Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en op de catechisatie, in het huisgezin en op onze scholen de gedoopte kinderen als reeds zijnde wedergeboren worden bejegend, en op grond van die onderstelde wedergeboorte de eisch der bekeering rusteloos tot hen gebracht worde.

KUYPER.

, ——■—

„Oc Qcbooö on$ te Dom alle öqe inzettingen."

En de Heere gebood ons te doen alle deze inzettingen, om te vreezen den Heere, onzen God, ons voor altoos ten goede, om ons in het leven te behouden, gelijk het te " dezen dage is.

Deut. 6 : 24.

Over de heilige Sacramenten wordt in de

kerke Gods vaak gedacht en gesproken, alsof het onze Sacramenten en niet de Sacramenten des Heeren waren.

Gedurig ontvangt ge in zake het Sacrament den indruk, alsof het iets ware, dat aan ons believen stond; door ons was uitgedacht; en waarover dus onzerzijds naar wilkeur kon beschikt worden.

Ze gelden dan als een soort kerkelijke handeling van menschelijke vinding, waarvoor dus ook de mensen den regel kon stellen.

Komt het dan aan den Doop toe, dan spreekt men er onder elkander over; of men hier óf daar zal gaan; of men het nog zal uitstellen of bespoedigen; wie zal méégaan; wie zal heffen; wie zal buigen; en op al die vragen geeft man het antwoord zoo op het gevoel af; naar het ons zoo toelacht; al naar de indruk van ons besef op zulk een oogenblik is. En met het Avondmaal handelt men evenzoo. Men komt of blijft weg, men laat toe of weert af naar eigen goedvinden, en zelfs de Bedienaar stelt zieh niet zelden aan, als verkeerde hij in de meening, dat menschelijk welgevallen hier eigendunkelijk regelen kon.

Zoo ongeveer als de kerkelijke huwelijksinzegening een kerkelijke plechtigheid is, waarvoor ons in Gods Woord geen enkele vorm is voorgeschreven, zoodat hier menschelijk nadenken en menschelijk overleg alles regelen moest; zóó denkt men het zich ook bij Doop en Avondmaal.

Doop en Avondmaal wel iets plechtiger, en iets heiliger; vooral omdat bij de kerkelijke huwelijksinzegening de geesten der opkomenden vaak maar al te verwilderd zijn; iets goddelijker vooral, omdat het huwelijk voor het aardsehe leven geldt, en Doop en Avondmaal op den hemel wijzen; maar toch, ook zoo, Doop en Avondmaal en Huwelijksinzegening, de drie groote kerkelijke plechtigheden, waarvan men gebruik maakt als men het zoo wil, en die men anders laat voor wat ze zijn.

Zoo zijn er dan ook die huwen, zonder in de kerke Gods zegen te zoeken. En zoo nu zijn er ook, die heensterven zonder zijn Avondmaal te hebben ontvangen; en in sommige kringen ook niet weinigen die de eeuwigheid ingingen zonder gedoopt te zijn.

En is dit nu zoo. dan hecht men hier nabij

niet aan. Want, zoo zegt de booze tong dan, aan zulk een Sacrament hangt toch waarlijk iemands zaligheid niet.

Hoor nu daartegenover wat uw God in Levit. 26: 15 vv. tot Israël zegt:

»Zoo gii mijne inzettingen smadelijk zult ver¬

werpen, dit zal ik u ook doen, dat ik over u zal stellen verschrikking; daartoe zal ik mijn aangezicht tegen u zetten; want ik zal de hoovaardigheid uwer kracht breken; en zoo gij met mij in tegenheid wandelen zult, en mij niet zult willen hooren, zoo zal ik over u, naar uwe zonden, zevenvoudig slagen daartoe doen."

Dit klinkt anders.

En toch hier ligt het punt, waar het op aan komt.

Onze Sacramenten zijn geen verzinsels van menschen en geen uitvindingen van menschelijk goeddunken, maar ordinantiën en inzettingen Gods.

Door den mond van den Zoon zijner liefde heeft God zelf tót zijn kerk gesproken : »Gaat dan henen, onderwijst alle volken, ze doopende;" en van het heilig Avondmaal: i>Doet dit tot miine eedachtenisse."

Doop en Avondmaal zijn u niet gevraagd als iets dat aan uw believen stond, en dat ge dus ook kondt weigeren, maar ze zijn bevolen. Ze zijn u niet aangeraden als iets profijtelijks, zoodat ge zelf weten moest, of ge dat profijt zoeken of verwerpen woudt, maar ze zijn u geordineerd. En ook ze zijn u niet voorgespiegeld als middelen van geestelijke genieting, zoodat ge naar eigen keus dat genot er aan geven of het zoeken kondt, maar ze zijn u als inzettingen van Godswege opgelegd.

Dat is het cardinale punt, waar de kerk. en gij met haar, toe terug moet keeren.

Er moet weer gevoeld, beseft en beleden, dat God over ons te gebieden heeft en dat wij te gehoorzamen hebben, en dat deze gehoorzaamheid 'des geloofs het eerst en het sterkst te spreken heeft in het houden van zijn inzettingen, die ons in Doop en Avondmaal toekwamen.

Wat bij ons hiertegen ingaat is niets anders dan de "hoovaardigheid onzer kracht," zooals de Heere in Leviticus tot Israël zegt.

Overgraag zal men allerlei uit vrije drift, ongeroepen en ongehouden voor den Heere doen. Ja, er zullen er zijn die al hun goed aan de armen geven, en desnoods hun lichaam om Godswil zullen laten verbranden. Maar stil en rechtstreeks gehoorzamen als hun Heere en

hun God gesproken heeft, dat doen ze liever niet.

Het is dat ze de liefde nog niet hebben, en daarom nog tot niets nut zijn, zooals Paulus in 1 Cor. 13 zegt. Een luidende schel en een klinkend metaal. Maar niet het echte goud der goddelijke liefde.

Want liefde voor God, echte uit God gewelde en dies naar God terugvloeiende liefde, heeft God als God lief, en moet Hem dus lieven en loven als onzen souvereinen Gebieder.

Reeds bij een aardsch koning is dit zoo.

Als er iemand was, die zielsveel van onzen koning zei te houden, en bereid was allerlei voor hem ten offer te brengen, maar die zich aan zijn wet niet stoorde en weigerde zich als onderdaan tegenover zijn koninklijke majesteit te gedragen, dan zou de vorst, wel verre van met zulk een liefde gediend te zijn, den weerspannigen onderdaan straffen.

Daarom heet het reeds tot Saul: Gehoorzaamheid is beter dan offerande.

Een kind, dat zijn vader en moeder met

allerlei voorkomendheid streelen en met allerlei teekenen van liefde overladen wil, maar niet luistert naar wat ze zeggen en niet doet wat ze gebieden, moge op zekere liefde van den wilden wingert bogen kunnen, maar de liefde van den echten wijnstok heeft het niet.

En zoo nu ook is het hier.

De Heere is u niet maar een aanrader en aanmaner, een verzorger en beschermer, maar voor alle dingen uw God, die als Göd over u te gebieden en van u gehoorzaamheid, blinde, stipte, volkomen gehoorzaamheid te vorderen heeft.

Hij vraagt u niet wat ge goedvindt, noch wat ge er van begrijpt, maar zet het voor u in, verordineert het en bakent voor u den weg af; en nu is er voor u geen keuze, nu moet ge al uw hoogheid afleggen, en stil als het gespeende kind, naar die inzettingen en op dien weg wandelen.

En nu komt dit punt der gehoorzaamheid daarom bij het Sacrament zoo scherp tot beslissing, omdat het Sacrament voor ons menschelijk besef op zichzelf dwaasheid schijnt.

Onze natuurlijke mensch lacht er inwendig om, dat een paar druppeltjes water op het kleine voorhoofdje, tusschen de tule van het mutsje in, iets hoegenaamd zou uitwerken. En zoo vat ons natuurlijk verstand er niets van, waarom dat eten van een klein stukske brood en dat drinken van een slokske wijn, iets ter wereld zou uitrichten.

Het geeft ons soortgelijk gevoel als Naaman den Syriër overkwam, toen Elia hem niets anders aanbeval, dan om zich in de Jordaan te baden.

o, Als Elia aan Naaman allerlei ingewikkelde, kostbare dingen had opgelegd, die hem imponeerden, dan had hij eenig verband gezien tusschen zoo groote middelen en zoo groote zaak als zijn genezing van de melaatschheid. Maar niets dan in de Jordaan zich baden! Wat zou dat ? En Naaman stond op het punt in de hoovaardigheid zijner kracht die kleine middelen te verachten, en melaatsch voor zijn leven te blijven. Of waren niet de Abanah en Pharpar nog wel zoo schoone vloeden om Damascus, als die half uitgedroogde Jordaan?

En juist zoo staat ons natuurlijk verstand tegenover de Sacramenten.

Ze zijn ons te weinig beduidend. Te onbeteekenend. Te eenvoudig. Te nietig. Wat zal nu toch een volwassen, ontwikkeld man daar publiek aan de Tafel gaan zitten, om dat kleine nietige stukje brood te nemen, en om zijn lippen aan den beker te zetten.

En toch juist daarin zit het.

Adams gehoorzaamheid wierd ook aan, o, zoo kleine zaak beproefd. Het plukken en eten van een enkele vrucht aan een volgeladen ooftboom. En toch viel om die zonde heel een wereld van God af.

En zoo moet ook hier de gehoorzaamheid van Gods kind juist in dit kleinere en nietige beproefd.

' Gij zoudt er uit uzelf niet aan willen. En juist daarom moet ge er aan. Yeel meer dan

in iets anders moet juist in Doop en Avondmaal uw gehoorzaamheid, uw onderworpenheid aan uw God beproefd worden.

Verstrik u dus nooit in de vraag, of het Sacrament ter zaligheid afdoet.

Dat is de afschuwelijke vraag van de geestelijke zelfzucht.

Want het is iets fraais, om te zeggen: Als ik wist, dat er mijn zaligheid onder lijden zou, dan ging ik stellig en trouw tot het Sacrament; maar nu onze zaligheid er geen schade van lijden kan, zoo ik het veronachtzaam, en het alleen maar een houden van Gods inzetting is, nu bekreun ik er mij niet om.

De liefde voor God spreekt: Ook al leed ik er schade bij, omdat het Gods inzetting is, ga ik toch tot het Sacrament; maar de zelfzucht rekent alleen met eigen profijt.

En dit nu noemden onze vaderen »de verachting van het Sacrament", of zooals het in Leviticus heet: »een smadelijk verwerpen van zijn inzettingen".

Een bitter kwaad, dat schrikkelijk in de kerke Gods is doorgedrongen, en waarvan de kerke Gods niet terdege genoeg kan gereformeerd worden.

Ze moet weer van de offerande van Saul naar de gehoorzaamheid van David terug; van

haar eigenwillig God believen naar het zich kinderlijk aan God onderwerpen.

De «hoovaardigheid onzer kracht" moet gebroken.

En juist dat geschiedt zoo goddelijk schoon in een uit gehoorzaamheid gezocht Sacrament.

Kuyper.

Amsterdam, 10 Oct. 1890.

De behoefte, ja, de noodzakelijkheid om de Gereformeerden in ons land weer in één kerkelijk leven saam te brengen, spreekt zóó gebiedend, dat de taaiheid, waarmeê de eenmaal gevormde toestanden zich vooralsnog mainteneeren, voor alle Christelijke conscientie een stuitende ergernis moet zijn.

Deze taaiheid is een zonde, die gehaat moet. Men mag er niet onverschillig tegenover staan. Ze moet bestraft. Er moet tegen getoornd. En wie onzer ook er zich op betrapt, dat hij bij zijn denken, spreken ot handelen in de strikken van die conservatieve taaiheid verward raakte, heefc er zichzelven over aan te klagen, zijn zonde klaarlijk in te zien, en zich te bekeeren van dezen onheiligen weg.

Dit volgt reeds uit het beginsel van ons Gereformeerd kerkrecht, dat principieel tegen het Separatistische en Independentistische overstaat.

Dit komt duidelijk uit, zoodra ge de Calvinistische beweging in de 162 eeuw vergelijkt met wat de Methodistische beweging in de 18e en 19e eeuw in Engeland en Amerika schiep.

De Methodistische beweging (waaronder we in algemeenen zin saam vatten al water na de nederlaag der Puriteinen, aan kerkformatie onder de Anglosaxen tot stand kwam) vergadert allerwegen groepjes van menschen, geeft aan deze groepjes een kerkelijke formatie, en bekreunt er zich in het allerminst niet om, wat door andere groepjes elders wordt geformeerd. Men bouwt huis naast huis, en is slechts bedacht op goede nabuurschap. Een standpunt, waarop de eenheid van het Lichaam van Christus geheel uit het oog wordt verloren, en de gemeenschap der heiligen eenvoudig voor niets rekent.

Dit standpunt hangt saam met het Semipelagianisme, dat door deze groepen gehuldigd werd, en rechtstreeks uit het Methodistisch standpunt voortvloeit. Whitfield is ondergegaan, Wesleys beginsel heeft getriomfeerd en moest triomfeeren, omdat hij alleen consequent was. Is toch de bekeering een daad enkel van 'smenschen vrijen wil, dan ligt het in den aard der zaak, dat ook bij de formatie der kerk, die uit de bekeering voortvloeit, de vrije wil zeggenschap heefc.

En zoo wordt er dan op kerkelijk en kerkrechtelijk gebied niet gevraagd naar beginsel; niet gerekend met de daden Gods; niet gehandeld naar zijn gebod; maar is men alleen bedacht op .zulk een inrichting die het meeste gemak oplevert, die het best past bij de bestaande toestanden, en wier instandhouding de minste inspanning kost.

Zelfs Spurgeon te Londen is van meet af dien begïnselloozen weg opgegaan, en plukt nu, evenals de Free Church, de wrange vruchten die het Semi-pelagianisme ook in deze kerkformatie geteeld heefr.

Dientengevolge is dan ook het getal groepjes en kerkjes van deze gading onder de thans levende generatie van het Anglosaxische ras al grooter geworden. Een bonte staalkaart zonder leidend beginsel en sadeeling. En dit kwaad blijkt zoo aanstekelijk, dat ook de Gereformeerden in Amerika, na verzaking van hun eigen beginsel, er door blijken aangetast. Ja, zelfs onder onze Nederlandsche Christenen in Amerika is hetzelfde kwaad in al breeder afmetingen uitgebroken.

Altoos maar weer een kerkje naast een kerkje; een groepje van geloovigen naast een ander groepje; en zoo gaat de deeling, splitsing en verbrokkeling voort en voort, tot ze ten leste alleen stuit op de onmogelijkheid, om door nog kleinere groepjes een eigen kerkgebouw en een eigen prediker te doen onderhouden.

Doch zie nu eens, hoe heel anders daartegenover het Calvinisme in de 162 eeuw optrad.

Toen in alle landen van West Europa, en zelfs in Hongarije, Bohemen en Polen, slechts ééne kerk van Christus, naar die kerk gereformeerd.

Toen rustelooze pogingen, om met de Luthersche broederen tot eenheid en verzoening te komen.

Toen een breede werkzaamheid, om door degelijke uiteenzetting der beginselen de Dooperschen van hun dwaalweg terug te brengen.

Toen in alle landen waar de Reformatie was uitgebroken, terstond een ernstig pogen, om de plaatselijke kerken classicaal en syno¬

daal te verbinden, zelfs al verschilden ze in taal.

Toen tusschen de kerkengroepen in onderscheidene landen een levendig verkeer; gestadige briefwisseling; rusteloos contact; een saamwerking om op het stuk der be lijdenis en der kerkregeering één gang te gaan.

Kortom toen niet het optrekken van groepjes, die naast andere groepjes een huis huurden, en nu nabuurschap pleegden, maar allerwegen het besef, dat men leden van de ééne kerk van Christus was, en dat wie saam de dwaling hadden afgeworpen, nu ook saam als vrijgemaakten in één huis leven moesten; niet om koude, koele nabuurschap te plegen, maar om te genieten in rijke, warme broederlijke liefde.

„Buren", of „zonen van hetzelfde huis" dat is de principieele tegenstelling, die tusschen het Methodisme en het Calvinisme ontstond, zoodra beide in het leven optraden; en die ook nu ten onzent door zal en door moet werken, zoolang er in Nederland nog echte principieele

Calvinisten leven, en hun nobel streven door de naweeën van het Methodisme wordt weerstaan.

Kerken, die metterdaad Gereformeerd in belijdenis zijn, en het niet slechts heeten, kunnen niet duurzaam naast elkander blijven staan. Ze moeten één worden.

Zelfs het formeele kerkrecht bewijst dit.

Raadpleegt men toch de oude Gereformeerde kerkenordening, die inde 16e eeuw hier te lande ontworpen wierd, en in 1619 nogmaals bekrachtigd, dan bespeurt men terstond, hoe de geheele regeling van het leven der kerken door onze oude Gereformeerden elke Sonderbündelei uitsluit.

Pelagius heeft hier niets te zeggen. Er heerschen beginselen, en in die beginselen spreekt de wille Gods.

Daarom moest elk belijder zich bij de kerk voegen, en mag niet op zichzelf blijven staan. Maar zoo nu ook moet elke kerk zich niet bij een, maar bij de classis voegen, en mag niet op eigen wieken drij¬

ven. Én zoo ook moet elke classis zich aansluiten niet bij een, maar bij de synode, en mag geen eigen kring vormen.

Twee classicale vergaderingen van Christeliike Gereformeerden en Nederduitsche Ge¬

reformeerden naast en tegenover elkander is alzo o in strijd met de Dordsche kerkenordening; en twee synodale bijeenkomsten, de ééne te Kampen en de andere te Utrecht

mag niet.

Dit mag en kan wel op Methodistisch standpunt, als er groep naast groep staat, en als buur naast buur leeft; maar mag niet onder de Christelijke en Nederduitsche Gereformeerden, die twee saamhoorende deelen van^ één ^ geheel zijn, en als zonen van eenzelfde huis saam behooren televen.

En staat alzóó de eisch, die door het beginsel van het Calvinisme en door het formeele kerkrecht gesteld wordt, — de roeping die de Calvinisten in dit goede land van Godswege ontvingen, spreekt zoo mogelijk nog sterker.

Niet gij hebt uw heerlijke Calvinistische belijdenis zelf gekozen of genomen, maar God de Heere betrouwde ze u toe. Hij gaf, Hij schonk ze u, en dus misbruikt en ver-

zondigt ge haar, zoo ge er iets anders mee I doet dan datgene waarvoor Hij ze u gaf. Ontvangt ge nu deze heerlijke belijdenis j

alleen, om aan uw eigen ziel zeker geeste j lijk genot te bereiden, en u op de eene of andere manier een kerkelijk huishouden mogelijk te maken, dan natuurlijk kunt ge doen wat de Methodisten deden, en naar eigen goedvinden over uw kerkformatie en over uw nabuurschap met andere kerkformatiën beschikken.

Maar toont reeds de aard van het Calvinisme zelf aan, dat dit niet zoo is ; ziet ge in hoe in het Calvinisme een beginsel geboden is, dat een eigen woord heeft voor kerk en maatschappij, voor staat en burgerij, voor school en universiteit, voor kunst en wetenschap; en weet ge uit de historie, hoe én in ons eigen land én onder andere volken, het Calvinisme optrad als een geestesrichting, die de eere Gods onder alle rangen en standen, in eiken kring en op elk terrein, onder rijk en arm uitdroeg; — dan kunt, dan moogt, dan durft ook gij de waarheid niet langer ontkennen van het feit, dat God ook u nogmaals ditzelfde Calvinisme toevertrouwde, opdat het ook thans een rijke en gezegende uitwerking op geheel den strijd der geesten hebben zou.

Dan ligt in de belijdenis van het Calvinisme, die God u betrouwt, met name voor uw eigen volk en vaderland, van Godswege de heilige roeping, om op sociaal en politiek gebied, op het terrein van het persoonlijk en huiselijk leven, in school en wetenschap, de geheime kracht weer te laten uitvloeien, die door den hoogen zedelijken ernst en de principieele opvatting, waarop het Calvinisme zich beroemen mag, steeds schitterde waar het triomfeeren mccht.

Dan rust op ons de schooue taak, om door broederlijke vereeniging van krachten, een geslacht in de lagere en in de hoogere standen aan te kweeken, dat door den ernst van het Calvinisme gestaald en door zijn machtigen zin tegen fanatisme gevrijwaard, een zedelijke kern in het midden der natie kan vormen.

Dan is het onze schuldige plicht, de jonge mannen van talent en aanleg en godvruchtigen zin, van jongs af, door alle stadiën van het onderwijs henen, zóó te^vormen en op te leiden, dat er in een volgend geslacht, op elk terrein van invloed, kundige,

talentvolle mannen gereed staan, om den strijd voor de waarheid aan te binden en den gang van het volk te helpen leiden.

Staan thans de Calvinisten, ten gevolge van degeleden onderdrukking en achteruitzetting, nog inde achterhoede, welhaastmoet de tijd komen, dat de Calvinisten voor alle ambtelijke en invloedrijke betrekkingen uitnemende candidaten kunnen aanwijzen; in de pers en op het terrein der wetenschap een onweerstaanbare kracht openbaren; en door hun degelijkheid en kloekheid van karakter den tegenzin te boven komen, die hun thans nog telkens in den weg treedt.

Zoo schoon is het doel, zoo grootsch is de roeping, zoo heilig het belang dat ons wenkt.

En zou het dan geen zonde, zou het geen schromelijke schuld voor God, zou het geen zich bezondigen aan onze nationale toekomst zijn, indien de Calvinisten in Nederland, in steê van voor zoo heerlijke zaak ijlings de handen ineen te slaan, en jubelend in den Naam des Heeren op te trekken, in kerkelijke kibbelarijen, kleine benijdingen en kinderachtige prikkelbaarheden hun kracht verspilden, en als straf

voor die zonde een kans lieten verloren gaan, die zoo zij nu verspeeld wordt, misschien nimmer terugkeert.

Van onderscheidene kanten klaagt men over de ongelijkmatige verdeeling van de

in Nederland beschikbare predikanten over de onderscheidene deelen des lands.

En die klacht is alleszins gegrond.

Soms vindt ge in een betrekkelijk niet zoo groot dorp drie a vier predikanten, die elk in een eigen kerkgebouw prediken; en dan weer vindt ge drie, vier, soms acht dorpen in een zelfden ring, waar niet één enkel predikant woont.

Maar hoe gegrond die klacht ook zij, toch mag ook hier gevraagd: „Aan wie de schuld?"

„Och, dat ge koud of heet waart," dus luidde het woord van den Christus tot de Laodicea-kerlt] °s, „ziet, omdat ge noch koud

noch heet zijt, zal ik u uit mijnen mond uitspuwen."

En als men nu ook ten onzent met deze eindeloos vacante kerken van naderbij kennis maakt, dan vindt men maar al te dikwijls, hoe ook daar Laodicea haar tente heefc opgeslagen.

Men heeft er zich geërgerd voor vijftig jaren, toen het gerucht van de Afscheiding door het land ging. Zoo'n dolzinnigheid, om tegen de kerkelijke overheid in verzet te komen, en de kerk der vaderen te verlaten ! Van die Gescheidenen moesten ze niets hebben. En toen vijftig jaar later de Doleantie uitbrak, kwam in deze voldane lieden weer hetzelfde gevoel van zelfgenoegzaamheid op. „Neen, aan zoo iets deed men in hun dorp gelukkig niet mee. Dat liet men over voor broeinesten van dweperij en onverdraagzaamheid. Zij, in hun dorp, waren lieden des vredes!"

En zeker, als men de zeer diepe ellende kent, die in meer dan één dorp het gevolg der kerkelijke agitatie was, zou men bijna onder de bekoring komen van dezen landelijken vrede en Vondels Leeuwendalers nog eens opslaan.

Miar als men dieper ziet, en nog eens ernstig aan dit ontzettende woord van Laodicea denkt, houdt die bekoring toch op haar kracht op ons te oefenen, en beseffan we, dat wel deze kerkelijke tweespalt allerellendigst is, maar dat er toch een nog

rWn kan komen.

als er een reulce gaat heerschen als van hetj graf.

En toch aan dat droeve punt is Iflefla£lf i van deze aldoor vacante dorpen 111 te na toe. , -e t

In die dorpen, waar men thans ö ^ meer predikanten vindt, heeft zeer .1 dat verbloemen we niet, kerkelijke J zie gewerkt en de tweespalt doet ve^ ^ kwaad, maar er was in deze dorpe ^ toch ten minste kerkelijk leven. jjé er voor zijn religie wat over gehad. ^ heeft niet gesluimerd en geslapen ^ voor zijn religie gestreden en gelede"' was er niet de dood in den pot. $ Er was aas in deze dorpen. En d i vergaderden er zich de arenden. j^i En dat nu die andere dorpen f> J herderloos zijn, en gedurig en telke"s 2jj vacant zijn, is zeker niet zooals moet, maar toch voor een groot ge gevolg van eigen schld. _ < e<

Men zonk in en sliep in. Er wief jj leven van kerkelijke schimmen gelei' ■ leven ontbrak er. En daarom gaat mer'

, dorpen voorbij, t d

Anders staat het daarentegen

dorpen, waar men wel terdege °P" | en op alie manier zijn belangstelling ^ kerkelijk leven toonde, maar vacant J omdat er vooralsnog geen geschikte P kanten te vinden zijn.

Vooral een groot deel der V^eC ► kerken lijdt hieronder. fljl

Een tweehonderdtal van deze ker» j nog vacant, en zelfs in grootere s^£ moet men zich met nog een veel te aantal predikanten behelpen. Zes Pre°jj ten voor Amsterdam, vier voor twee voor Utrecht, één voor Ar*1*1 ongerijmd.

Doch wat hieraan te doen? J

Toen de kerk voor nu achttien ee t pas de wereld inging, had men te len met hetzelfde euvel. Er stonde*1 ( candidaten gereed. Toen Europa t° j Chiistus bekeerd wierd, deed zich i*1 , landen benoorden de Alpen hetzelW brek gevoelen. En tijdens de Ref°f;[)( der i6e eeuw stuitte men in niet mate op deze pijnlijke moeilijkheid-J® ■ teen de tweede Reformatie in 1834 7 j' had men jarenlang nogmaals met he1 kwaad te worstelen. -e|

Dat komt dan later wel terecht. J omstreeks 1600 zijn onze meeste * van leeraren voorzien, en de Christ. J kerken tobben nu reeds, vijftig jaar optreden, zoo weinig met vacaturen, ons nog eenige leeraren konden a' 1 iets wat niet genoeg op prijs kan gesteld. En zoo zal men ook bij de -K 1 renden zien, dat na niet zoo lange JJ alle plaatsen onder hen behoorlijk jj zijn en de goede dagen zullen aanbf } waarin lang niet elk candidaat n* dadelijk geplaatst wordt; iets wat s verkeerd werkt. , !

Doch imiddels is de toestand v°oi t len van deze kerken pijnlijk. Zofl"e J eigen leeraar is men kerkelijk niet ^

dig. De Dienst des Woords en der j menten is in ons kerkelijk leven " zaak. En een enkele beurt van een pre buiten af, en dan een leesbeurt, j3'^j geeft wel iets, maar het is toch het niet. En dan eerst voelt een dorp^ zich op haar gemak en in haar eig^ doen, als ze een vasten prediker ^ die in haar midden woont en haaf gaat. e]j

Het is dan ook volkomen begr'JP' j dat men steeds luider in onze ^ J kerken gaat klagen; en dat men io

1 et £v

ÖCI1, WcxcLL CC1I ClgCII iCCl ddl 15, ^

eens over klaagt, dat de vacante geme zooveel van zijn tijd rooven.

Zeer terecht heeft men daarom 0° gezien, dat het onder zulke except'-0.^ omstandigheden goed was, zijn toev . ook tot buitengewone middelen te Pe9

Buitengewone, middelen, zooals het stellen van Dienaren des Woords Art. VIII; het laten optreden van °e^e?J die op eenigszins vasten voet aan den ( raad verbonden waren; het beroepe"1^ predikanten uit de Christ. Geref. of van andere vrije kerken; het tij J combineeren van een kerk met een ^ buurde kerk, enz. En al mag het g i niet voorbijgezien, dat altoos van deze e- . tioneele middelen onafscheidelijk is, toch 1 het voorbeeld onzer vaderen, en het (j beeld ook der Christ. Geref. kerke"' een ongewone hulpe vaak beter isda"^ hulpe, en dat al te puristisch zijn te^ ^ op den dood van menige plaatselijk , uitloopt. J

Immers zonder buitengewone hulp^J men er niet. Zoolang toch het getal rende kerken per jaar met twintigtoeI5 tl en de Vrije Universiteit niet meerda candidaten heeft aan te bieden, WO1* f verhouding, ook zoo men ziekte en s t van predikanten buiten rekening schen de voorziene en vacante P'a steeds> ongunstiger. , £ 3

Het ontbreekt ons dus waarlijk een oog en een hart voor de schadu^ ^ die door het gemis aan predikanten, het kerkelijk leven der Doleantie v°° t nog rust. c

Maar juist daarom meenen we da^ de vraag te mogen stellen, of me» ' onderscheidene kerken en classes Vel,£j wat de hand vindt om te doen, om nood af te wenden. ^

Hoevele kerken zijn er niet, jj nog aan geen bijeenbrengen van ee11' hoorlijk traktement gedacht is, en <jj geen woning voor den te roepen pfe in gereedheid is gebracht. ft

En ook, hoevele kerken en classe5 ^ er niet nog, die voor de opleiding staande dienaren, o, zoo weinig, of misS niets doen, t

Hoe gemakkelijk kon niet elke classe. jaar aan één jongman van goeden aafl'e^j. middelen verschaffen om de studie te ginnen ot voort te zetten. Ook in de

Sluiten