Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lj-,ar men woont. Voor huisvesting kan denkev gezorgd worden. Anders zorgt het Comité °ivr kamers in een logement k 5 Franc per dag.

len kan over Elzas-Lotharingen gaan, of met en (Rieselsch rondreisbiljet in Duitschland) v°or 3o dagen. Ia Elzas-Lotharingen zijn van i° Aug. overal plaatskaartjes naar Bazel verKriJgbaar voor enkelen prijs, die terugreis tot 2? Sept. insluiten. Men moet daarvoor zijn lt°,°°digingsbewijs toonen.

Ie Frankfort kan men in het »Universal eise-comtoir" een reiskaart voor 30 dagen Daar Zwitserland en Zuid-Duitschland nemen a 73—53—36 Mark.

iewlmj}.

WitwmMge 3mtring.

Turkije na den Oorlog-,

In den Missionary Herald vindt men de volgende belangrijke opmerkingen. Zij zijn van den heer C. C. Tracy, zendeling van den »American Board," die na eene driejarige afwezigheid, Daar Turkije is teruggekeerd en zijn vroeger station, Marsovan, in Klein-Azië, weder heeft bezet. Hij schrijft aldus:

»Gij zult wel gaarne van den indruk willen hooren, dien land en volk na een afwezigheid van drie jaar op mij gemaakt hebben. Wij zien veel, dat ons treft en de gedachten in ons vermenigvuldigt. Het komt ons voor, dat wij hier aan den aanvang eener nieuwe orde van zaken staan — iets wat degenen, die hier gedurende den oorlog gebleven zijn, zoo licht niet opmerken. Wij hadden nauwelijks in Constantinopel voet aan wal gezet of wij werden getroffen door het veranderd voorkomen van de Turken, in het bijzonder van de soldaten. Zij gedroegen zich bescheidener en rustiger op straat, waar zij vroeger met onbeschaamdheid zich plachten aan te stellen. Ik merkte op dat soldaten op de booten zelfs aan de koffie-verkoopers gehoorzaamden en gingen zitten op de plaatsen, die men hun aanwees. Ook in het binnenland is er een aanmerkelijk onderscheid. Dikwijls ontmoet ik, door de straten gaande, Turksche vrouwen met ongedekt gelaat; voor drie jaren sluierden zij het Onmiddellijk, zoodra er een man aankwam. Het is met vele Mohammedanen mogelijk over den godsdienst te spreken, wat vroeger niet het geval was. Duizenden Turksche soldaten komen terug uit Russische gevangenissen, — natuurlijk met een woedenden haat tegen den Moscoviet, zult gij zeggen. Het tegendeel is waar. Ik heb met verbazing bemerkt, dat de Russen zoowel hunne harten als hunne lichamen hebben gevangen genomen; zij doen opgewonden verhalen van de behandeling, die zij bij hen gevonden hebben. »Zij gaven ons goed voedsel," zeggen zij, »en vriendelijke verzorging, en kleederen en boeken." Het gebed van den soldaat is nu niet meer in het bijzondér voor den Sultan, maar dat »hij regeeren mag, die het best zal regeeren." Deze soldaten zijn nu verstrooid en strooien ook hunne gevoelens uit over het land, indien ten minste allen zoo doen als degenen, die ik hier ontmoet. Ik heb de meening hooren uiten, dat, indien het gewone Turk sche volk nog eens wordt opgeroepen om tegen de Russen te vechten, zij zullen weigeren te gaan, of als zij gaan, zich met genoegen door hen zullen laten gevangen nemen. Ik geloof ook veilig te mogen zeggen, dat het Turksche volk meer op heeft met de Russen dan met de Engelschen. — Zij bewonderen den vijand, die hen verpletterde, meer dan den vriend, die, zeggen zij, verzuimde voor hen zijn bloed te wagen.

De Turken voelen zich overwonnen. Gisteren verhaalde een onderwijzer te Marsovan aan een onzer een droom, die hij had gehad. Hij had gezien dat de klimmende Halve Maan van den Westerhemel omlaag viel. Hij was in angst over de beteekenis van dezen droom, en al wilde de zendeling hem liever de uitlegging er niet van geven, zijn eigen landgenooten zullen dat zeker doen. Met het verlies van macht en aanzien gaat cenige verandering in godsdienstige gevoelens gepaard, ofschoon dit niet dadelijk op in het oog vallende wijze openbaar wordt. Voor een paar dagen berispte een aanzienlijk Padsja, openlijk, en in het bijzijn van een 'onzer predikers, een gezelschap Mohammedaansche godsdienstleeraars, zeggende: »Uwe schijnheiligheid heeft u de achting der Regeering doen verliezen." Dezelfde Padsja vroeg om boeken, waarin het Nieuwe Testament uitgelegd werd.

Daar zijn ook uiterlijke veranderingen. Wagens rijden thans op onze wegen, die er voor drie . jaren onbekend waren — ingevoerd door vluchtelingen uit Rumelië. Dit geeft aanleiding tot het maken van straatwegen. Revolvers worden overal op de markten verkocht; zij zijn in handen van muilezeldrijvers, reizigers, Circassische roovers, bij wie wij vroeger niet dan vuursteengeweren zagen. Aardappelen worden thans op de markt te koop aangeboden. De toestand van het binnenland schijnt mij beter dan die der Hoofdstad; daar is meer voorspoed in deze streken, — of liever, de toestand van gedruktheid is in de Hoofdstad erger dan hier. Het volk verwacht eenige verandering ia de wijze van bestuur; daar is een hopen op iets beters in de harten. Voor eenigen tijd beschouwden wij te Tocat enkele oude bouwvallen. De Turksche jongens verzamelden zich rondom ons, en vroegen ons of deze bouwvallen weder vernieuwd zonden worden, sis dat mogelijk ?" vroegen wij. »Jawel, als gij het zegt," was het antwoord. Plet schijnt dat het denkbeeld van cene algeheele vernieuwing in de harten heeft post gevat."

Tot dusver Tracy. Mocht de blyde verwachting, die zijn schrijven bij ons opwekt, spoedig tot hare vervulling ingaan.

3nwenMgf 3mömg.

Rome blijft toch altijd dezelfde vijandin van het Evangelie Gods. Soms weet zij met het masker van verdraagzaamheid zich te tooien. Velen laten zich daardoor, helaas! verschalken en meenen dat men wel met Rome hand aan hand kan gaan. En al is het dat van geen gewelddadig onderdrukken van Romes macht sprake mag zijn, toch mag aan den anderen kant het oog niet gesloten voor het ware karakter dier Kerk. Wie Rome wil kennen, moet den blik wenden derwaarts, waar het nog steeds onbeperkt heerschappij voert. Onze broeders in Spanje weten er van te spreken. Eenige weken geleden ging een van hen met een vriend uit Vigo naar Morgadanes, een dorp in de nabijheid dier stad, om daar het Evangelie te prediken, Zij waren er heen gereden, doch hadden

op eenigen afstand van het dorp het rijtuig moeten verlaten en te voet hun tocht voortgezet. Op dezelfde manier moesten ze weer terugkeeren. Een drietal priesters had echter de bevolking uit de omgeving opgeroepen en aangemaand om dien terugtocht niet ongestoord te laten volbrengen. Een paar honderd menschen, mannen, vrouwen en kinderen, bestookten onze broeders. De weg liep langs den voet van een heuvel en den zoom van een bosch. Van uit de hoogte werden steenen geworpen en van achter de boomen ontzag een dier priesters zich niet, zelfs geweerschoten op hen te lossen. Ruim een half uur lang liep die bende hen achterna, de verschrikkelijkste bedreigingen daarbij uitschreeuwende. Door een wonder zijn zij er zonder groot ongemak afgekomen. De predikant werd een weinig gekwetst aan den arm door een steen. Een Christen uit dat dorp, waar de samenkomst gehouden was, die den weg was opgegaan om te vernemen wat er gebeurde, werd door een steen aan het hoofd gewond, zóó, dat hij, toen het bericht werd afgezonden, nog te bed lag.

De Wesleyaansche Methodistenkerk is dit jaar belangrijk achteruitgegaan in ledental. Juiste opgaven kunnen nog niet worden gedaan, maar het feit zelf kan niet meer worden in twijfel getrokken. Een der organen dezer kerk, dat feit besprekende, stelt zich natuurlijk tevens de vraag, wat de oorzaak van dien achteruitgang kan zijn. Ook bij de predikers moet die gedeeltelijk gezocht, ofschoon het niet ontkend kan worden, dat zelfs de arbeid der beste leeraren met onvruchtbaarheid schijnt geslagen te zijn. Verder worden nog tal van redenen opgenoemd: het insluipen van de wereld in de Kerk, het najagen van wereldsche vermaken, het verzuimen der godsdienstige bijeenkomsten, het verwaarloozen van de middelen der genade. Doch de voornaamste reden vindt het blad in het nalaten van het oefenen der kerkelijke tucht. Kerk en wereld, tusschen die beiden gaapt, ook uitwendig, volgens Gods Woord eene klove. Die klove is niet meer merkbaar. In vele gemeenten zijn de opzieners onwillig om de tucht te oefenen. Maatschappelijke invloeden, vaak ook geldelijke overwegingen, zijn daarvan oorzaak, ja, op vele plaatsen schijnt men niet verre te zijn van de zonde van Simonie. Met kracht roept dat blad zijnen lezers het woord van Wesley toe: «Indien rijke lieden u onmisbaar gaan worden, vaarwel dan uw tucht, maar vaarwel ook het Methodisme."

Waarlijk, 't is alom dezelfde kwaal en voor wie zien wil, dezelfde oorzaken. De gemeente des Heeren wordt ontheiligd door allerlei zonden, die in het openbaar, in haar midden, met haar weten bedreven worden. En de hand hangt slap, die op dat alles orde moest stellen. De Kerk is bijna alom eene moeder geworden, aan die moeders gelijk, die hun kinderen laten opgroeien in het wilde. Ach! van kerkelijke tucht maken velen zich zulk eene hatelijke voorstelling. Doch wat is zij, wel bezien en toegepast als 't behoort, anders dan het heilig houden, voor zoover menschen dat kunnen, van de gemeente, en het den zondaar doen gevoelen dat hij is afgeweken van het rechte spoor, hetzij in de leer, hetzij in het leven ? Voorwaar, uit dit methodistisch orgaan valt nog wel wat te leeren!

Uit het Engelsche leger, dat tegen de Zoeloes strijdt, komen ook nog andere berichten dan van marschen en ontmoetingen met den vijand enz. enz. In dat leger zijn Christenen, die ook d£&r hun licht laten schijnen. In het kamp hebben zij een hoekske weten te vinden, waar zij wekelijks samenkomen, om het Woord Gods te lezen en samen te spreken. Die arbeid is niet ongezegend. Eén der muziekkorpsen bestudeert de liederen van Sankey, zoodat die des Zondags bij de godsdienstoefening worden gezongen. De geheele omgeving zet klem bij aan het geklank des Woords. In tegenstelling met de berichten, die in den aanvang kwamen, wordt ons nu gemeld, dat het geheele leger wel ééne groote Vereeniging schijnt van geheel-onthouders. Door de moeielijkheden van het vervoer wordt alleen het hoogst noodige aangebracht. De middelen tot bedwelming ontbreken dus geheel. De ernst der omstandigheden, de telkens nieuwe tegenspoeden, de ziekten, waardoor velen worden weggeraapt, doet zich dus ten volle gevoelen. Bij elke nieuwe samenkomst bijna zijn daar plaatsen ledig geworden, daar de dood de mannen had weggeraapt, die eene vorige maal er nog hadden gezeten. Wiens beurt zal het eene volgende maal zijn? Onder den indruk van die vraag wordt de prediking telkens gehouden en gehoord.

Eene goede advertentie behelsde dezer dagen een Engelach tijdschrift. Enkele Christenen heb^ ben den arbeid om het verlorene te zoeken, uitgestrekt tot de vrouwen die verbonden zijn aan de schouwburgen. Vrucht daarvan is, dat verscheidene van haar nu met dat leven willen breken. Dat is geheel uit haar eigen harte voortgekomen. Niemand heeft daartoe ooit ze opgewekt, 'tls nu maar de vraag om een weg te vinden, waarin zij op eene fatsoenlijke manier haar brood kunnen verdienen.

Passender gedenkteeken ware niet licht te bedenken! Te Berlijn zal men in een gedeelte der stad, waar de geestelijke ellende zeer groot is, een kerkgebouw oprichten ter herinnering aan de herhaalde bewaring van den Keizer van Duitschland bij de aanslagen op zijn leven.

Sinds 17 jaren bestaat te Londen eene Vereeniging van Evangelisatie onder de Fransche bewoners dier wereldstad, bestuurd door Ds. Du Pontet de la Harpe. Het rapport, op de laatste jaarvergadering uitgebracht, luidde gunstig. Niet alleen was er een batig saldo, maar, wat beter is, ook geestelijk was er winste. Natuurlijk is de Kerk het middelpunt dezer zaak. Doch als zoovele takken zijn daarmeê verbonden eene Zondagsschool; dagscholen; een Tehuis voor Fransche dienstmeisjes en gouvernantes, dat, ofschoon nog maar pas geopend, nu reeds goede vruchten afwerpt; de arbeid van de zuster-diacones, die tevens de gezinnen bezoekt, om daar een gedeelte der H. Schrift te lezen en te bespreken. Ds. Du Pontet was in de gelegenheid om, door menig in het rapport ingevlochten verhaal, zijnen hoorders te toonen, dat ook op dit werk 's Heeren zegen niet vergeefs was afgesmeekt. Zij 't ook verder alzoo I

In een schrijven aan Dr. Bronsveld in het Wag. Weekblad maakt Fidelio ettelijke gepaste opmerkingen over het jongste zendingsfeest te Wolfhezen en die feesten in 't algemeen. Hij wenscht wat meer verscheidenheid in de liederen van 't programma, of liever [nog een bepaalden bundel voor zulke feesten, om ook zoo goede liederen onder 't volk te brengen.

Jammer acht F. het, dat de verschillende kleederdrachten zoozeer verdwijnen. Hij ziet er een

bewijs in, dat het volk zijn nationaliteit verloochent. Ook hem trof als ons de goede wil van 't publiek, ondanks den regen. Wij voegen er bij dat het goed zou zijn, op een of andere wijs, al was 't ook nog zoo eenvoudig, te zoi0i_n dat men bij zware regenbuien ten minste droog staan kan. Als men elk, die dat wilde, b. v. een Stuiver liet betalen voor een plaats, zou de opbrengst zeer zeker de kosten dekken en werd voorkomen, dat velen wegblijven, anderen hun kleêren bederven en enkelen de gevolgen met verkoudheid enz. bezuren.

De Rotterdamsche Sprokkelaar bevat in haar jongste nommer de volgende lezenswaardige beschouwing over

®e Zondags-viering'.

Het is een heerlijke dag, die Zondag! Hoe goed is het van den Heer, dat Hij ons dien dag der ruste geschonken heeft. Dan kan het lichaam, ontdaan van den dwang des dageüjkschen arbeids, weêr kracht opzamelen voor de volgende week. Maar boven alles is het bij uitnemendheid de ure, dat wij ons kunnen bezighouden met de dingen der eeuwigheid. Wel behooren wij daaraan altijd te denken, maar de bedrijvigheid van het dagelijksche leven vordert zooveel van onze inspanning, dat onze geest er helaas! bijna geheel in opgaat. De invloed der stof op ons stoffelijk bestaan is zoo groot, dat die menigmaal de werking van onzen geest belemmert. Vooral onze tegenwoordige tijd eischt veel krachtsinspanning, verlangt veel arbeid, schenkt weinig rust. De invloed van stoommachine en telegraaf doet zich op een krachtige wijze gelden. Er is in alles eene gejaagdheid, die geen rust gunt, die onverpoosd tot den arbeid aandrijft. Geen wonder dan ook dat het moegesloofde en afgematte lichaam haakt naar den rustdag, om eenige verademing te genieten. En die rust is noodig. Als de boog altijd gespannen blijft, verliest de pees eindelijk hare kracht. Als elastiek langdurig uitgerekt blijft, raakt het zijne eigenschap van rekbaarheid kwijt. Evenzoo ons lichaam. Aanhoudende arbeid en inspanning dooven onze geestkracht uit, verlammen onze zenuwen, ja, brengen eindelijk ons leven terug tot niet veel beters dan een dierlijk aanzijn. De wetten der natuur worden niet straffeloos overtreden, en eene dier wetten is, dat op den arbeid de rust volgen moet. Dit zien wij uit de geheele bewerktuigde schepping, en zou dan de mensch als het fijnst bewerkte organische wezen dier schepping, niet in de allereerste plaats aan die wet onderworpen zijn ? Dit behoeft trouwens geen verder betoog, want niemand zou dwaas genoeg zijn de waarheid dezer bewering te bestrijden. Of echter allen deze waarheid openlijk huldigen? Helaas! onze ervaring leert anders, wanneer wij ons oog richten op brievenbestellers, op conducteurs en verdere beambten aan spoorwegen, stoombooten of omnibussen verbonden, en zooveel anderen meer, die juist op Zondag de zwaarste dienst hebben; koffiehuis» bedienden vooral in dit heirleger niet te vergeten. Het is waar, 't is eigen verkiezing een dergelijke betrekking te aanvaarden, maar dat is vaak eene eigen verkiezing, die zoo wat gelijk staat met een arme, die een zeer zwakke maag heeft, en bijna omkomt van honger en die een roggebrood machtig wordt, dat hij eigenlijk niet verdragen kan, maar nu slechts te kiezen heeft tusschen sterven van den honger, of het nuttigen van 't harde brood. Hij kan dan wel verkiezen het brood niet te gebruiken, maar moet dan ook verder honger lijden. En hoe treurig het ook is, in onze dagen is het meer dan ooit 't geval, dat wie niet met den stroom des tijds medegaan wil, daardoor wordt med^gesleept.

Er bestaat nu eene Vereeniging, wier streven

het is den ^ondagsarbeia al te schatten. Maar welke stem deed zich tot lieden nog hooren in 'sLands Vergaderzaal, om rust te verlangen op den Zondag voor duizenden van 'slands beambten, die nu ten gerieve van 't publiek op Zondag arbeiden als op iederen anderen dag der week? Is men dan vergeten, dat onder 'slands wetten ook nog eene Zondag met bestaat (die wij aan het slot van dit artikel laten volgen), eene wet, die tegenwoordig door de Overheid maar eenvoudig wordt doodgezwegen? Waarom wordt deze wet niet gehandhaafd? Zoolang deze niet is afgeschaft, is men verplicht voor de naleving en wel de stipte naleving er van te waken.

Wie 's Maandags zijn werk weêr met frisschen moed en lust wenscht san te vangen, moet ook een dag hebben waarop hij rust genieten kan; dat wil zeggen, verandering van omgeving, verandering van bezigheid, die hem tot ^«/spanning is, want door rusten verstaan wij in dezen volstrekt niet, een dag in ledigheid doorbrengen.

En wat is tot het rechte gebruik van den Zondag beter geschikt, dan deszelfs heiliging als Sabbath? o, Als des Zondags het statig klokgebrom ons in de ooren klinkt, is dat dan niet als de liefelijke stem des Heeren, die ons uitnoodigt tot het binnentreden in zijn huis? Lossen al die kerkklokstonen zich niet op in die ééne vriendelijke vermaning: Gedenkt den Sabbathdag, dat gij dien heiligt! Waar kunnen wij ons rustiger en beter gevoelen,. dan in 't huis des Heeren, onder zijne gemeente? Daar is troost voor den bedroefde, opbeuring voor den bekommerde, hoop voor den verslagene van hart, in één woord, Gods huis biedt rust aan allen. Maar, helaas! hoevele duizenden in de groote stad onzer inwoning zijn vreemd aan die ervaring. Hoe weinigen vieren den rustdag als Sabbath! Wij behoeven ons hierover niet te verwonderen. Als men God uit het oog verliest, neemt men ook zijne geboden niet meer waar. Maar wat moet van zulk een toestand worden ? Is het wel te verwonderen dat het zedelijk peil van ons volk tegenwoordig zoo laag staat, als men de inzettingen des Heeren met voeten treedt en den door Hem geheiligden dag doorbrengt in brooddronkenheid en uitspattingen? God heeft een zegren verbonden aan het houden ziiner gebo¬

den, maar onthoudt ook omgekeerd zijn gunst aan hen, die zijn wetten miskennen en schenden. Y.

In aansluiting aan het bovenstaande volgt hier de tekst der

Zondagswet.

Art, 1. Dat op Zondagen en op zoodanige Godsdienstige Feestdagen, als door de Kerkgenootschappen van den Christelijken godsdienst dezer landen algemeen erkend en gevierd worchn, niet alleen geene beroepsbezigheden zullen mogen verricht worden, welke den godsdienst zouden kunnen storen, maar dat in het algemeen geen openbare arbeid zal mogen plaats hebben, dan ingeval van noodzakelijkheid, als wanneer de plaatselijke Regeering daartoe schriftelijke toestemming zal geven.

Art. 2. Dat op deze dagen met uitzondering van geringe eetwaren, geen koopwaren hoegenaamd op markten, straten of openbare plaatsen zullen mogen worden uitgestald of verkocht, en dat kooplieden of winkeliers hunne waren

niet zullen mogen uitstallen, noch met open deuren verkoopen.

Art. 3. Dat gedurende den tijd, voor de openbare Godsdienstoefening bestemd, de deuren der herbergen of andere plaatsen, alwaar drank verkocht wordt, voor zooverre dezelve binnen den besloten kring der gebouwen liggende zijn, zullen gesloten zijn, en dat ook gedurende dienzelfden tijd geenerhande spelen, hetzij kolven, balslaan of dergelijke mogen plaats hebben.

Art. 4. Dat geene openbare vermakelijkheden, zooals schouwburgen, publieke danspartijen, concerten en harddraverijen op de Zondagen en algemeene feestdagen zullen gedoogd worden, zullende het aan de Plaatselijke Besturen worden vrijgelaten, hieromtrent eene uitzondering toe te staan, mits niet dan na het volkomen eindigen van alle Godsdienstoefeningen.

Art. 5. Dat de plaatselijke politie zorg zal dragen, teneinde alle hinderlijke* bewegingen en gerucht in de nabijheid der gebouwen, tot den openbaren eeredienst bestemd, en in het algemeen alles wet dezelve zoude kunnen hinderlijk zijn, voor te komen of te doen ophouden.

Art. 6. Dat de overtredingen tegen de bepalingen van dit besluit, naar gelang van personen en omstandigheden, zullen gestraft worden met eene boete van niet hooger dan vijf en twintig Gulden, of met eene gevangenis van niet langer dan drie dagen voor de overtreders, die buiten staat mochten zijn deze boete te betalen.

Art. 7. Dat bij eene tweede overtreding de boete of straf zal verdubbeld worden, en wijders alle de te koop gelegde of uitgestalde goederen verbeurd verklaard, en de herbergen of andere publieke plaatsen voor eene maand gesloten.

Verbetering-en. In No. 82 is gesproken van den arbeid van mej. De Broei te Parijs, dit moet zijn: mej. De Broeu. In No. 83 staat, na de aanhaling van een gezegde van Ds. Spurgeon, in regel 20, zedelijkheid, lees: redelijkheid; in regel 32, verte, lees: veste.

^WkacmhtfnMging.

»Beroep van Père Hyacinthe op de Oude Kerk van Utrecht, en zijne voordrachten over Katholieke Hervorming. Opgedragen aan de Nederl. Oud-Katholieken, door Didaskalus. Utrecht. C. van Bentum. 1879."

Onder bovenstaanden titel is een werkje uitgegeven, dat wij met genoegen aankondigen, gelijk wij het met genoegen lazen. Het is geïnspireerd door de zucht om de idee van ééne Katholieke Kerk te verwezenlijken, zonder dat men Romes dwaalleeringen huldigt. Didaskalus wil dat de Oud-Katholieken van Nederland opstaan uit den doodslaap, waarin zij zijn verzonken, om een werkzaam aandeel te gaan nemen aan den strijd, om zonder de eenheid der Kerk te verbreken, het juk van den Syllabus van zich af te schudden. Hij verwijt het den aartsbisschop van Utrecht, dat hij père Hyacinthe zijn zedelijken steun onthouden heeft, daar hij meent dat deze alleen in staat is om de zoo hoog noodige Katholieke hervorming tot stand te brengen.

De schrijver toont door interessante uittreksels uit de voordrachten van Hyacinthe aan, dat de groote redenaar dien steun waard was.

Evenwel heeft ons het lezen van Didaskalus' betoog in de overtuiging versterkt, dat de OudKatholieke beweging slechts eene voorbijgaande zal zijn. Ie veel wordt ons op hervorming der kerkorde, te weinig op eene inwendige vernieuwing aangedrongen. Men is meer tegen de aanmatigingen van den Paus gekant dan tegen de Pelagiaansche leeringen en praktijken van Rome. 't Komt ons voor, dat noch Didaskalus noch Hyacinthe die diepe opvatting van de geopenbaarde waarheid hebben, die wij bij Pascal zoo heerlijk vinden. Vatte men den draad weder op, die in Port-Royal gesponnen is, dan dunkt ons dat de herleving van de Gallicaansche Kerk in Frankrijk weder mogelijk zou worden.

In één woord: het ontbreekt den leiders der Oud-Katholieke beweging aan diepte.

Dit neemt niet|weg, dat wij den strijd, dien Hyacinthe en de Oud-Katholieken voeren, belangrijk genoeg noemen om hem gade te slaan, en raden het daarom ieder aan, kennis te nemen van de met warmte geschreven opwekking aan de Oud-Katholieken in Nederland, om Hyacinthe te steunen in zijne hervormingsplannen.

30tt&aö$$cl)0üi.

Het eeuwfeest.

In het volgende jaar, 1880, zal het honderd jaar geleden zijn, dat de eerste Zondagsschool in Engeland geopend werd. Het voornemen bestaat om die gebeurtenis feestelijk te herdenken. Men leest dienaangaande in den Christelijken familiekring het volgende.

»De Engelsche Zondagsschool-vereenigïng heeft besloten in het jaar 1880 het honderdjarig bestaan der Zondagsschool plechtig en indrukmakend te Londen te vieren. Zij heeft het voornemen opgevat, het tot een zich over de geheele wereld uitstrekkend gedachtenisfeest te maken. Daartoe heeft het daarmede belaste comité de medewerking verzocht van sympathiseerende instellingen" Ons platform (zegt het) is ruim en omvat alle evangelische Christenen en wij wenschen allen, die medewerken om het opkomend geslacht te leiden tot Christus als den Zoon Gods, den Zaligmaker der wereld, met ons in deze onderneming te trekken. Allen, die aan de Zondagsschool verbonden zijn,noodigen wij tot medewerking uit. Zondagsschoolonderwijzers in alle landen niet alleen, maar de geheele Christelijke Kerk, om ons in dit werk te ondersteunen. Met Gods hulp zullen ten opzichte der Zondagsschool in i88ogrooter zegeningen te weeg gebracht worden, dan ooit te voren gekend zijn. De Zondagsscholen van vóór vijftig jaren waren heel wat anders dan wat ze nu zijn; en uit de lessen van het verledene moeten wij opmaken, wat in de toekomst gedaan kan worden. De g'ebreken der Zondagsscholen moeten onder de oogen gezien worden; wij moeten naar de volmaaktheid streven.

(Slot volgt.)

1 ■ ■ ■ o

Uit de Schrift.

Hoogmoed vernederd,

Dan. 4.

De samensteller van het boek Daniël heeft, onder de leiding der goddelijke voorzienigheid, dit gedenkstuk van Nebukadnezars vernedering gevonden, en daar het de strekking heeft om de theocratie, de opperheerschappij van Jehov'

te verheerlijken, past het volkomen in het geheel der Godsopenbaring van het oude Verbond, en in het bijzonder bij Daniels geschiedenis en profetische werkzaamheid.

Hoogmoed en onbevredigde natuurdrift zijn, zegt men, twee voorname oorzaken van krankzinnigheid en vaak ongeneeslijken waanzin. Bij Nebukadnezar was het grenzelooze Hoogmoed. Dit wordt hem met het droomgezicht voorgesteld. Meer dan wij hechtten de menschen in den ouden tijd aan droomen, en God zelf heeft zich van den droom bediend, om zijn wil en heilsgedachten aan patriarchen en profeten bekend te maken. Daarom moet het ons ook niet verwonderen, dat de Heere aan sommigen zijner knechten (Jozef en Daniël vooral) de gave schonk om droomen uit te leggen. Nauwelijks toch had Daniël den droom vernomen, of hij ontstelde zeer, daar hij op 'tzelfde oogenblik de beteekenis van den droom geheel doorzag. En hij verborg niets voor den koning, maar openbaarde de volle beteekenis des drooms. Het was de laatste stem, die de trotsche koning ditmaal tot zijne verootmoediging en bekeering hooren zou.

En de koning werd, in zijne trotschheid volhardende, diep vernederd. Aan de beesten gelijk, leefde hij met de dieren op het veld, zich inbeeldende dat hij ook zelf een dier was. Geruimen tijd was hij zijne zelfbewustheid geheel kwijt, en hield hij voor zichzelven op, mensch te zijn.

Toen hij daarna weder genezen en tot bewustheid gekomen was, erkende hij de hoogheid eD macht Gods boven alle Vleesch. God heeft door dit feit, dat voorwaar niet in een hoek geschied is, zijn Naam groot gemaakt en een krachtig getuigenis zijner Majesteit in de oude wereld gegeven. In de latere jaren zijn, door opgravingen, vele dingen aan het licht gekomen, die de waarheid der Bijbelsche verhalen op treffende wijze bevestigen. Nebukadnezar en het machtige Babel, waarop zijn hart zich verhief, ze zijn voor alle volken sterk sprekende bewijzen, dat God machtig is, te vernederen die m hoogmoed wandelen, en dat mitsdien de Koning des hemels verheerlijkt moet worden, omdat al zijne werken waarheid en zijne paden gerichten zijn.

PUNTEN.

Niet onze droomen, maar het beschreven Woord Gods de regel van ons leven. De gaven, die God ons schonk, moeten we in en ook aan de wereld besteden, opdat de wereld bekenne dat de Heere God is. Er zijn velen, die in het klein doen wat Nebukadnezar in het groot deed, n. 1. een Babel bouwen, waarop zij üich verhoovaardigen. Hoe dwaas is toch de mensch die zegt: dit heb ik gebouwd! want God heeft het gedaan door hem. De hoogmoed een voorname oorzaak van den waanzin; leert dus van Jezus, nederig te zijn van hart. God geeft den nederigen genade, maar de hoogmoedigen wederstaat Hij. q

€mi( liiiukrat.

De twee bezoeken.

Een verhaal.

IV.

»Maar gij woont hier toch zoo heerlijk," zeide Charlotte. ïOnze pastorie is wel lief, maar een hutje, vergeleken bij het prachtige huis van uw papa. Welke kostelijke stoelen en schilderijen hebt gij! En bij ons is alles zoo eenvoudig."

jOch, lieve Charlotte," zeide Madeleine, »geloof mij, ik zie al dat moois niet eens. Het verveelt mij, en zeer dikwijls, als ik den blik laat gaan over de rivier, en uwe in 't groen verscholen pastorie zie, dan ontsnapt mij een zucht en komt de wensch in mij op: ach, mocht ik zoo gelukkig zijn als Charlotte!"

»Dat begrijp ik niet," zei Charlotte. >'Waarom ben dan zoo gelukkig of liever gelukkiger dan gij?" ö

Madeleine's oogen schoten vol tranen; hare lippen begonnen te trillen en zij moest zich omkeeren, om hare aandoeningen een oogenblik te bedwingen. Eindelijk zeide zij:

»Gij hebt een lieve moeder, die den ganschen dag bij ü zit, met u spreekt, aan wie gij uw gansche hart kunt uitstorten, die deelt in uwe vreugde en in uw lijden — en ik ? Mijn lieve mama is van mij heengegaan."

»Maar gij hebt toch nog uw pa!" riep Charlotte op geruststellenden toon uit.

>Ja, ik heb nog een pa, maar"..,, en wederom begon zij te schreien, — > maar pa is de heele week in de stad. Ik zie hem nooit dan Zondags aan tafel. Sedert ma's dood spreekt pa haast nooit een woord met mij. O wat moet gij gelukkig zijn! Gij zijt duizendmaal rijker en gelukkiger dan ik, want gij hebt uw lieven vader altijd bij u. Hij leest u voor uit den Bijbel, vertelt u schoone geschiedenissen en geeft u alles wat gij behoeft. Het is waar, tante is heel lief en vriendelijk, maar ach, tante kan mij immers dat niet geven, wat gij van uw vader en moeder geniet."

» Madeleine," zei Willem, die weinig van dit gesprek begrepen had, maar wiens oog op de vele schoone bloemen rustte, waarmede de perken bedekt waren, »Madeleine, mag ik een paar roosjes plukken, die ik dan aan mijn kleine zusje kan laten ruiken."

»0 zeker," zei Madeleine. ï Tante zal er wel niets tegen hebben. Ik zou u wel bloemen van mijn eigen tuintje willen geven, maar denk eens, eergisteren zwom er een koe over de sloot tusschen onze plaats en de wei, en heeft mijn heele tuintje zoo door elkander getrapt, dat er bijna niets heels is in over gebleven. Is dat niet ongelukkig? Wat zijt gij toch rijk!" Met deze woorden wendde zij het gelaat tot Charlotte, en voegde er haastig bij: -,Gij hebt zulk een mooi tuintje, waarin gij met uw broertje kunt spelen, en ik ben altijd — altijd alleen."

»Houdt gij ook van lekkers?" vroeg Willem. »Gij hebt stellig een boel. Wij krijgen te huis nooit wat!"

»Zeg dat niet Willem," zei Charlotte hem berispende, »wanneer grootma komt, brengt zij altijd wat mee."

»Ja, maar toch niet zooveel."

»Dat hoeft ook niet," zei Charlotte.

»Ik houd niet eens van lekkers," zei Madeleine, sen 's middags heb ik haast nooit trek. Ik moet mij geweld aan doen om te eten. Gij zult er vreemd van opzien," vervolgde zij Charlotte toelachende, >als ik u zeg, dat toen ik laatst bij u was, het zoo heerlijk bij u rook, dat ik wel gewenscht zou hebben bij u te mogen eten."

>0 ja, dat herinner ik mij," zeide Charlotte, >dien dag aten wij snijboonen en aardappelen door malkaar."

»Heerlijk!" riep Madeleine uit. «Daaraan zou ik juist gesmuld hebben, veel meer dan aan al die liflafjes, die mij opgedrongen worden.''

Charlotte wist niet wat zij zeggen moest. Zij had gedacht dat Madeleine zoo gelukkig was en

Sluiten