Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het auteursrecht van den inhoud van dit blad wordt verzekerd overeenkomstig de wet van 28 Juni 1881 (Staatsblad N°. 124).

Dit blad wordt geregeld des V r ij d a g s aan de geabonneerden verzonden. Bijdragen van medewerkers, ingezonden stukken en alles wat verder den inhoud 7*n dit blad betreft, te adresseeren aan de REDACTIE. Abonnementen en Advertentiën *an dt ADMINISTRATIE van De Heraut, Amsterdam.

Inzendingen die later dan Donderdag 's namiddags te 12 ure worden ontvangen kunnen voor het nummer van die week niet meer in aanmerking Komen.

Zondag 13 Aprü 1890. N°. 642.

Abonnementsprijs: franco aan huis, per drie maanden /1.20. Afzonderlijks nummers aan het Bureel 10 Cent.

Abonnementen worden aangenomen door alle Boekhandelaren, Postdirecteuren ens en aan het Bureel te Amsterdam. „

Advertentiën: van 1 tot 6 regels 90 Cent; voor eiken regel meer lo Cent. Aanvragen en vermelding van liefdegaven en Verslagen van Vereenigingen 10 Ct. per rege:.

Dart öe (jjjSnmfcemiöMett.

ZOXDAGSAFDEELIXG XXVI.

Die geloofd zal hebben, en gedoopt zal zijn zal zalig wor den; maar die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden.

Mark 16:16.

Van den lieilijren Doop. (I)

Met de zes-en-twintigste Zondagsafdeehng is de Catechismus voortgeschreden tot de behandeling van het Sacrament des heiligen Doops. Aan dit Sacrament wordt door den Catechismus ook nog de geheele volgende Zondag gewijd; en daar beide deze Zondagen verre van kort zijn, neemt de heilige Doop, naar evenredigheid, een zeer breede plaats in. Alles saam zes vragen met de daarbij behoorende antwoorden. Reeds hieruit blijkt genoegzaam, welk bijzonder gewicht de opstellers van den Catechismus aan den heiligen Doop gehecht hebben, en hoezeer ze er prijs op stelden, om door breede onderwijzing dwaling op zoo gewichtig punt bij de gemeente des Heeren te voorkomen. Ursinus en Olevianus, twee godzalige, kloek Gereformeerde man¬

nen, raken de leer aer u uverKic«iig w hun leerboek slechts even aan, maar bespreken daarentegen de leer van den Doop en van het Avondmaal zeer breed; juist het omgekeerde van wat men thans bij menig onderwijzer kan vinden, die zeer breed van de Verkiezing spreekt en de leer der Sacramenten nauwelijks aanstipt. En deze afwijking van de behandelingswijze van den Catechismus ontschuldige nu niemand met te zeggen, dat in de dagen van U>r sinus en Olevianus niet de geschillen over den heiligen Doop zoo hoog waren gerezen; want dit is niet zoo. In de dagen der Reformatie van de i6de eeuw was het hoofdgeschil over den heiligen Doop met de Wederdoopers, en hierover heeft de Catechismus maar ééne enkele vraag; terwijl omgekeerd moeielijk kan beweerd worden, dat er over de Uitverkiezing destijds geen verschil liep, daarjuist dit stuk der leer tusschen alle partijen in geding was. Neen.de oorzaak van de achteloosheid waarmeê nu jaren lang de heilige Doop behandeld is, in haar tegenstelling met de bijzondere zorg die Ursinus en Olevianus aan dit punt besteedden, ligt in de mindere waarde en beteekenis, die nu omstreeks een eeuw aan den heiligen Doop gehecht is, terwijl mannen als Ursinus en Olevianus helder inzagen, hoe het juist een inleven in den heiligen Doop was, waardoor de gemeente des Heeren móest bloeien. Vruchtdragend kon de leer der Uitverkiezing slechts met dezulken behandeld worden, die reeds eenige

verlichting ontvingen, terwijl de heilige Doop juist een ieder aangaat en reeds voor het jonge kind behoort te leven. Maar juist dit ging allengs ontbreken. Er zijn tientallen van jaren geweest, dat de heilige Doop vormelijk ja nog bediend werd, maar zonder dat de kerk in haar prediking of onderwijzing, of ook de ouders en schoolmeesters bij de opvoeding er veel notitie van namen; en duizenden bij duizenden zijn de gedoopten in onze Gereformeerde kerken, die opgegroeid en tot volwassen leeftijd gekomen zijn, zonder dat er schier ooit op hun Doop gewezen wierd, of aan hun Doop kracht ter vermaning en ter vertroosting wierd ontleend. De Catechismusvragen over de Sacramenten wierden dan ook ten leste als veel te omslachtig en te onbegrijpelijk, eenvoudig overgeslagen, of althans zoo schielijk afgedaan, dat noch de spreker er iets van bleek te beseffen, noch zijn hoorders er iets van begrijpen konden. Gevolg waarvan was, dat alle klaar en helder inzicht in de beteekenis van den heiligen Doop allengs te loor ging; en dat men den Doop zeiven, om het teedere van het schouwspel, ja nog een aandoenlijke plechtigheid vond, maar die eigenlijk slechts strekte, om den ouders den plicht der opvoeding van hun kroost eens op ernstige wijze op het hart te druk¬

ken. Die kleine, lieve schepseltjes in het midden der gemeente te zien indragen, en de moeder voor het eerst weer in Gods

huis te zien, verzeld van vrienden en ma¬

gen, dat was eigenlijk de hoofdzaak geworden, en de eigenlijke Doop wierd bijzaak

En zoo-kon het niet anders, of alle rechte

beschouwing over den heiligen Doop moest allengs geheel te loor gaan, en naardien ge

toch aan uw denken het zwijgen niet kunt opleggen, moest het te loor gaan der zuivere leer in zake den Doop, van lieverleê allerlei kettetsohe dwaling omtrent den heiligen

Doop doen opkomen. Zonder overdrijving mag men dan ook zeggen, dat het ware inzicht in de beteekenis van den heiligen Doop zelfs in geloovige kringen almeer uitsleet, en dat hiervoor allengs een valsche opvatting en voorstelling van den Doop in de plaats trad, die geheel het wezen der kerk ondermijnde. Dit gevoelden én prediker én gemeente dan ook allengs zóó goed, dat men herhaaldelijk de klacht hoorde van predikers en ouders, die „met het Doopsformulier niet overweg konden", de tweede vraag uit dit formulier zóó niet met ja konden beantwoorden, en het dankgebed na den Doop, als onmogelijk te bidden, weglieten. Dat ons Doopsformulier en met name dit dankgebed geheel strookte én met hetgene onze Confessie én met hetgene onze Catechismus over den heiligen Doop leert, wierd daarbij zelfs van verre niet vermoed; en veel minder hield men het voor mogelijk, dat, om met Calvijn te beginnen, alle onze goed Gereformeerde theologen uit den bloeitijd onzer kerk metterdaad zóó en niet

anders over den heiligen Doop geoordeeld hadden.

Deze stand van zaken noopt ons, om het onderwerp van den heiligen Doop zoo

nauwkeurig mögeiijk te benadelen, cü. op ,

de hoofdpunten de getuigenissen van onze vaderen over de zuivere belijdenis der waarheid op dit stuk aan te voeren. We doen

dit in de heldere bewustheid, dat het ge¬

reformeerde gevoelen van den heiligen Doop,

gelijk we dit uiteen gaan zetten, in wezenlijken strijd is met het gevoelen, hetwelk zeer vele

dienaren enleden der gemeente desaangaande lange jaren waren toegedaan. Wat meest ingang vond, was deels het doopersche uitgangspunt, gekoppeld aan een methodistische uitlegging. Dit standpunt nu is met de Gereformeerde belijdenis van den heiligen Doop onvereenigbaar. Er kan hier niet geschipperd worden; men moet weten welk standpunt men inneemt. En al stellen we ons dan ook volstrekt niet voor, dat onze artikelen plotseling een geheelen ommekeer in de heerschende overtuiging zullen te weeg brengen, toch durven we vertrouwen, dat onze uiteenzetting tot ernstiger nadenken over dit heilig onderwerp zal leiden; dat tegenover eigen opvatting het eenparig oordeel onzer godzalige vaderen eenig gewicht in de schaal zal werpen; en dat men althans inzien zal en erkennen, hoe het door ons uiteengezette gevoelen door alle Gereformeerde kerken, en zoo ook door de kerken hier te lande, laatstelijk op de Synode van Dordrecht in 1619 erkend en beleden is te zijn het gevoelen en de belijdenis onzer kerken. Toch zullen we zoo weinig mogelijk anderer gevoelen bestrijden. Er ligt o. i. meer kracht in, om rustig de waarheid, gelijk ze naar de

Heilige Schrift is, uiteen te zetten. Dat moge dan aanvankelijk bij velen zekere stuiting ondervinden. Niemand toch kan

I op één dag r-ilfee ovcrfcr'jjing omzetten, die

hij jarenlang gekoesterd heett, waarin hij is opgegroeid, en die met zijn geestelijk leven saamwies. Maar bij een kind van God, dat eenige verlichting des Geestes deelachtig is, vindt ge dan toch den ernstigen toeleg, om op de oude paden acht te geven; om te luisteren naar wat de belijdenis onzer martelaren en onzer Godsmannen is geweest; en om zijn verstand ten slotte gevangen te geven in de belijdenis der Waarheid die naar Christus Jezus is.

En komen we nu, na dit korte woord ter inleiding tot de zaak zelve, dan trekt het eerst de naam van den heiligen Doop onze aandacht. Nu is dit woord „Doop" voor ons geen vreemde klank, maar uit het woord „indoopen", bijvoorbeeld nog voor een ieder die onze Nederlandsche taal kent, recht goed in zijn zin en bedoeling herkenbaar. Als er bij de ontdekking van Judas' verraad door den Heere gezegd wordt: „Wie de hand met mij in den schotel indoopt, die is het", kan een ieder zich zonder nadere

uitlegging van dit „indoopen" een volkomen duidelijke voorstelling maken. En zoo nu komt ook in de Heilige Schrift dit doopen of indoopen gedurig voor, geheel afgescheiden van het heilig Sacrament

des Doopsels. J ozefs broeders doopten den veel-

vervigen rok in bloed; de priester in den

tabernakel moest zijn vinger in het bloed van het offerdier doopen; van de twee vogels bij het reinigingsoffer van den melaatsche moest de vogel die vrij uit zou gaan

gedoopt worden in het bloed van den geslachten vogel enz. „Indoopen" is dan ook in den grond hetzelfde woord als ons sin-

dompelen en geeft te verstaan, dat men een stuk goed of huisraad of wat ook in eenig vocht, hetzij dan water, bloed, olie of dergelijke eerst doet inzinken en het er daarna weder uit optrekt.

„Besprenging" met eenige droppelen vochts ligt dus in het woord als zoodanig niet in. „Doop" is een woord dat rechtstreeks samenhangt met ons woord „diep" en mag daarom niet anders verstaan dan als een neerlaten, neerduwen, doen neerzinken in het water; echter nooit met de bedoeling om het onder water te doen blijven. Dat heet bij ons „verdrinken", nooit „doopen". Wie een bete broods in den schotel maar doopt, doet dit met de bedoeling om het er slechts eens in te steken, en er dan weer uit te trekken; wie een rok in bloed doopt, om het voor te stellen alsof de drager van dien rok door een boos dier verscheurd was, steekt hem eenige oogenblikken slechts in de kan met bloed en trekt er hem dan weer uit. En zóó nu verstaan we alleen indoopen, doopen of indompelen. Het is altoos even onder het vocht zetten, en dan weer uit dat vocht laten opkomen. Toegepast op het heilig Sacrament van den Doop volgt hier dus uit, dat de naam op een handeling wijst,

waardoor de te doopen persoon in het water wordt neergelaten, even onder water is, en dan terstond weer uit het water opkomt. Wie inzinkt in het water, er even in is en er dan weer uit wordt opgetrokken, die is in letterlijken zin in dat water ingedoopt, of, zonder nadere bijvoeging, gedoopt.

Toch zou deze eigenlijke beteekenis van het Nederlandsche woord doopen hier nau¬

welijks in aanmerking mogen komen, zoo

het Grieksche woord, dat de Heilige Schrift hier bezigt, een afwijkenden zin had. Daar toch alle berichten omtrent den Heere Jezus en zijne apostelen in de Grieksche taal tot ons

zijn gekomen en niet in het Nederlandsch,

springt het in het oog, dat de afleiding van

onze Nederlandsche taal slechts in zooverre

meê mag spreken, als ze in hoofdzaak met

de afleiding van het Grieksche woord over eenstemt. Anders niet.

Dit is hier intusschen het geval. Het Grieksche woord, dat het Nieuwe Testament

bezigt, om het Sacrament van den heiligen

Doop uit te drukken, stemt metterdaad in

grondbeteekenis en afleiding geheei met

ons Nederlandsch woord Doopsel overeen. Dit woord is &xirrtj-fiót; (baptismos), voor een ieder die Fransch of Engelsch kent, licht herkenbaar uit het Fransche bapteme of het Engelsche baptism. Ook dit Grieksche woerd toch komt van een stam, die letterlijk hetzelfde beteekent als ons Nederlandsch indoopen, en die evenzeer met het begrip van diep saamhangt. Zelfs is ook dit gelijk, dat het Grieksche woord evenals het

Nederlandsche zoowel op het neerlaten in het vocht ziet, als op het straks weer uit dat vocht optrekken. Wel is deze laatste nevenbeteekenis in het Grieksch niet zóó vast als bij ons, maar in de gewone alledaagsche opvatting van het woord klonk deze nevenbeteekenis toch zeer stellig mee.

Eenigszins anders is dit in het Oude

Testament, waarin natuurlijk wel geen sprake is van het Sacrament des Doopsels,

maar waarin toch het begrip van indoopen gedurig voorkomt. Daarvoor nu bezigt het

Hebreeuwsch een woord frabal, dat oor¬

spronkelijk niet op het neerlaten in het

vocht, maar op het nat woraen 01 voentig worden zag. In de rabbinistische taal heeft men van dit woord Fabal een woord Febilah afgeleid, ter aanduiding van den Proselytendoop.

In den ouden strijd met de Baptisten over de vraag, of de heilige Doop door besprenging of door indompeling zij toe te dienen, moet dus wat de afleiding van den naam en het woord betreft, zonder omwegen geantwoord, dat zoowel het Grieksche als het Nederlandsche woord, waarmee de handeling van dit Sacrament wordt aangeduid, niets hoegenaamd met besprenging te maken heeft, maar zeer stellig doelt op „indompeling"; en dat wel het Hebreeuwsche woord het denkbeeld van „indompeling" niet in zich sluit, maar toch ook evenmin het denkbeeld van besprenging, daar het alleen op het feit doelt, dat het te doopen voorwerp met het vocht in aanraking komt. Natuurlijk volgt hieruit volstrekt niet, dat daarom de Baptisten ontvankelijk moeten verklaard in hun eisch, dat ook nu nog alle doop door „indompeling" zou moeten plaats hebben. Hierover wordt later gehandeld. Thans volstaan we met aan te duiden, dat de afleiding van den naam zeer zeker met het begrip van indompeling saamhangt, en dat de Doop door indompeling altoos een vollediger acte zal zijn, dan doop door eenvoudige besprenging. Daarbij vergete men niet, dat volstrekt niet enkel de Baptisten deze indompeling in stand houden, maar dat ook de geheele Grieksche kerk, die thans ruim 100 millioen zielen telt, ook den Doop van kleine kinderen nog steeds door indompeling doet plaats hebben.

Deze afleiding van het woord „Doop", die ongetwijfeld van belang is, sluit echter een overdrachtelijk gebruik van dit woord geenszins uit. Zoo spreekt Johannes de Dooper van een doopen met vuur, als

Be martelaren.

X.

WENDELMOET CIAE8DOCHTER.

De Heer moet zyn ghepresen,

Van zyn goedertierenheyt Dat hy altyd wil wesen Bij die nieu zijn verresen En hebben 'tquaet afgheleyt.

Dit mach men claerlyck sporen Aen die vrouwe Weynken Claes,

Ut God zynde gheboren,

Wiens woort zy had vercoren Tot haerder troost en solaes.

Zoo luidt de aanvang van het volkslied, dat men in 1529 gemaakt heeft op den marteldood van Wendelmoet Claesdochter, ter herinnering aan deze getrouwe getuige van den Heere en ter aanmoediging van de andere belijders des Heeren. In het Martelaersboek van Haemstede (Adriaen Cornelisz) is haar naam opgenomen onder de martelaren van de Luthersche belijdenis, en in »Het offer des Heeren" onder die van de Wederdoopers. Met zekerheid is hier geen beslissing te nemen. Doch dit is zeker, dat zij reeds in 1559 door Haemstede is vermeld en eerst in 1570 in het Doopsgezinde martelaarsboek (dat toen den 3en druk beleefde: in den ien en 2en kwam zij nog niet voor), terwijl bovendien de ondervragingen, die zij onderging, niet liepen over den Doop, maar wel over het Avondmaal. Hoe dit echter ook zij, Wendelmoet behoort gewis tot degenen, die om den wille van het geloof in Christus als den eenigen Middelaar door Romes kerk zijn vervolgd en gedood.

Zij woonde te Monnikendam, waarschijnlijk haar geboorteplaats, toen zij, onder vermoeden dat zij eene kettersche was, gevangengenomen werd. Monnikendam was in die dagen vol van zulke ketters. Daar vond men

in 1526 Willem Ottens, die wel is waar in de gevangenis herroepen had en daarom ontslagen was, maar in genoemde stad «eene jonghe maecht" huwde en «eenige punten van kettery en dwaling aangaande het heilig Sacrament en de mis leerde", om welke reden hij andermaal aangeklaagd werd bij het hof. Met zijn vrouw ontkwam hij naar Emden. Daar woonden ook de twee vrouwen, die beide veroordeeld werden, voor de processie te gaan, en de eene bovendien aan de kaak gesteld te worden, omdat zij kettersche gevoelens koesterden. Daar hielden zich ook de drie priesters van «quaet gevoelen'' op, die allen naar Den Haag werden ontboden, om zich voor 't hof te verantwoorden. Daar waren velen van het «nieuwe gevoelen", die een ergernis waren voor de geestelijkheid, vooral, omdat de overheid hen niet allen aan lijf en goed strafte, 't Hof van Holland had den magistraat vermaand over «de menigvuldige klachten, die het dagelijks hoorde, als dat binnen Monnikendam vele personen gediffameerd en geweest waren van de sekte der Lutheranen", die zij te straffen hadden. Doch de overheid gaf niet veel om die waarschuwingen, want zij liet omstreeks een halfjaar later een kettetsch leeraar (waarschijnlijk een monnik, die zijn klooster ontvlucht was) in het openbaar prediken, bij welke gelegenheid de stadssecretaris zijn tabberd leende. Tegelijkertijd stond zij dezen prediker toe eene gevangene te bezoeken, in wie wij niemand anders hebben te zien dan Wendelmoet (ook Welmoet, Weinken en Wilhelme genoemd) Claesdochter, eene weduwe. Geen wonder, dat het hof, van deze dingen hoorende, zeer ontevreden was en den magistraat voor zich daagde, ja zelfs tegelijk Wendelmoet naar Den Haag liet overbrengen. In allen gevalle schreef de griffier van het hof, Sandelen, aan den stadhouder, Antoine de Lalaing, graaf van Hoogstraten, deni2enMei 1527 over Wendelmoet, dat zij uit Monnikendam naar de voorpoort te 's-Gravenhage was overgebracht om verhoord te worden door gedelegeerde raadsheeren, in tegenwoordigheid van den onderinquisiteur Pieter van den Goude. De uitslag dezer onderzoeking was, dat Wendelmoet «bevonden (werd) kwalijk te gevoelen van het waarde heilige Sacrament, van alle instellingen van menschen en in het algemeen van alles, wat in de heilige kerk uitwendig gedaan en gepleegd wordt, hetwelk zij al te zamen veracht, alleen gevende veel gezag aan de Heilige Schrift". Zelfs verklaarde de moedige vrouw zich bereid om te sterven. Maar het hof had medelijden met de weduwe. Eerst trachtte men haar door haren bloedverwant, Roelof Janz,

onderpastoor van Gouda, tot andere gedachten te brengen. Dat hielp niet. Toen werd zij naar het kasteel van Woerden gebracht, met toestemming der landvoogdes, die men om deze gunst gevraagd had. Twee maanden zou zij daar blijden. Maar 't hof liet de twee tot zes maanden aangroeien. Toen kon het niet langer wachten met aan Wendelmoet te doen naar den eisch der plakkaten. Den i5en Nov. 1529 werd zij naar 's-Gravenhage teruggevoerd en den i8en verhoord in tegenwoordigheid van den stadhouder van Holland. Hare bazuin gaf geen onzeker ge luid. Van de leer der wezensverandering bij het Avondmaal zeide zij; «Ik houd uw sacrament voor brood en meel, en wanneer gij dat voor uwen God houdt, zeg ik dat het uw duivel is." Christus was haar eenige Middelaar. Een biechtvader behoefde zij niet; »Christus had zij, dien zij biechtte, maar desniettemin, wanneer zij iemand vertoornd had, wilde zij hem gaarne bidden, dat hij haar dat vergave". Zij was een van 's Heeren schapen, »daarom", zoo riep zij uit, »hoor ik zijne stem."

Van 18—20 November was zij in de gevangenis en ontving zij veel bezoek. O. a. eene vriendin, die tot haar zeide: «Lieve moeder, kunt gij niet denken wat gij wilt, en zwijgen stil? Zoo zult gij niet sterven." Waarop Wendelmoet antwoordde: «Lieve zuster ! het is mij bevolen te spreken en ik ben daartoe geroepen, zoodat ik niet zwijgen mag. Of zij mij morgen verbranden of in een zak steken is mij eveneens. Zooals de Heere het voorzien heeft moet het geschieden en niet anders, ik wil bij den Heere blijven." De Dominicaner monniken hielden haar een kruisbeeld voor om dat te kussen, maar zij weigerde dit, zeggende: «Dat is mijn God niet! Het is een ander kruis, waardoor ik verlost ben. Dat is een houten God, werpt hem in het vuur en warmt u daarbij " Den 20Sten November was de dag van hare terechtstelling. Men wilde haar de hostie en het laatste oliesel toedienen, maar beide wees zij af. Toen zij voor het laatst voor hare rechters stond, bad haar een monnik om toch op de knieën te vallen en genade te vragen, maar zij antwoordde : «Heb ik u niet gezegd, dat gij mij van mijnen Heere niet trekken zult?"

De deken van Naaldwijk en zijn geestelijke medestanders verklaarden eindelijk onze Wendelmoet voor een hardnekkige en heretyke ketter, en gaven haar over aan den wereldlijken rechter, zichzelven terugtrekkende. De wereldlijke rechter veroordeelde haar, om «op 't schavot, staande op de plaats, verbrand te worden tot pulver toe, zoodat van haar geene gedachtenis meer zij", levens

werden hare goederen verbeurdverklaard. Op weg naar de gerechtsplaats plaatste de monnik drie malen een crucifix voor haar en dwong, dat zij «haren God'" zou kussen. Met edele verontwaardiging antwoordde zij echter: «Hoe plaagt gij mij; mijn Heere, mijn God is hierboven." Maria wilde zij niet aanbidden. Zij aanbad immers Christus, die aan de rechterhand Gods gezeten was. Voor het volk staande, vroeg zij het: «Ik bid u allen, indien ik iemand misdaan of vertoornd heb, dat gij mij dat vergeven wilt." Ditzelfde bad zij haren rechters.

En nu — daar verschijnt de beul.' Zal men haar thans met rust laten? Neen, nog eens beproeven Romes geestelijken de martelaresse ten val te brengen. «Daar staat de houtmijt, herroep 1" «Neen," antwoordt Wendelmoet, «des Heeren wil moet geschieden Zelfs de beul is getroffen door zooveel moed en spreekt haar moed in: «Moeder, blijf bij God en lq,at u van God niet aftrekken." «Neen," roept zij terug. Zelve gaat zij daarna aan den worgpaal, ontknoopt den halsdoek en werpt zich den strop om. Dan komt weer een monnik en, listiger dan een slang, vleit hij: «Wendelmoet, wilt gij ook gaarne sterven als een Christenmensch ?" «Ja ik," antwoordt zij, de list niet herkennende. «Verloochent gij alle ketterij," vraagt de slang verder. «Ja ik," antwoordt Wendelmoet. «Dat is goed," juicht de monnik weer, terwijl hij zich reeds van zijne overwinning zeker waant. «Is het u ook leed, dat gij gedwaald hebt?" Dit laatste woord opent de martelares de oogen en op vasten toon geeft zij ten antwoord: »Ik heb voormaals wel gedwaald, dat is mij leed; maar dit is geen dwalen, maar de rechte weg, en ik blijf bij God." Wendelmoet heeft overwonnen door de genade des Heeren De beul treedt toe en worgt haar. Zij sluit hare oogen, alsof zij slapen gaat. «Als zij nu zich niet roerde en haren geest gegeven had, ontstak men het vuur en men verbrandde haar."

Dus lieffelijk ontslapen Is Wendelmoet in den Heer;

Maar monniken en papen,

Die naet Christenbloet gapen —

Verzaet worden zij nimmermeer.

De Gaay Fortman.

VAN DE

Sluiten