weinig sympathie, om op blij venden steun te kunnen rekenen.

En welk ministerie dan ook optrede, hetzij van geavanceerd liberalen, of conservatieven, of van gemengde kleur, het zal een betere toekomst voor de Kerk met zich brengen.

Want met uitzondering van den heer Taets en de Utrechtsche afgevaardigden, hebben alle conservatieven de vrijheid der kerk verdedigd.

Voeg daarbij, dat de geavanceerd liberalen het hebben uitgesproken, dat wie de vrijheid wil, de vrijheid moet durven vertrouwen , en daarom vóór het amendement hebben gestemd.

En men zal moeten toegeven, dat de vrijmaking der Kerk, wel verre van in het debat te zijn ondergegaan, juist door de tegenwerking van Mr. van Bosse, een dier ministeriëele kwestiën is geworden, waarop bij nieuwe kabinetsformatie zal worden gelet. _ K.

Christelijke pers.

De grijze, maar onvermoeide volksvertegenwoordiger buiten het. parlement, verrastte ons ditmaal met een dubbel nummer zijner Nedcrlamlsclic Gedachten. No. 14 is aan de houding onzer vrienden in de Kamer, N°. 15 aan het concilie, beiden zijn aan de vrijmaking der kerk gewijd.

Met geheel onze pers brengt ook de heer Groen een woord van warme hulde aan het ernstig en cordate woord door den heer van Lynden bij de algemeene discussie gesproken. Een fragment daaruit neemt hij over, en keurt dit deel zijner rede »der lezing en overdenking, buiten de Tweede Kamer, en eiken dag, voor ieder lid der Kamer, dubbel waard." Maar nogtans heeft hij met de houding onzer geestverwanten geen vrede. Ze zijn hem niet genoeg reflex van de Christelijk-historische richting buiten de Kamer. Daar de onderwijs-kwestie, levensvraag, die elke andere vraag geheel terugdringt, bij hen nog te zeer een deel, al is 't dan ook een belangrijk deel van het program. Door dit gebrek aan overeenstemming tusschen de richting buiten en in de Kamer, wordt, meent hij, beider kracht verlamd. Eerst na afloop van de begrootings-discussie zal de juistheid van dit oordeel kunnen getoetst worden. De discussie van Eeredienst heeft getoond, wat goedgewapende, cordate mannen we in hen bezitten. Wat belet ons te hopen, dat ook de begrootings-discussie over de afdeeling onderwijs elke vrees voor zwakheid bij onze geestverwanten zal beschamen. Zij weten wat onze wenschen en onze beden zijn, en gelijk bij Eeredienst, zoo ook bij de onderwijs-kwestie, zullen zij voorgaan , en uit alle groepen in de Kamer hen volgen, wie door hun woord werd overtuigd.

Met het oog op het concilie, schaart de heer Groen zich aan de zijde van hen, die in overeenstemming met onze Hervormers, blijkens de erkenning van den doop, het christelijk element in Roine weten te waardeeren. Maar niettemin waarschuwt hij zeer ernstig tegen te ver gedreven sympathie, die in ontrouw aan eigen roeping zou ontaarden. En daarom: «Samenwerking met roomschgezinden? ja. Een ig bondgenootschap met de Roomsche kerk? Nooit. Zelfs een wapenstilstand, at;ht hij, beiderzijds misdrijf.

De Vrijmaking der Kerk is hem zulk

een onmisbaar deel van ons program, dat hij zelfs acht, dat vrijmaking der kerk aan vrijmaking der school moet voorafgaan. Ook dit is hem een eisch van uit het anti-revolutionair en nationaal beginsel, opdat vernietigd worde de revolutionaire daad van 1816, en terug worde gegaan naar het nationale leven, dat zich in 1813 toonde.

Het Decembernummer van de Vereeniging: Christelijke Stemmen wint het van het vorige verre in belangrijkheid. Uiterst boeiend is de Voorlezing van Kemmler, door de Liefde meêgedeeld, over het ideaal der toekomst, en als laatste gave van den ontslapen vriend bezit deze lezing een weemoedige aantrekkelijkheid: Ook zijn stem zal dan in die Stemmen niet meer worden gehoord. Des te verblijdender is bet, dat in hetzelfde nummer een nog anonyme, maar dusver niet vernomen stem zich hooren laat, in een politiek overzicht van de laatste maand. Het Maandschrift verkrijgt hierdoor een actueel karakter, en waar de groote kwestiën van binnenlandsche politiek met zulk een beslistheid, en zoo bondig besproken worden, zullen de abonnés den Uitgever zeker dank weten, zoo het hem gelukt voortdurend dit overzicht als maandelijksche bijdrage hun toe te zenden. Tegenover de dubbele afkeuring, die onze houding op het Schoolverbond in het De¬

cember-nummer van de »Stemmen voor Waarheid en Vrede" vond, deed het ons goed in het Deeember-nummer van de „Christelijke Stemmen" een daartegen minstens opwegend dubbel getuigenis van goedkeuring te ontvangen. En niemand zal deze waardschatting te hoog vinden, die weet, dat een man als Heldring die gaf. Hij, de roem onzer Christelijke natie in alle oorden van Europa, de grijze paedagoog, doorkneed in alles wat met het stuk van onderwijs en opvoeding samenhangt, noemt »het Schoolverbond bij onze tegenwoordige wet een ondenkbare zaak", en erkent met ons, dat er geen schrede in het leven is of er is onder den naam van Schoolverbond strijd tot schoolplichtigheid en schooldwang. Oolc hij zegt, » dat de eerenaam van liberaal geschrapt moet voor elk die onder de bestaande wetgeving schoolplichtigheid zieh denken kan." Mocht de stem van dezen Nestor in de opvoedkunde nog gehoord worden, en juist de agitatie voor het Schoolverbond de strooming worden, die onze Schoolwet wegspoelde. Maar men gevoelt. Dit kan dan alleen, zoo wij een onwrikbaar »non possumus" stellen tegenover elke poging, om het schoolverzuim door dwang te bezweren, zoolang deze Schoolwet blijft.

In de Bazuin trof ons een schrijven van den kerkeraad te 's Hertogenbosch, waarin hij ten goede spreekt voor de bedestonden, die in tal van plaatsen met het oog op het concilie gehouden worden. Het trof ons als blijk, dat een meer christelijke beschouwing over de Roomsche Christenen zoo in als buiten de afgescheidene kerk veld wint. Toch gelooven we, dat hier hooge voorzichtigheid vereischt wordt, omniet in gedwongen gebedsvertooning te vervallen. Het gebed is zoo heilig. En als dan nu bij' zulke bidstonden honderden samenvloeien, om een zaak van den Heer te begeeren, die in het huislijk gebed, in het stille gebed der eenzaamheid zelden, zoo ooit een voorwerp der smeeking is, dan zou men kunnen betwijfelen, of de jvare geest des gebeds werkelijk in zulke samenkomsten zou heerschen. Zeker het concilie mag onzerzijds niet zonder een levensteeken voorbijgaan, maar als we tot het gebed samenkomen, zou de nood onzer eigen kerk, juist tegenover het veldwinnen van Rome's macht, ons dan niet natuurlijker een bede voor den Almachtige worden, dan een gebed, dat onder welken vorm dan ook, een gebed voor Rome's bekeering wordt.

In het Kerkelijk Weekblad wijst Br. Nonhebei zeer terecht op de onverdedigbare wijze, waarop de Synode, evenals van Bosse, het zich noemend Algemeen Collegie van toezicht heeft erkend. Ook de redactie dringt er op aan, dat de classikale vergaderingen van het volgend jaar worden te baat genomen, om zeer ernstig tegen dit onrecht op te komen. Ook in dit blad openbaart zich dus steeds krachtiger een streven om op elk gebied de autonomie der gemeenten te verdedigen. In aansluiting aan de opmerking der redactie, wijzen we nu reeds op de plicht der christelijke pers, om minstens een tweetal maanden vóór de classis bijeenkomen, een program, een agenda voor onze geestverwanten te arresteeren, opdat allerwege in gelijken zin worde gesproken en gehandeld. Minstens twee maanden vooruit. Want op de Classis is men eerst dan krachtig, zoo men vóór de Classis bijeenkomt, allerwege zijn candidaten besproken en zich van trouwe opkomst van predikanten én ouderlingen, de laatsten vooral ook uit vacante gemeenten, verzekerd heeft.

Een brief in hetzelfde blad, ten betooge, dat óf onze schoolwet-agitatie een fictie, óf de houding van christelijke onderwijzers op de openbare school, een onmogelijke is, onderschrijven we zonder de minste reserve. Alleen dan zou die positie verdedigbaar zijn, zoo er geen arbeidsveld in christelijke scholen was. Nu maakt

juist het bestaan dier scholen , de toewijding van alle christelijke krachten ten plicht, zullen de christelijke scholen werkelijk de uitdrukking zijn van de paedagogische kracht, die onze richting bezit.

Do Wekstem ziet in de kritiek van Dr. Bronsveld over de vrijmaking der kerk, »een bluscnmiddel." We meenen het tegendeel. Juist naarmate de redacteur der Stemmen zich meestal in weinig broederlijken zin over ons uitliet, achten we ons te meer geroepen, elke zweem van sympathie bij hem op te merken. Sympathie is ons beter dan een vergiftigd debat, en zoo men in de verhouding met Dr. Bronsveld hier niet zeer tegen op zijn hoede is, zou men hierin verloopen, eer men het wist. Het is den criticus meer eigen, scherp te zijn. Ook hiertegen moet bij den Christen gestreden, en we zijn overtuigd, dat niemand beter dan Br.Bronsveld die plicht gevoelt. Maar hier sprak hij in elk geval in sympathetischen zin. Hij beval de artikelen ter lezing aan. Alleen hij waarschuwde tegen overijling. Waarom niet? Zelfs ietwat scherpe critiek doet beter dienst dan vage toestemming, en hiervan geven we de verzekering, geen extincteer zelfs zal het vuur uitblusschen, dat reeds allerwege in onze kerk brandt.

Met hartelijke instemming lazen we het stuk over de Staats-loterij. Onze geestverwanten in de kamer moesten, al was het enkel om dien onzedelijken post, de begrooting afstemmen. Hoe ook ons hart en hoofd met den strijd voor kerk en school vervuld is, ook tegen zulke verkeerdheden mogen wo den strijd niet staken. Loterij, onder welken vorm ook, is ongodsdienstig _ en onzedelijk, en knaagt daarom aan den bloei van ons maatschappelijk leven.

Het halfmaandelijksche blaadje Mnranntha, dat ons ditmaal werd toegezonden, nemen we gaarne in ons overzicht op. Zeer ter snede is zijn opwekking om de geschriften onzer oude Gereformeerden niette vergeten. We zijn overtuigd dat onze gemeenten hierin degelijker geestelijk voedsel zullen vinden, dan in de lichte, methodistische spijs, die bij volle ladingen ons over de zee wordt aangevoerd. Voor het levpn des geloofs en het wassen in de genade geven de voorraadschuren onzer ouden zooveel meer. Niet minder behartigingswaardig is zijn strijd tegen het gebruik van vreemde woorden in onze Christelijke bladen. Geheel te vermijden zal dit echter wel zijn voor'bladen, die zich uitsluitend op geestelijk gebied bewegen, minder voor diegenen, die ook een woord hebben over een wereld en een maatschappij, die haar kunstmatig leven meest in kunsttermen uitdrukt.

De Volksbode geeft een artikel over de vrijmaking der .kerk in een samenspraak. Uitstekend middel om ook bij hen bewustheid van dit vraagstuk te wekken, die minder gewoon zijn rechtskundige verhoudingen te beoordeelen.

Het stukje van W. K. C. tegen de kolpniale

discussie der liberale bladen, begroeten we met vreugde, als protest tegen hen, die wenschen zouden, dat de Christelijk-historische richting zich voor het koloniale vraagstuk bij de radicalen liet inlijven. Nooit inlijving. Ook op koloniaal terrein hebbe onze richting een eigen program.

Het N. Vaderl. Courantje brent een goed denkbeeld te berde, Op een boot heeft men niets te doen, en leest, en leest nog eens eene Courant, die maar ter tafel ligt. Maar bijna nooit vindt men daar onze bladen. Daarom oppert de redactie de gedachte, om als middel ter verspreiding onzer denkbeelden, als middel ter evangelisatie, een aantal exemplaren onzer bladen, op booten en in kofiijhuizen neder te leggen. Uitstekend , voor zoover reedenj en logementhouder het duldt.

De tijd ontbreekt ons om de IIoop des Vaderlands te bespreken. We stellen dit uit tot een volgende week, en doen dit te liever, om voortaan ook van dit blad het nieuws te bespreken , dat een vorige week verscheen. De verschillende bladen van eenzelfde week behooren bijeen. K.

Staatkundige pers.

Eer we een beslist oordeel uitspreken over het debat dat in de T weede Kamer bij de behandeling van de onderwijskwestie wordt gevoerd, willen we de Bijbladen afwachten. Het kort verslag door de radicale pers is te weinig nauwkeurig om vertrouwen te verdienen. 1) En ook het stellig betere verslag van het Dagblad is bij een zoo teedere kwestie geen veilige gids. Het komt hier op de eigen woorden onzer geestverwanten aan. Alleen met de stukken voor ons, kunnen we oordeelen. En die omzichtigheid nem.>n we te liever in acht, nu een oppervlakkige kennisneming van het debat onze hierboven uitgesproken verwachting bitter teleur» stelde. De indruk dien we ontvingen was:

»Gij radicalen! zijt onverwinlijk, omdat uwe organen in de pers en in de Kamer een volkomen gelijken klank geven. Maar wij zijn geslagen , want voor ons trad niemand op, wiens overtuiging onze overtuiging weergaf." Men vatte dit niet op, alsof wij van onze kamerleden wenschen zouden, dat ze spraken tegen hun overtuiging. Evenmin, alsof we het beginsel waarvoor we strijden, in hun woorden niet wedervonden. Maar een overtuiging betreft niet alleen het beginsel, maar ook de gevolgen daaruit afgeleid, en de verschillende wijzigingen, die deze gevolgen door den drang der omstandigheden in hun ontwikkeling moeten ondergaan. In dien zin is het thans het Utrechtsch program, dat de overtuiging onzer richting belichaamt. En vergissen we ons nu niet, dan schijnt uit het debat te blijken, dat deze overtuiging door geen der drie leden, die daarover het woord voerden, werd gedeeld. En de heer van Wassenaer, én de heer van Lynden, en de heer Vader schenen elk een verschillende overtuiging te hebben, zonder dat één hunner onvoorwaardelijk onze overtuiging uitsprak.

De dagbladpers was ook deze week zeer pover. Nieuwe gezichtspunten werden nauwlijks in de discussie geopend, en vooral het Dagblad lijdt merkbaar onder het Egyptisch uitstapje van zijn hoofdredacteur. Maar ook bij mindere belangrijkheid blijft het zijn toeleg voortzetten, om onze Kamerleden, ondanks de duidelijkste tegenspraak, bij de Conservatieven in te lijven. Al voldeed het debat ons niet, onwaar is het echter, dat onze geestverwanten het Wetsvoorstel-Heemskerk op den voorgrond plaatsten. Zeer duidelijk heeft van Wassenaer op art. 194 der Grondwet gewezen. Nadrukkelijk heeft van Lijnden ook art. 23 der Schoolwet gebrandmerkt.^ En al is het, dat van Lijnden aan het slot zijner rede op het Voorstel Heemskerk wees, niettemin spreekt het Dagblad, tegen beter weten, zoo het de woorden van Wassenaer en van Lijnden als uitdrukking van zijn eigen program doet voortkomen. Bij al de droevige weifeling, en betreuringswaardige verdeeldheid, waarvan hun woorden de blijken droegen, bewogen toch beiden zich aan deze zijde der grens, die het Dagblad dusver althans nog nooit dorst overschrijden. Als van Lijnden zegt: „de Conservatieven gaan met mij mede, doet gij radicalen! het ook", dan mist men het recht, om uit die woorden af te leiden, dat hij juist omgekeerd het Conservatieve vaandel als zijn veldteeken begroet. Het komt hier op de woorden, niet op de feiten aan.

Niet minder laakbaar schjjnt ons de tactiek waarmeé de N. Rotterdammer dag aan dag strijd voert tegen de Tijd. Sints lange maanden wordt op dat ultramontaansche orgaan schier zonder tusschenpozen de Rotterdamsche batterij gelost. Was afspraak te vermoeden, men zou meenen dat in het radicale léger de bestrijding der ultramontanen uitsluitend aan de redactie van dit blad was opgedragen. En op zich zelf is er in dien strijd veel dat ons verblijdt. Soms verlaten gansche artikelen haar pers, die we uit volle overtuiging zouden onderschrijven. Maar hierin juist schuilt het oneerlijke. Wat een ridderlijk wapen zou zijn bij on$e overtuiging, wordt daardoor juist oneerlijk, zoo het gehanteerd wordt door mannen, die de overtuiging der N. Rotterdammer zijn toegedaan. Wie op het fundament van het positieve Christendom staat, heeft recht om de ultramontaansche partij, met dc echt-katholieke elementen in de Roomsche kerk te bestrijden. Maar als men, gelijk de N. Rotterdammer, een beginsel aanvaardt, waartegen de echt-katholieke elementen in Rome, even principiëel als de ultramontaansche fractie, gekant zijn, dan wordt een bestrijden van het ééne element met het andere een onzedelijk spel, waarbij de N. Rotterdammer zich niet door haar beginsel, maar door den geest van Loyola leiden laat: een striid onder het schandeliik

devies »Verdeel en heersch". Zij is tegen de ultramontanen. Het zij zoo. Wij met haar. Maar laat ze ze bestrijden fier en manlijk, met wat haar eigen beginsel haar ter aanval of ter verdediging biedt. Dat is ridderlijk. Dan zal het blijken, dat juist niets de ultramontaansche partij zoozeer bevordert, als het veldwinnen der naturalistische beginselen. Maar om, als die wapenen niet doeltreffend blijken, eerst de ultramontanen te verslaan met hulp der katholieken, om straks met hulp der oud-protestantsche partij de katholieken te bestrijden, dit achten we een tactiek, die voor de rechtbank

1) Een proef hiervan is, wat de heer Jonkbloet over onze artikelen „Vrijmaking der kerk" zei; hij had gezegd: geschreven in MODET-stijl. Modet was een bekend gereformeerd leeraar uit de dagen van Prins Willem. Hij bedoelde den: eigenaardig gereformeerde stijl. De bedoelde verslagen maken er ran: rAMFLEX-stijl.

der zedelijkheid geoordeeld is. Nu worden Hyacinthe en Dupanloup en Montalembert om strijd bewierookt, en als morgen Groen en van Lynden stellingen uitspreken, die veel dichter nog, dan de denkbeelden van Montalembert bij de beginselen der N. Rotterdammer staan, worden ze in hetzelfde blad fel en bitter bestreden. Dat is gelegenheidspolemiek. Dat is een meten met! twee maten, waardoor men de publieke meening misleidt.

Thans in haar artikelen over het Concilie bespeurt men hetzelfde. De ultramontanen worden verfoeid. Dupanloup c. s. met hartelijke voorliefde geprezen. Zij laat zich hier door de Tijd zelve op het dwaalspoor brengen. Voor wie de kerkgeschiedenis kent ligt er niets vreemds in het feit, dat bij den aanvang van een Concilie verschil van gevoelen in Rome's kerk heerscht. Zonder uitzondering schier zijn alle Concilies juist ter beslissing in zulke geschillen gehouden. I's het dus waar, dat ook dit Concilie niets slechts tegen den modernen tijdgeest optreedt, maar ook te beslissen zal hebben over het leerstuk van 'spausen onfeilbaarheid, dan moest de Tijd niet zoo onhandig zijn, om het verschil van gevoelen hierover in den boezem der kerk te erkennen, en de N. Rotterdammer niet zoo kleingeestig, om dit natuurlijk verschil als een wapen tegen de Ultramontanen te gebruiken. Eerst als het Concilie gesproken heeft is er voor dat debat plaats. Dan toch zal het blijken moeten, of de episcopale partij in de kerk in die beslissing berusten, of wel van Rome zich scheiden zal. Schier elk Concilie wijst in Rome's levensgeschiedenis op zulk een afscheiding van de moederkerk. Het zou volstrekt niet vreemd zijn, zoo ook het Concilie van 1869 te gelijk met zulke nieuwe afscheiding in haar jaarboeken werd opgeteekend.

Het Algem. Dagblad van Nederland heeft met de Arnhemmer zich onledig gehouden over het beste bondgenootschap, dat wij als Nederlanders sluiten konden. Het eerste blad is voor een bond met Pruissen, het laatste voor nauwe aansluiting aan Belgie. Door beiden wordt niet slechts een verbond tegen de mogelijkheid van oorlog, maar ook een gedeeltelijke samensmelting onzer legerkrachten bedoeld. Het is een veeg levensteeken voor den Staat, als de bespreking van zulke vraagstukken noodzakelijk wordt. Toch nu de eenige, machtige Bondgenoot, die waarlijk redden kan, al meer verlaten wordt, begrijpen we dat men in een onbehagelijk gevoel van verlatenheid, naar andere bondgenooten omziet. Toch waarschuwen we tegen België. Een legerverbond met dat rijk brengt ons gedurig in gevaar. Een omwenteling te Parijs kan de Franschen naar de Belgische grenzen drijven. Waren wij dan Belgie's bondgenooten, dan verloren we den uitnemenden kans van onze eigen verdedigingslinie en liep ons leger gevaar in het geheel openliggend België te zeer geteisterd te worden, om nog met hoop op goed gevolg de eigen erve te verdedigen. Bovendien de Bismarck's geest is ons zeer tegen, maar toch den invloed der Belgische liberalen duchten we nog meer.

De breuke in de liberale partij wordt met den dag duidelijker. Het Noorden blijft zich fiks weeren tegenover de Arnhemmer, die zoo gaarne den vrede in de familie wilde bewaren. Het wil met het Vaderland orgaan der meer geavanceerde richting worden. De kunstmatige dam, die het liberalisme tegen den stroom van het ongeloof had opgeworpen, is dus nu reeds doorbroken. De logica der feiten blijkt, zelfs een Thorbecke te sterk te zijn. Hij wilde het gif volgens zijn recept. Dan, verzekerde hij, kon het niet schaden. Dat nu reeds zijn recept wordt afgekeurd moet den grijzen staatsman smartelijk zijn. Te smartelijker naarmate hij dieper de verantwoordelijkheid voelt van den rampspoed, dien hij over zijn volk heeft gebracht. Mij dunkt, in oogenblikken, waarin zijn geweten sterk spreekt, moet hij aan Groen's adviezen wel eens met het zelfverwijt denken, dat hij frisscher ouderdom zou doorleven, zoo hij dien profetischen geest minder geminacht had.

Eerst de uitkomst zal ons leeren, of het Algcm. Dagblad met het Vaderland en het Noorden homogeen is, of wel dat we daarin het,

orgaan van nog een andere fractie der partij moeten begroeten. Het feit, dat ook het Noorden naar Amsterdam verplaatst wordt, geeft voor dat vermoeden wel eenigen grond.

De Utrechtsche Courant blijft ijveren voor schoolplichtigheid, en deelt daartoe uit Dr. Keijzers »levensvormen* een citaat mede, dat op schoolplichtigheid als gebiedend geëischt, heenwijst. Ook de heer Lalleman in de Tijdspiegel levert een warm pleidooi voor dit eenig afdoend middel tegen schoolverzuim. Voeg hierbij dat de heer Roock, schoolopziener te Bergen op Zoom in de Wekker verklaart » dat het woord van Dr. Kuyper waar zal blijven toen hij sprak: Doet wat gij wilt, gij kunt haar niet ontgaan, telkens zal zij zich voor u stellen," en we meenen recht te hebben, om nu reeds, maar al te spoedig een krachtige openbaring te zien, van wat o. i. onvermijdelijk volgen moet.

De Rotterdamsche Courant gaf een zijdelingsch antwoord op onze vraag, waarvoor we haar dank zeggen. Toch bracht ons dit antwoord nog niet verder. Dat wie den Rockdienst in joaciydienst onder doet gaan, haar beleedigt, zal ieder toestemmen. Dat politieke partijen den godsdienst vaak bewogen om haar slippen te dragen, toont de geschiedenis. Beide keuren we met haar af. Maar daarin homogeen, wenschten wij te vernemen, of hij, die in onze dagen op het fundament van het positieve Christendom staat, een eigen richting in het staatkundige heeft te volgen. Of dus het belijden van den Christus in den revolutionairen Staat, tot een eigen staatkundig beginsel leidt. Dit meenen we is de eisch der Schrift. Zegt men daarentegen: daarnaar hebben we niet te vragen, ieder handele slechts naar zijn geweten en late zich door den Geest van Christus beheerschen, dan beamen we die vingerwijzing, maar hebben voor ons hoofd niet genoeg. Bij elke kwestie toch die zich voordoet, komen beginselen in 't spel. Het geweten zegt mij van die beginselen niets dan haar algemeene strekking. Om dus te beslissen in welk verband die beginselen met het aanhangig vraagstuk staan, molt ik eerst die zedelijke beginselen in hun staatkundigen vorm omzetten. Kortom, ik moet op staatkundig gebied doen, wat ik op elk gebied des levens doe: de uitspraken van mijn geweten voor de bewustheid van mijn denken vertolken. Zoo eerst bakent zich een staatkundige gedragslijn af. Zonder dat kan ik een positief Christen zijn en nogtans, door gebrek aan doorzigt, op staatkundig gebied beginselen bevorderen, die lijn¬

recht tegen de eischen van het Christendom overstaan. De vraag blijft dus: heeft de Chrisoiijk-historische richting ook een politiek beginsel, al dan niet? , '

15 December 1869. K

Verbetering.

onderen: ™reSel 15

SC" IÏFzkn I)I Nc;sli hliK. GODS03ES^ST-OEFENIN&

Zondag, 19 December 1869. Voormiddag ten 10 ure Voorganger: Ds. THEOD. J. MEIJER, en s_ Avonds ten 6 ure:

Ds. f. h. waas

Pred. te Pillau, Oost-Pruissen. Hoogduitsck Maandag 20 December, 's avonds ten 7 ur9:

w Jaarfeest 15tSrVere^=

Woensdag, 22 December, 's avonds ten 6Vs ureVergadering met de leden van het Kiudercrê nootschap voor Israël. Ingang Halvemaan stefg.

Vrijdag, 24 December, 's avonds ten 8 ureVergadering met de mansleden van de Nederl Vereemging voor Israël (afd. Amsterdam).

ADVËRTENTIËN7

| Vijf-en-Twintigjarige Echtvereeniging van; |

| H. 0. J. VEEN

lü EN

| J. C. C. HOENDERFANGER. 1 | Edam, 6 Dec. 1869. (895) nj

Door 's Heeren goedheid voorspoedig bevallen van een welgeschapen ZOON GEZINA LEUr E.N , geliefde Echtgenoote van

Amsterdam, J. L. WINTER.

10 December 1869. (892)

Een fatsoenlijk BURGERMEISJE, oud 24 jaar, zoekt eene betrekking als

W inkeldochter,

HUISHOUDSTER of anderzins, liefst in een Christelijk gezin. Adres met franco brieven onder letter Fr. bij H. BOKMA, Boekhandelaar te Leeuwarden. (887)

Aan de Christelijke School te Sneek, (afdeeling Naaischool} wordt verlangd:

eene Jufvrouw,

van positief Christelijke beginselen, bekwaam in alles wat tot het geven van grondig onderrigt en werk behoort. Adres in persoon of met franco brieven bij Mej. H. VAN DER WEERDT, geb. van Veen, te Sneek. (866)

MET

bescheidenheid vraagt een oppassend HUISVADER ƒ 1000 ter leen, tegen goede borgstelling, behoorlijke intrest, en nader overeen te komen aflossing. Antwoord wordt beleefdelijk verzocht onder Lett. E. H. bij de Uitgevers van den Heraut. (888)

SERAPH1NE ORGELS.

Heerenstraat, SS 2l):l. Amsterdam.

In het Magazijn van

Gek, KNIP SCHEER

vindt men de grootste keuze ORGELS, 5 octaaf, van af ƒ 45, voor Zangvereenigingen als ook voor huiselijk gebruik aan te bevelen, wegens goedkoopheid en soliditeit.

Vijf jaren wordt er voor ingestaan.

In het blad van 26 November en 3 December stond abusivelijk twee bespeelde SERAPHINE ORGELS, 5 registers, ƒ 20, moest zijn ƒ130.

| De Kinder-Zendingvereeniging »De Jong'e ! | Zendbode" hoopt, zoo God wil, haar

I ZEVENDE JAARFEEST I

; te vieren, op Maandag 20 December a. s., !

ö des avonds ten zeven ure, in de Schotsche i ; Zendingskerk, waarbij alle belangstellenden l | vriendelijk worden uitgenoodigd.

! Het bestuur der Kinder-Zend.-Vereen. °

Namens hetzelve, ?

P. METTAU, President. jj

j (894) G. J. LUITINGH, Secretaris. i

Een Christelijk Huisvader, welke sinds eenige jaren als

ZETSCHIPPER

op een turfschip zijn brood verdiende, zoekt langs dezen weg, dergelijke betrekking terug, aangezien hij buiten zijn toedoen thans zonder betrekking is, waardoor hij met zijn gezin in drukkende omstandigheden verkeert. Mogt iemand hem als zoodanig kunnen gebruiken, deze wordt vriendelijk verzocht zich met franco brieven onder Letter L te adresseren bij den Boekhandelaar B. H. BLANKENBERG Jr., Keizersgracht hoek Spiegelstraat X 697. (898)

Bij H. HO VEKER, te Amsterdam., is verschenen en thans compleet:

De EERSTE JAARGANG van liet:

Geïllustreerd Zendingsblad.

ORGAAN VAN HET JA VA-COMITÉ, met geïllustreerden Omslag, groot 164 bladz., gr. 8<>., versierd met meer dan veertig schoone Houtsneêplaten.

Prijs ƒ 2.

Elke Jaargang vormt een op zich zelf staand geheel. Zeer geschikt voor Kerst- en Nieuwjaarsgeschenk. (891)

Sluiten