Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en datzelfde erkennen van Jezus' Koninklijke hoogheid uitspreekt.

Maar natuurlijk daarbij blijft het niet.

's Christens Sabbath is niet, dat een ander hem van Jezus spreekt en dat hij tot dien ander een woord van hulde voor dien Middelaar doet uitgaan.

Sabbath is het dan eerst voor hem, als die Zone Gods zichzelf aan hem openbaart, met zieldoordringenden klank van zichzelf gaat getuigen; wanneer het Jezus zelf is die spreken gaat en het zielsoor zijn stemme beluistert.

Vandaar dat het kapittel ons nu onmiddellijk naar boven wijst naar Hem die met de wolken komen zal. Geen doode, maar een levende Christus. Een Christus die spreekt van den troon zijner heerlijkheid, roepende: sik ben de Alfa en de Omega, het begin en het einde, zegt de Heere, die is en die was en die komen zal, de Almachtige!"

Maar wie hoort nu die stem?

Een ieder!

o, Neen, maar alleen Johannes. En waarom Johannes ?

Zie, daarop in'.Jt het antwoord: omdat de overige bewoners of bezoekers van Pathmos in hun eigen geest of in den geest der wereld

doende waren, maar hij daarentegen »in den Geest was", d. i. in den Heiligen Geest, in den Geest

van <jroa.

Wat dit zeggen wil is duidelijk.

Ge zijt buiten u zelf, buiten uw eigen geest, zoodra een gedachte, een denkbeeld, een voorstelling, een gebeurtenis uit den kring van den geest der wereld u dermate inneemt, vervult en bezet houdt, dat ge niet meer zelf den toon aangeeft in de kamers van uw ziel en van uw denken, maar stuur en gang en toon u laat geven door dien geest der wereld, zoo maar

niet aoor aen Doozen geest zeir.

En juist evenzoo nu is ier&and sin den Geest" d. w. z. in den Geest van God, wanneer die

JtieiUge ijreest hem derwijs inneemt, vervult en bezet houdt, dat hij zelf niet meer den toon aangeeft ia de verborgen diepten van zijn wezen, maar èn zijn denken èa zijn verbeelding èn zijn voorstellingsvermogen ter bewerking en ten gebruike afstaat en overlaat aan dien Geest van God.

Dan overkomt hem in anderen zin wat hem slapende soms weêrvaart in zijn droomen.

Bij het droomen trekt ons bewustzijn, ons denken, ons voorstellen zich terug uit de wereld om ons heen, en opent zich aan den achterkant voor een heel andere wereld, waarin s onze geest in ons" stuur en richting ontvangt van een geheimzinnige macht, die op verborgen manier

ons in onze aroomen Deneerscnt.

En zoo nu ook is dit sin den Geest zijn," een zich als terugtrekken uit de gewone weeken dagwereld, om stil en rustig het oog onzes gemoeds te ontsluiten in de heilige, wereld van den Sabbath, waar alles anders is en aan andere wetten gehoorzaamt en heel anders ons toespreekt, en alsnu in die andere, betere wereld, om in die wereld van heiligen vreê zich te laten bewerken en gezeggen en als te laten bespelen door den Heiligen Geest.

Zoo nu was Johannes sin den Geest" op den dag des Heeren.

Hij natuurlijk naar zijn stand en den aard zijner roeping.

Hij als apostel.

Hij, om bewerkt te worden ter openbaring

van dingen, die geopenoaard moesten worden aan de gausche gemeente en tot haar moesten komen door het Woord.

En daarom hij, de apostel, in geheel eenige klaarheid; door onmiddellijke toespraak; door opzettelijke verschijning.

Heel anders dan het seen gewoon kind der opstanding" vergaat, ook al is hij een medegenoot in de lijdzaamheid, in het koninkrijk en in de verdrukking.

Maar hoe sterk we ook zeiven op dit onderscheid, tusschen Johannes en ons, allen nadruk leggen, toch is de hoofdgedachte voor hem en ons één: in den Geest moeten ook wij op den dag des Heeren zijn!

Overspanning baat niet en het feit moet dus erkend, dat een kind van God op aarde onmogelijk aldoor sin den Geest" kan zijn.

Dat maakt het leven zelf hun onmogelijk,

Met inspanning van alle kracht in zijn goddelijk béroep, maar dan toch in zijn beroep voor deze wereld, ijvereD, en tegelijk in den Geest zijn, zijn twee dingen die elkaar uitsluiten.

Het hoogste waartoe we het ordinaïrlijk brengen kunnen is, dat te midden van onzen arbeid en bij onze beslommeringen de Geest van God ons ondersteunt en bewaart en ons staande houdt en waarschuwt en prikkelt en bezielt,

.• .1 1 .■ . _ . 1_ * 1 r '

en aizoo Dewaan van net veraeri.

Maar om tot meer en hooger te komen, niet eens in een oogenblik van gebed, maar als aanvankelijken toestand, voor een' dag lang, zoodat alles om ons heen daartoe meêwerlft, daarvoor is een Sabbath noodig, een dag des Heeren, d. i. een dag waarop de Heere zeer

bijzonderlijk wil werken en wij stil zullen zijn.

En daarom zijn deze twee gelijkelijk waar: De Sabbath schikt er zich toe, om ons in den Geest te brengen, — en alleen het in den Geest zijn maakt den Sabbath voor den Christen tot waarheid.

En dan ja, als die beide ssamvallen en elkaar aanvullen, dat de Sabbath ons met zijn stillen vreê omringt en wij in den Gtest mogen zijn, dan hooren we achter ons die stemme als van een bazuin, zoo helder en zoo doordringend, en smaakt onze ziel die heilige gemeenschap, dat Hij weêr zijn rechterhand op ons legt en ons zoo teederlijk toespreekt: s Vreest niet, want ziet, ik ben ook zelf dood geweest, maar ik leef, ja, leef nu in alle eeuwigheid, en de sleutels der helle en des doods houdt niemand dan ik!"

o, Dan is het Sabbath om en in ons!

Dat is »reeds in dit leven den eeuwigen Sabbath aanvangen."

Die Sabbath, steeds vermenigvuldigd, zij voor al Gods kinderen de bede onzer ziel!

K.

Amsterdam, 25 Juli 1879.

Ten zeerste vestigen wede aandacht op het vernieuwd pleidooi door Professor Doedes tegen de »vrije studie" geleverd in het Jï/Zmumraer van de Stemmen.

Om zijn ongelooflijke zwakheid drukken we het liefst in zijn geheel over.

Afdrukkken is hier weêrleggen.

Indien toch een zoo schrander en scherpzinnig man als Professor Doedes, ten behoeve van een denkbeeld, waaraan hij zijn persoonlijke eer en de eer van zijn naam als paedagoog verpand heeft, niets beters, noch dat beter steek houdt, weet te voorschijn te brengen dan zulk een opstel, dan zal het deskundig publiek wel met ons oordeelen, dat er geen beter middel is, om de onaantastbaarheid van onze stelling daghelder te

doen uitkomen, dan het eenvoudig voorleggen van zulk een mislukt verweerschrift.

Het opstel luidt aldus:

sHet is niet onverschillig, hoe men vraagt, hoe men eene vraag formuleert. Men kan door zóó of anders te vragen het punt, waar het op aankomt, naar den achtergrond dringen; men kan het er ook op den voorgrond door brengen en in het volle licht door plaatsen. Ik ben niet tegen dit laatste en vraag daarom, met het oog op een welbekend verschil: Zijt gij vóór of tegen verplicht godgeleerd hooger onderwijs, en waarom ?

Sedert eenigen tijd zijn wij het in Nederland,

bepaald in de JNederlandsche Hervormde iverk, niet eens over de noodzakelijkheid van godgeleerd hooger onderwijs voor onze aanstaande Evangelie dien aren,

sVrije studie," geen opleidingsdwang; zoo luidt het aan de ééne zijde; dat wil daar dan

zeggen: geen wettelijke bepalingen met DetreKking tot het wd£r ? en hoelang ? der voorbereiding. Ieder zorge slechts, dat hij gereed is voor zijn proponents-examen, en meer heeft de

Kerk niet te eischen.

Vrije studiemaar tevens verplicht godgeleerd hooger onderwijs; zoo luidt het aan de andere zijde; en, voegt men er bij, bepaald in het belang der Nederlandsche Hervormde kerk, die er prijs op moet stellen, en onder al het geharrewar van partijen en partijen opzweepende bladen en woordvoerders prijs op moet blijven stellen, dat hare aanstaande herders en leeraars, gedurende een bepaalden tijd, door godgeleerd hooger onderwijs worden gevormd en voorbe¬

reid voor het proponentsexamen, zoodat dan

ook het kerkelijk reglement de daarop betrekking hebbende bepalingen moet bevatten. Zooals bekend is, heeft Dr. Rutgers het

eerste met warmte voorgestaan en verdedigd, en ben ik zoo vrij geweest van liet laatste aau

te bevelen.

Nog altijd heb ik dezelfde bezwaren tegen de door Dr. Rutgers aangevoerde argumenten, als een jaar geleden. Ik behoef geen woord terug te nemen van al hetgeen ik gezegd heb, om de eenvoudige reden, dat er niets ter zake doende tegen ingebracht is. Het hoofdbezwaar, van zekere zijde tegen mij ingebracht, is, goed hollandsch uitgedrukt, dat, als ik niets anders

te zeggen had, ik mij dan maar liever stil had moeten houden: want dat ik nu maar verwar¬

ring heb aangericht in 'de gelederen en aan de Kerk een slechten dienst heb bewezen. Wat nu dit laatste punt betreft, is bij mij bóven allen

twijrel verheven, dat aan de Kerk altijd en in alle gevallen een zeer slechte dienst bewezen wordt, wanneer van hetgeen voor haar gedaan of niet gedaan moet worden eene partijzaak wordt gemaakt. Dat heb ik van de quaestie vrije studie niet gemaakt, maar dat heeft men er wel van gemaakt. Ergo. — Dat heb ik er niet van gemaakt, daar het mij om het belang der studie te doen was. Ik wil er geen partijzaak van maken, en blijf afkeuren, dat in dezen geheelen strijd het siudiebelang niet No. 1 is.

Zal ik dan nu twintig jaren in het hooger godgeleerd onderwijs werkzaam zijn geweest en voor mij zeiven zoo heel veel aan het genot van hooger godgeleerd onderwijs te danken hebben gehad, om zwijgend toe te ziep, dat over de waarde van /ulk een onderwijs gesproken wordt, alsof men er best buiten kon en alsof men het zelf niet had genoten ?

Misschien zou ik eenigszins anders over de zaak gedacht hebben, indien het proponents¬

examen in onze Nederlandsche Hervormde Kerk genoegzamen waarborg gaf, dat zij, die toegelaten worden tot de Evangeliebediening zich goed hebben geoefend, goed opgeleid en voorbereid zijn. Maar eilieve, ik bid u.... daar

komen ze aan, de jongelingen, die geen academie, geen universiteit bezocht hebben, die zoo goed en zoo kwaad als het ging kla~r gemaakt zijn voor het proponentsexamen. Is het zeker, dat niemand zal worden doorgelaten, dan die voldoet aan de eischen welke de Nederlandsche Hervormde Kerk in dit laatste vierde gedeelte der negentiende eeuw behoort te stellen met het oog op de behoefte van onzen tijd ?

Ik houd vol: neen.

Wat ik gaarne toestem is, dat er,schaduwzijden zijn aan hei studentenleven. Maar zijn er dan geen schaduwzijden aan het predikant willen worden, zonder dat men sstudent" is geweest? Men zal moeten toestemmen, dat de vraag, waarop het hier aankomt, deze is: Kan men in onzen tijd een goed Evangeliedienaar zijn in onze Kerk, zonder ooit godgeleerd hooger onderwijs ontvangen te hebben; dat wil hier natuurlijk zeggen: met vrucht ontvangen te heb • ben. Daar mijn antwoord ontkennend blijft

luiden kan ik niet anders dan blijven spreken, zooals ik gesproken heb.

Behandel ik daarentegen de zaak als partijzaak, dan plaats ik mij op een geheel ander

standpunt; dan is het niet meer het studiebelang, maar een partijbelang, waarvoor ik in de bres spring, en dan zal ik mij natuurlijk anders laten hooren. Maar, ziet gij, welwillende lezer, ik ben er niet van overtuigd, dat ik onze Kerk een goeden dienst bewijs, wanneer ik de lijn

verlaat, die ik tot heden heb gevolgd.

Om op het proponentsexamen terugtekomen, dat waarborgt al bitter weinig, zooals 't nu is, en indien nu de Nederlandsche Hervormde

Kerk niet bepaalt, dat men, om tot het proponentsexamen toegelaten te kunnen worden, zóó

en zoo lang godgeleerd nooger onderwijs moet ontvangen hebben, dan zullen verreweg de meessten trachten, zoo gemakkelijk mogelijk en zoo goedkoop mogelijk en zoo spoedig mogelijk klaar te komen.

Zoo gemakkelijk ?nogelijk.... Ja, ik zie ze al stroomen naar academie of universiteit, of hoe gij de inrichting op ik weet niet welken grondslag gebouwd genoemd wilt hebben; ik zie ze zich al godgeleerd hooger onderwijs laten geven, als het niet door de kerkelijke wet gevorderd wordt! Witte raven zullen de collegezalen vullen. Waartoe zich ook noodeloos vermoeid?

Zoo goedkoop mogelijk.... want waartoe geld weggooien? Om dominé te worden behoeft ge niet te sstudeeren," als het Kerkelijk Reglement u niet tot het collegehouden enz. verplicht. Dus een goedkoope gelegenheid gezocht op een dorp, en die is ook wel te vinden; waarom niet? 1)

Zoo spoedig mogelijk.... want tijd is ook geld, en er zijn zoovele vacaturen, en men verlangt zelf zoo naar die heerlijke bediening, en men behoeft toch waarlijk zooveel geleerdheid niet om een preek te maken!

1) Men begrijpt wel, dat ik dit niet zeg, als zou ik van het stil sstudeeren" op een dosp geen heil verwachten. Ik 'wenschte, dat niemand zijn proponentsexamen deed, zonder op een dorp, in eene frissche, gezonde, opwekkende atmosfeer, zich een half jaar lang stil geoefend te hebben, — maar, na eerst van eene »AIma Mater" het noodige ontvangen te hebben. Wanneer komt er, in onzen vereenigingvormenden en naar «vereeniging" hakenden tijd eens eene vereeniging des noods zonder statuten, tot stand, om zoo iets in de hand

werken en krachtdadig te bevorderen ?

Dit alles zou nu echter geen hout snijden, indien er niet werkelijk gelegenheden te vinden waren, om gemakkelijk en goedkoop en spoedig gepraepareerd te worden voor het proponents ... en indien bij het proponents-examen werkelijk objectieve maatstaven golden, die de afwijzing waarborgden van alle te gemakkelijk en te goedkoop en te spoedig klaargemaakte sollicitanten voor de heerlijke Evangeliebediening. Maar, ronduit gezegd, ik weet er

te veel van, om bijzonder veel vertrouwen te hebben in een toekomst, als ons bereid wordt door de voorstanders van svrije studie" in den zin van: geen verplicht godgeleerd hooger onderwijs!

Nu beweer ik echter geenszins (men moet mij goed begrijpen) dat het volstrekt onverschillig zou zijn, wie het godgeleerd hooger onderwijs geven, welke richting zij toegedaan zijn, op welk standpunt zij staan, wat zij voordragen. Maar evenmin is het onverschillig, welke boeken de aanstaande Herders en Leeraarslezen, wc-lke tijdschriften, welke brochures, welke kerkelijke weekbladen Wilt gij nu misschien censuur uitoefenen

over hunne lectuur? Hunne lectuur zult gij toch moeten vrij laten — en waarom dan ook niet het onderwijs? Met dit laatste bedoel ik niet, dat wij moeten zeggen: het doet niet ter zaak wie onderwijs geeft. Maar dit wil ik zeereen:

al zijn sommige docenten niet van uwe richting

01 zienswijze, iaat dat met de aldoende reden zijn, waarom gij tegen het verplicht godgeleerd hooger onderwijs stemt en de aanstaande Herders en Leeraars liever in het wilde laat rondloopen. Want het is niet anders, zij loopen in het wilde rond, als zij niet verplicht worden

godgeleerd hooger ouderwijs te ontvangen. »Nos kennimus nos", zegt men bij sommige gelegenheden niet zonder beteekenis.

Om elkander goed te verstaan moeten wij op het verband en den samenhang der gebeurtenissen acht geven. Toen wij het vorige jaar over svrije studie." handelden, was de vraag: wat moet aan de Kerk in haar eigen belang aangeraden worden met betrekking tot de vereischten voor de toelating tot het proponents¬

examen r moeten wij den kerkdijken wetgever aanraden, alles vrij te laten en het op het pro¬

ponentsexamen te laten aankomen, of moeten wij hem aanraden, bepalingen te maken, waar¬

door ae zien voor het proponentsexamen voorbereidenden verplicht worden, godgeleerd hooger onderwijs te ontvangen? Met allen eerbied nu voor het dieper inzicht dergenen, die tegen sopleidingsdwang" ageerden, vond ik toch niet rationeel, tot de Kerk zelve, tot den kerkdijken wetgever te zeggen: Laat alles vrij.... laat de jongelui maar haspelen en tobben cn op goed geluk opleidingsgelegenheden zoeken, en zeg alleen: bij het proponentsexamen zult gijlieden geëxamineerd worden in die en die vakken; hoe gij aan de noodige kunde en wijsheid komt, dat gaat mij niet aan. — Dat vond ik niet rationeel. Zou ik nu misschien moeten zeggen: pojnitet me peccasse ?

Het door mij in het vorige jaar over vrije studie geschrevene zou door de voorstanders van vrije studie in den zin van Dr. Rutgers zeker of, althans hoogstwaarschijnlijk, toegestemd zijn, indien slechts het personeel der Hoogleeraren in de godgeleerdheid, wat richting en" zienswijze betreft, hun beter voldaan had. Maar wat was 't geval ? De benoeming van de kerkelijke Hoogleeraren heeft groote ontevredenheid verwekt. Op de vergadering der Nederlandsche Hervormde Predikanten-vereeciging zou men zich zeker geheel anders hebben laten hooren, indien bepaald voor Utrecht tot kerkelijke Hoogleeraren benoemd waren bij voorbeeld Dr. van Toorenenbergen, die (ik zeg » helaas") niet benoemd is, en Dr. Kruijf, dien men voor Groningen bestemde, of anderen in gelijken geest en richting. Nu dit echter niet gebeurd is, nu de benoemingen anders uitgevallen zijn, moeten daarnaar cu onze adviezen en praeadviezen in zake *vrije studie" gewijzigd worden ? Moeten dan onze kerkelijke reglementen gemaakt worden met het oog op bepaalde personen, onder den invloed der stemming (of ontstemming), teweeggebracht door geleden nederlaag of -ondervonden teleurstelling; of niet veeleer volgens bepaalde beginselen, in verband met de zaak, die geregeld worden moet? Dat is juist voor een goed deel de oorzaak der ellende, waarmede wij thans in onze Nederlandsche Hervormde Kerk hebben-te

worstelen, oat er in den laatsten tnd veel te

weinig naar vaste beginselen is gereglementeerd, te veel, helaas, met het oog op partijbelang.... Vrije studie! Wanneer men daarvoor ijvert in den geest der brochure van Dr. Rutgers, ijvert

men aan in nei vecang aer stuater Vrije studie! wanneer men daarvoor ijvert in den geest van het vroeger door mij geschrevene, ijvert men dan voor een partijbelang ? Op beide vragen moet ontkennend geantwoord worden, en nu is dit het juist, wat mij door sommige van mijne vrienden en geestverwanten (onder de predikanten) euvel geduid wordt, dat ik zoo weinig gerekend heb met het partijbelang. Men verwonderde er zich over, sdat ik zoo bloot theoretisch, als van den synodalen Prins geen kwaad wetende, had kunnen schrijven." Hoor eens, wil ik u eens iets zeggen? Als Dr. Rutgers niet zoo opgetreden was met zijne sVrije studie," voorgestaan en verdedigd van wege de Nederlandsche Herv. Predikanten-vereeniging, en dat nog wel binnen Utrechts swallen," ik zou mijne brochure niet geschreven hebben. Maar nu — nu meest ik toch waarlijk niet zijn geweest die ik beD, en niet zoo lang reeds te Utrecht hebben gearbeid, om met zooveel geringachting

over ae noouzaKen Kneid van godgeleerd hooeer

onderwijs voor aanstaande Evangeliedienaars in onze kerk te kunnen hooren spreken — en dat nog wel svan wege de Nederlandsche Hervormde Predikanten-vereeniging," waarvan de jongere leden voor het grootste gedeelte hunne opleiding te Utrecht hebben genoten (om niet van de oudere leden te spreken), nu moest ik stom zijn geweest of uitgedoofd, of tot de ontslapenen behoord hebbeD, om het niet op te nemen voor een beginsel en eene zaak, inde brochure van Dr. Rutgers zóó miskend, of althans zoo weinig erkend in hun recht. Ik stond voor het dilemma: Studiebelang of Partijbelang— en ik behoefde geen oogenblik in onzekerheid te zijn, waarvoor hier partij te kiezen; ik zeg niet, bij welke partij mij te voegen, maar, waarvoor partij te kiezen. Studiebelang, dat woog hier bij mij het zwaarst. Ik stem toe: partijbelang moet niet weinigen doen ijveren voor sVrije studie" in den zin van Dr. Rutgers. Maar het Studiebelang moet er de stem tegen doen verheffen, want er zal slecht gestudeerd worden, zoo die sVrije studie" van Dr. Rutgers door onze kerkelijke wetgeving in de hand wordt gewerkt. Goedkeuring verdient daarom de concessie, die door sommigen gedaan is, dat men namelijk, om tot het proponentsexamen toegelaten te kunnen worden, althans den graad van caudidaat in de godgeleerdheid moet verkregen hebben. Dat is dan toch iets; maar 't is niet genoeg. Want, om tot het candidaatsexamen in de godgeleerdheid toegelaten te kunnen worden, behoeft men niet eene inrichting van hooger onderwijs bezocht te heb¬

ben. Wat mij betreft, ik blijf prijs ste'len op godgeleerd hooger onderwijs en daarom blijf ik wenschelijk achten, dat de kerkelijke wetgever meer doe, dan het candidaatsexamen als verplicht voorschrijven. In het belang van grondige studie blijf ik van gevoelen, dat de kerkelijke wet de aanstaande Evangeliedienaars moest verplichten, gedurende een bepaalden tijd door hooger godgeleerd onderwijs zich te vormen. Op deze laatste woorden wil ik echter ook bepaald den nadruk gelegd hebben. Zich te vormen. Geen kneden, geen dresseeren, geen africhten door Professoren, evenmin door Professoren, als door predikanten, die jongelui voor een examen gereedmaken; geen africhten, geen dresseeren, geen kneden onder den schoonen titel van vormen, maar zonder dat de studenten zich vormen... . Leiding met eerbied voor der jongelingen zelfstandigheid, opleiding onderden invloed van verstandige leiding door deskundigen een opwassen, een opgroeien onder de koestering van een goed gegeven en geregeld gevolgd godgeleerd hooger onderwijs, genoten onder de medewerking van zorgvuldig voortgezet eigen onderzoek.

Maar ik eindig en ik zou thans niet eens begonnen zijn weer over dit onderwerp te spreken,

als men er mij niet toe gedwongen had door

de sVrije studie , 10 den zin van »weg met allen opleidingsdwang" weder op te halen, en als men daarbij niet van mij gezegd had, dat ik »het rechte spoor bijster" ben. Alles goed

en wel; maar elkanders standpunt recht laten wedervaren is ook nog Christenplicht, en zijne woorden wegen, voordat men ze gevleugeld uitzendt, blijft nog altijd aanbevelenswaardig."

Is in dit opstel, zoo vragen we met ernst, niet schier het geheel, zoo wat vorm als inhoud betreft, èn beneden den ernst der zaak èn beneden de waardigheid van den

schrijver.

Letterlijk tegen niets wordt hier strijd ge¬

voerd, dan tegen het »bij voorkeur klaar maken in de dorpspastorie".

En eilieve! wie verdedigt dat?

Is het dat soms wat Dr. Rutgers in hoofdzaak heeft bepleit?

Is het daarvoor misschien, dat de schoo.

voor Gereformeerd hooger onderwijs staat

geopend te worden?

Mag een hoogleeraar, een man als Doedes, alzoo zich den schijn van overwinnaar geven, door een imaginair bolwerk aan te vallen,

dat niemand verdedigt?

En dan die onderscheiding, de eenig schijnbaar gevatte tegenstelling tusschen partijbelang en studiebelang P Ja, wat er van te oordeelen ?

t> Partij belang" weet ge, als ge er tegen opkomt, dat een Jood, een Turk, een Roomsche, ooit ook maar zou kunnen geroepen worden, om leeraren in de kerk van Christus te vormen!.

»Partijbelang", als ge voor de parti du

Dieti vivant het opneemt tegen den naturalist en den materialist.

En daartegenover het parool van studiebelang!" Alsof de vraag stond «studie of geen studie 1", terwijl toch ieder weet, dat de vraag alleen is: »studie naar de methode van den Christus', of »studie naar de methode van Spinoza!"

En daarmeê komt Doedes voor den dag!

Zou men niet haast vragen: speelt Doedes zijn professoraal partijbelang hier ook parten?

ötudte van deze quaestie heett ny zeker niet genoegzaam gemaakt.

En heeft alzoo het pleidooi tegen Buytendijk wel een andere uitkomst, dan dat Buytendijks uitspraak, die eerst wat heel kras scheen, dan nu toch wezenlijk waar blijkt te zijn?

Of is in deze teedere quaestie Prof. Doedes het spoor niet schier ganschelijk bijster?

K.

Bc lüontUTluuT onttmngmis cm^$ €)me\x 3qu €l)ri$ti

Allerbelangrijkst scheen ons eene verhandeling, welke onder bovenstaand opschrift voorkomt in het Juli-nummer dezes jaars van the Britisch and foreign Evangelical Review.

Deze meening, die bij ons plaats vatte reeds onder eene oppervlakkige kennismaking met 't

artikel, zal, wij twijfelen er niet aan, bevestigd worden ook door uwe toestemming, mijn lezer! wanneer we te zamen het stuk doorloopen.

De schrijver (Rev. Principal Brown, D. D., Aberdeen) wekte reeds aanstonds onze levendige

belangstelling op, toen mj in den aanhel te

kennen gaf, dat het zijn bepaald doel was te onderzoeken op wélke gronden de historische waarheid van de wonderbare ontvangenis onzes

Heeren bctwijle'd wordt, Jp,n dat niet slechts door de verschillende nuances der negatieve school, maar ook door critici, anders een bovennatuurlijk Christendom des behouds wel toegedaan 1), maar die niettemin zich veroorloven meer of min met de negatieve richting mede te gaan, en zich vleien, dat zij, door deze benevens enkele andere trekken uit de Evangeliege¬

schiedenis prijs te geven, de geloofwaardigheid harer voornaamste waarheden des te beter verdedigbaar maken.

Maar meer nog dan tegen hen, die de Waarheid loochenen, heeft Brown het tegen hen, die destructief te werk gaan. Daarom wenscht hij

de rechte beteekenis van het gewichtige beginsel van het wordingsproces van 's Heeren leven op aarde wat uitvoeriger dan gewoonlijk te ont¬

vouwen, vooral ook met betrekking tot zijn persoon en werk.

Wij voeren dan nu den geleerden schrijver hoofdzakelijk zelf sprekende in.

Het ware te onncozel gedacht van de liefaebbers der critiek, indien men meende, dat zulk een onderwerp als de wonderbare ontvangenis hun aandacht zou zijn ontsnapt.

Oppervlakkige bezwaren tegen dergelijke gebeurtenissen zijn voor twijfelaars niet moeilijk te vinden. Diensvolgens plaatsen dan ook Strauss en allen, die van de negatieve richting zijn, het Evangelisch verhaal van Christus' geboorte op ééne lijn met de legenden uit Oost en

1) In een noot maakt Brown ons nog bekend met het streven, dat velen tegenwoordig in zijn land bezielt, om terug te keeren, zooals zij het noemen, van de oude dogrnaiische voimen tot de vrije opvatting omtrent Christus, behoudende in hoofdzaak het oude Trinitarische dogma, maar zonder zijn scholastiek omhulsel. Het is merkwaardig: bij ons gaat het velen eveneens. Ook al geestelijke boosheden in de lucht.

West omtrent de goddelijke geboorte van de helden der oudheid. Zelfs de meest openhartige van die school, de overleden prof. Keim, brengt, niettegenstaande zijn streven naar behoedzame nauwgezetheid, het in zijn leven van Jezus van Nazareth tot niets meer dan Strauss.

1 e voren ook Schleiermacher, de man van dat kolossale vernuft en afhankelijk gemoedsbestaan, kon maar niet aannemen de wonderdadige ontvangenis des Heeren. Hij hield het er voor, daar hij niet begreep hoe zoo'n vlekkeloos leven kon voortspruiten uit de gewone onreine menschelijke bronwel, dat door eene geheimzinnige bewerking op de ouders, deze afstammeling bevrijd was gebleven van de erfelijke onreinheid. En dat waslou een man, in wien eene afgodische bewondering leefde voor de zuiver menschelijke volmaaktheid van Jezus van Nazareth, maar die een onverwinnelijken afkeer had, om het eenvoudig getuigenis der Heilige Schrift, door welke ons dat beeld van Hem geschetst wordt, te gelooven.

Wat had hem dus geholpen, zijn onuitdelgbaar geloof aan de historische weikpïiithP,'H Z,

verheven volmaaktheid van den mensch Tezus Christus ? J

Wat dan nog de diepe indrukken en gemoedsbewegingen, bij hem veroorzaakt door de prediking van de volheid der godheid in Christus' lichamelijk, door het dagelijksch gebed en gezang, gestadig verlevendigd, in de Hernhuttersche stichting, waarheen zijn vader hem gezonden had, als naar een toevluchtsoord tegen de in die dagen hand over hand toenemende twijfelzucht? Met al zijn afhankelijkheids-bewustzijn van een God naar zijn beeld heeft hij het niet verder gebracht dan na veel ziften tot een extract uit de Evangeliegeschiedenis, waarin hij den historischen Jezus wilde schetsen, den edelsten vertegenwoordiger van de emrirUliik,» r>»

van God vervulde menschheid.

Niettegenstaande hij de bijbelsche terminologie behield, was toch in dat extract geen plaats, evenmin als voor andere belangrijke gebeurtenissen uit 's Heilands leven, zoo ook niet voor het _ gewichtige feit zijner wonderbare ontvangenis.

Ook de onlangs overleden Dr. M- er.

man van bijzonderen uitlegkundigen aanleg, die ons veel nader scheen te staan dan Sclil., vooral in de beschouwing van den persoon en' het verzoeningswerk Christi, staat in de Evangelie-critiek met Schl. od dezelfH*» lïi n f*r\ v af _

tsa.a.1 wxj mei» van nem. mij stemt

■cirrA ïr\r* rlif triarVtiliin tmn <]» ,—. . 1 t

„w* «uuaau vau UC UlCUSCnWOrQing

des Heeren niet opzettelijk verdicht zijn, maar werkelijk als geschiedenis willen zijn beschouwd. Doch daar hij met de tegenstanders zich onbekwaam gevoelt, om het een'met het ander in overeenstemming te brengen, vindt hij geen spoor van de vermelding dezer wonderbare geboorte in de overige boekpn des Nieuwen Testaments en ook niet, dat zij deel mede uitmaakte van het onderwijs der discipelen of van het geloof der Kerk.

M. kan dan ook niet inzien, dat de zondeloosheid van Christus' persoon en de volmaaktheid zijns werks zoo'n wonderdadige ontvangenis doen vooronderstellen en eischen. Hii knmt

tot een dergelijke verklaring als Schl. geeft, maar hij .stemt merkwaardigerwijze toe, dat ware Christus in gelijken staat als zijne ouders geboren, dit zijn geheele verlossingswerk tot niets zou hebben herleid. .

Deze drie: Strauss, Schleiermacher enMeyer hebben we genoemd, daar zij aan het hoofd van hunne eigene klasse staan, als vertegenwoordigers van de drie verschillende manieren, waarop de Bijbelsche voorstelling van de wijze, waarop de Zone Gods het vleesch aannam^ wordt ter zijde gesteld.

Wij bekennen vooraf een zekeren tegenzin te hebben om met het onderzoek der nuaestiV

aan te vangen. Niet wegens de kieschheid van het onderwerp, of wijl we in bijzonderheden moeten treden 1) maar omdat we de innige overtuiging bezitten, dat er niet een is, die diep is doordrongen in den geest des Nieuwen Testaments, of grondig zijne hooge waarheden in haar innerlijk verband heeft gevat, of bovenal, die een recht begrip heeft van den persoon en het werk Christi, die toch gedurig door twijfelingen op dit punt-zal worden beroerd, of vatbaar zijn om zonder eene groote mate van smart de gronden ter verwerping te aanvaarden.

Waarom er ons dan mede bezig gehouden?

Ten eerste, omdat theologen in deze dagen gaarne alles willen uitpluizen, maar ook omdat voor studenten alles wat van een land komt, dat in ieder opzicht aan het hoofd der theologische geleerdheid geacht wordt te staan, iets bijzonder bekoorlijks heeft, vooral als het iets nieuws is, indien het komt van mannen van erkende voortreffelijkheid.

Bij het beoordeelen der redenen, waarom men

onze leer der menschwording, als geen historisch feit ten grondslag hebbende, heeft verworpen, zullen wij niet alleen zien hoe spichtig die rede¬

nen zijn, maar ook, hoe die omstandigheden, welke men noodlottig achtte voor ons geloof.

juist door goddelijk bestuur dienen om het tegen alle spitsvondige aanvallen te vrijwaren.

Enkele woorden vooraf over de mythische (tot eene verdichting makende) verklaring van de evangelische oorkonde der geboorte. Deze verklaring plaatst haar op ééne lijn met de fabelen van heidensche schrijvers omtrent personen van goddelijke geboorte, als wonderen van kracht, wijsheid en goedheid, in de oudheid vermaard.

Hierop is wel ter snede geantwoord door Neander, dat zulke legenden onder de Israëlieten geheel en al vreemd zijn, en meer dan een heeft er reeds op gewezen, dat het buitengewoon eenvoudig karakter van Mattheus' geschiedverhaal zoo geheel en al ongewoon is aan de taal der mvthen. En ook is de aandacht reeds vaak pr

op gevestigd, dat die zooveel onder de heidenen voorkomende gedachte, dat een bijzondere grootheid van goddelijke geboorte moest zijn, in plaats van twijfel te doen rijzen aangaande de historische betrouwbaarheid van ons verhaal, juist het vermoeden zou wekken, dat tengevolge van een duister bewustzijn het klaarste menschelijk vernuft zoo licht komt tot, het aannemen eener

bijzondere menschwording in dergelijk geval. Zoodat de wijze waarop de Zone Gods mensch werd naar de Schrift, zoo treffend met deze voorstelling overeenkomt en deze gedachtevervalt.

Zulks zijn wel bloot onderstellingen, maar die althans onschuldig mogen heeten en niet ongeschikt om dienst te doen tegenover de grillige

I) Er wordt beweerd, dat, indien, niettegenstaande de moeder des Heeren zelve ook erfelijk onrein was, zij toch aan een reine het aanzijn kon geven, zij dit dan ook wel kon langs den weg van gewone vooitteeling. Maar hoewel er de aard der quaestie niet door veranderd wordt, is zulk beweren niet in overeenstemming met hetgeen in Matth. 1 : 20 en Lucas i : 35 wordt gemeld van de ongewone wijze van het ontstaan in de wereld van den Zoon des menschen.

Sluiten