Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

h m~ swbnosagöol >;oo ' -aid sbsziasgtO sfa tem 3^ 1. . ÉÉKPt v' " V

i..,.: ;/sy£. ifisM fid • ,;T£aijhsv iq8ï ai VAN DE ■ir.. ia j>" üos JsW gtnai sijBsinsgiO ab labnto s

Hei auteursrecht van den inhoud van dit blad wordt verzekerd overeenkomstig de wet van 28 Juni 1881 (Staatsblad N°. 124).

—-r-j—. ■TT7~^T=:T):j;.i.;0<.ifl j fljjs :: .ry^n^TTTT^;:--: uti'j ~*

Dit blad wordt geregelti des Vrijdags a.<ta de geabo^neer4<^

Zondag 30 Augustus 1891. N°. 714.

Inzendingen die later dan D o n d er dag 's namiddags te lï.urp worden oatv*aflg¥a ; .ysb a3 ^ : ;■>.

kunnen voor het nummer van die week niet meer in aanmerking Komen. ;.n v

Afzonderlijks

Abonnementsprijs: franco aaa huis. eer drie maanden ƒ 1.20.

nummers aan het Bureel 10 Cent.

Abonnementen worden aangenomen door alle Boekhandelaren, Postdirecteuren eaz. en aan het Bureel te Amsterdam.

Advertentiën: van 1 tot 0 regels 80 Cent; voor eiken recel meer 15 Cent. Aanvragen en vermelding van liefdegaven en Verslagen van Vereenigingen 10 Ct. per regel.

I)«n öc danhbaart)etö.

ZOMDAGSAFDEELING XXXII.

I.

Ik heb lust, o mijn God! om uw welbehagen te doen; cn uwe wet is in het midden mijns ingewands.

Psalm 40 : 9.

Naar veler heimelijken wensch, moest de Heidelbergsche Catechismus eigenlijk met Zondag 31 uit zijn. We zijn krank ten doode toe, en moeten genezen worden; we zijn verloren in onze ellende, en kunnen niet buiten een Verlosser; maar nu in de beide eerste deelen van den Catechismus die kanker onzer ziele is blootgelegd, en de Redder ten leven voor ons is getreden, ken het hierbij dan ook blijven, en had meer dan één dat derde deel van de Dankbaarheid liever weg.

Dit merkt ge het best aan de gewone prediking, builen den Catechismus om. Dan toch luistert het volk met open ooren, als onze reddelooze verdoemelijkheid voor een heilig God wordt aangetoond; en vangt het gretig de woorden van den spreker op, als „de volle Christus" wordt aangeboden; maar een predicatie over de goede werken, of de nakoming van een gebod, of de practijk van het gebed, ontsluit het hart maar even en pleegt zelden te boeien. Dit oefent vanzelf invloed op de tekstkeuze van onze predikers, en vandaar dat in de vrije beurten zeker tienmaal over ellende en verlossing wordt gepredikt tegen éénmaal over de dankbaarheid. Voor zoover er nog kennisse bij de gemeente wordt gevonden, raakt die kennisse dan ook 'meestal uitsluitend de stukken van het geloof, en schijnt het, alsof de machtige vraagstukken van het zedelijk leven, ' A wilt ge, van de practijk -der godzaligheid, zonder nadere onderrichting, veilig aan ieders goeddunken ter beslissing kunnen worden overgelaten. Dit is zóó waar, dat op de catechisatie van de leer der Dankbaarheid niet dan zelden, en dan nog meest uitsrst vluchtig en als terloops gehandeld wordt.

Metterdaad staan we derhalve met de geringschatting van het stuk der Dankbaarheid voor _ een diep ingrijpend en algemeen verschijnsel, dat ook ten onzent in Gereformeerde kringen steeds breeder afmetingen aannam.

Dit verschijnsel zelf be'aoort dus in zijn oorsprong te worden nagegaan, om te voorkomen, dat een dusgenaamd ethische reactie tegen dit gebrek, ons niet nog verder van de wijs brenge. Het is toch van algemeene bekendheid, hoe zich in tegenstelling met dezen cenzijdigen trek in vele Gereformeerde kringen, ook hier te lande, al meer een dusgenaamd ethische richting ontwikkeld heeft, die, zonder het te willen noch te bedoelen, toch feitelijk én het leerstuk van de E'lende én dat van de Verlossing verzwakt en verwaterd heeft, om de leer van het Gebod en hst Gebed, of korter gezegd van de practijk des Christendoms, tot het één en al van ons geloof te verheffen. Reeds de Methodistische ïichtiag had hiervoor den weg gebaand door de kennisse van onze ellende en verlossing bijster in te krimpen en tot eenige slgemeenheden te herleiden, om daarna den tamelijk vluchtig en oppervlakkig bekeerde terstond „aan het werk te zetten." Maar toch droeg dit „aan het werk zetten" bij den Methodist nog steeds een meer specifiek Christelijk

karakter. Dat werk toch, waartoe' men den „bekeerde" opriep, bestond bijna uitslui'.end in het toebrengen van andere zondaren. Die moestfti ; reeds als kinderen gelokt; allerlei traktaten moesten onder hen verspreid; in allerlei vereenigingen moesten ze ingeleid; en hoemeer de Methodist er in slaagde, zijn volgelingen van de gewone bemoeiing met de dingen der wereld af te zonderen, en hoe meer het hem gelukte tot dusgenaamde „Christelijke werkzaamheden" te prikkelen, des te uitnemender achtte hij zijn doel bereikt te hebben. Er kleefde aan den Methodist iets van den Doopersche. Hij plaatste den bekeerde zooveel mogelijk buiten de wereld, lokte hem op een eigen terrein, schiep op dat eigen terrein een breeaen kring van Christelijke werkzaamheden, en vormde zich een eigen denkbeeld van Christelijke praktijk, die meest in mijding en onthouding van wat oog, oor en mond streelen kan, gezocht wierd. Hiermeê is natuurlijk van verre niet bedoeld, alsof de goede, vrome Methodist, het gebod Gods en de leer der goede werken en de practijk des gebeds minachtte, maar wat v/el moet staande gehouden is, dat hij in de leer der Dankbaarheid niet de eigenlijke practijk van het Christendom zocht. Hieruit verklaart het zich dan ook, dat de Methodist ten onzent in veel Gereformeerde kringen ingang vond. Feitelijk toch kwam hij de eenzijdigheid van vele Gereformeerden ten opzichte van het derde deel van den Catechismus in het gevlei.

Geheel anders daarentegen stond hierin de ethische richting, van wie veilig mag gezegd, dat in de leer der goede werken voor haar het zwaartepunt lag, en dat Ellende en Verlossing voor haar slechts dienst deden als voorportaal, om tot de werken te komen. Men beseft dit het sterkst, zoo men let op de geheel averechtsche verhouding, waarin de Ethischen de reehtvaardigmakin% en de heiligmaking tot elkander plaatsen. Want, ja, ook zij spreken nog nu en dan van de „rechtvaardigmaking," omdat de Heilige Schrift hierop zulk een nadruk legt, en vooral de Luthersche Reformatie (waaraan ze veel nader staan dan aan de Calvinistische) dit punt zoo op den voorgrond plaatst, maar toch merkt men aan alles, dat de rechtvaardigmaking in hun schatting een post is, die weinig meer dan pro memorie wordt uitgetrokken, terwijl de heiligmaking bij hen het één en al is. En deze „heiligmaking" wordt dan nog meestal opgevat niet als een genadige inwerking, als vrucht van Christus' kruisverdienste, maar veel meerals een zeltheiliging, waardoor wij onzerzijds den Christus nader komen; iets waardoor in den grond geheel de leer der verlossing wordt ondermijnd.

Doch zelfs daarbij blijft het niet. Immers ook waar deze Roomsche opvatting van de heiligmaking, en haar verwarring met de rechtvaardigmaking veld wint, blijft toch altoos het doei van deze „goede werken" nog de „beërving der zaligheid". Er is dus nog altoos sprake van verloren zondaren, die op die wijs zich inspannen, om het eeuwige leven te verwerven. Alles doelt dan nog op het winnen van de' kroon, op het verwerven van de zaligheid. Maar ook dit liet de ethische richting reeds lang varen, toen ze de heiligmaking almeer deed ondergaan in wat ze noemt het „zedelijk leven". Dat zedelijke leven is haar het eigenlijke doel van 's mer.schen aanzijn.

Wie als zedelijk vezen tiert en bloeit is reeds daardoor wr. -achtiglijk vroom, en alle vroomheid. < deze vrucht niet

gekc-.d wocuï, is, ïu ï&ar oog waardeloos. Wel geeft ze nog toe, dat het de gemeenschap met Christus is, die tut een hooger standaard van zedelijk leven cyheft, en ten deele zelfs, dat alleen de gemeenschap met Christus de banden slaakt, die ;ie ontplooiing van ons zedelijk leven tegenhielden; maar feitelijk is het toch altoos weer dat vrijgemaakte, en tot hooger standpunt opgevoerde zedelijk leven, waarin ~'j de heiligmaking laat opgaan, en waaraan ze ten slotte elk ander bestanddeel van het Christelijk geloof dienstbaar maakt. Het is haar deswege dan ook tamelijk onverschillig, of de leerstukken van onze ellende en van onze verlossing grootendeels opgesmolten en in nieuwen vorm gegoten worden, zoo dit ééne maar blijft, dat zich een ijk zedelijk leven ontwikkele, in dien verhoogden vorm, waartoe de Christus dit zede ij* leven in den mensch heeft opgevoerd. I!e kennisse en de belijdenis doet er dan minder toe, zoo men maar rijk zij in gofde intentiën en geoefend in heilige wilsk acht.

Zonder nu in efflig opzicht de uitnemende krachten, die zich op die wijs ontwikkelden, te willen: miskennen, noch ook de goede intentiën, rie hierbij werkten, in min gunstig licht tv' willen stellen, dient toch uitgesproken, dst geheel deze ethische richting 'lijnrecht tegen het wezen der Gereformeerde belijdenis overstaat, en dat niets zonderlinger npch raadselachtiger is, dan voorstanders dezer richting te ontmoeten, die zich aandienen als leeraars in Gereformeerde kerken. Ze zijn de tegenvoeters van de Geseformeerde belijdenis. Rechtstreeks ««/z'-Ciivinisten. Zoo scherp en vlak tegen Cal - .j* overstaande en ingaandf; > dst nor1- "r :ï- - 1 " ■'■ "= tegenover elkander ,:a staan.

En toch is wel in te zien, waarom menig ethisch godgeleerde dit niet aanstonds doorzag, en mede als gevolg van gebrekkige kennis der historie en der dogmatiek, een tijdlang, geheel te goeder trouw, zich kon inbeelden en staande houden, dat juist hij het echt Calvinistisch beginsel tegenover de „ziekelijke richting" onder de Gereformeerden bepleiten kwam. Immers hij kon, zonder vrees voor tegenspraak, er op wijzen, hoe onze Catechismus alles op de leer der dankbaarheid in het gebod en het gebed deed uitloopen;hoe Calvijn steeds op de practijk der godzaligheid vollen nadruk had gelegd en hoe niets zoozeer als een bloot verstandelijk belijden tegen het wezen van het altoos mystieke Calvinisme indruischt; terwijl anderzijds in tal van Gereformeerde kringen juist dat stuk der Dankbaarheid verwaarloosd, in de Gereformeerde prediking veelszins veronachtzaamd werd, en dientengevolge de zedelijke macht, waarin eens*de kracht van het Calvinisme blonk, bij de tegenwoordige Gereformeerden zoo veelszins verdonkerd is. Welnu, juist om dit kwaad te stuiten, en alzoo het Calvinisme in zijn oorspronkelijken luister te herstellen, legde zulk een ethisch man nu op het zedelijk l-ven allen nadruk; en wie zou hem dan hetrecht betwisten,om staande te houden, dat hij juist het nobelst opkwam voor de eere van Calvijn. De vertoogen voor nu tien en twintig jaar in dien geest geleverd, zijn bekend, en het moet toegegeven, dat ze bij den eersten oogopslag veel schijn van waarheid hadden. Ze reageerden tegen een onloochenbaar kwaad; namen het terecht op voor den zedelijk, n ernst, die geheel

de Calvinistische Reformatie gekenmerkt heeft; alleen maar ze dienden aandekranken onder de Gereformeerden een zeer verkeerd en hoogst gevaarlijk medicijn toe, omdat ze den aard der ziekte niet doorzagen.

? S

Slechts zeer kort duurde dan ook de sympathie, waarmeê aanvankelijk de uitnemëndsten, onder de Gereformeerde belijders, het opkomen der ethische richting begroetten. Een oogenblik, ja, waanden ze metterdaad, dat de echte zenuw van het Gereformeerde leven in de mannen dezer richting weer trilde. Vooral in den eersten tijd, toen deze mannen nog minder in hun philosophisch gewaad te voorschijn traden, en zich nog nauwer aansloten aan de uitdrukkingswijzen, die onder de Gereformeerden van geslacht op geslacht waren overgeleverd, beeldden ze zich metterdaad in, dat deze godgeleerden weer frisscher en zuiverder wateren door de oude bedding zouden doen loopen. De toenmalige Rotterdamsche predikant Chantepie de la Saussaye, en zijn uitnemendste leerling, de tegenwoordige hoogleeraar Gunning, wekten bij hun eerste optreden daardoor, o, zoo schoone verwachtingen. Maar de begoocheling duurde niet lang, en wie den afstand meet, waarop de tegenwoordige hoogleeraar Chantepie de la Saussaye als theoloog van zijn zoo rijk begaafden vader staat, kan niet ontkennen, dat de kundiger Gereformeerden, die al spoedig lont roken, juist zagen. Neen, men had in deze ethische richting in geen enkel opzicht met een ontwikkeling van het Calvinisme te doen. In deze richting kwam een streven aan het woord, waartegen heel Calvijns persoon en werk protest indient. Deze richting dankte haar aanzijn aan de

poging, om, na het bankroet van de doolger&akt\: ccn punt van vastheid,

buiten de kennisse om, in den wil te zoeken, en voorts onze Christelijke belijdenis achter een philosophisch gaas tegen den vernielenden invloed van giftige insecten te beveiligen. Haar beroep op de leer der Dankbaarheid miste daarom, hoe goed bedoeld ook, alle innerlijke waarheid. Wat zij heiligmaking noemde, was geheel iets anders dan de Evangelische heiligmaking der Schrift. En voor zoover ze de klip van het Verbond der werken ontweek, verviel ze in een naturaliseering van het zedelijke leven, en moest, om dit zedelijk leven te redden, zelfs de belijdenis van den mensch Christus Jezus, als God te prijzen in der eeuwigheid, omgezet in de beschouwing van Jezus als een Godmenschelijken persoon.

De uitkomst toont dan ook, hoe deze richting volstrekt onmachtig is gebleken, om aan de geringschatting van het derde deel van den Catechismus een einde te maken. Want wel heeft ze velen uit de Gereformeerde kringen weggelokt en allengs geheel aan hun Gereformeerde belijdenis doen afsterven; maar nergens viel te bespeuren, dat ze de „ziekelijke richting" onder de Gereformeerden, gelijk ze die gaarne noemde, genas. Eer integendeel is het feit onloochenbaar, dat deze averechtsche reactie, door de buitensporigheden waarin ze verviel, het kwaad verergerd en de eenzijdige opvatting in vele Gereformeerde kringen verscherpt heeft. Ook aan haar bleek toch, hoe ook zij er steeds toe neigde, om het zwaartepunt van God naar den mensch te verleggen, en dit moest de tegenstanders wel stijven in hun opzet, om tot eiken prijs hun strijd voor de eere van Gods werk in onze verlossing

te blijven handhaven. Zoo geneest men geen wonde, maar verergert ze. En w'ist

i men er op, dat, dank zij deze ethische

richting, dan toch velen, die zich aan een slordig leven gewend hadden, tot een frisscher, zedelijker opvatting gekomen zijn, dan betwisten we dit niet, maar vragen op onze beurt, of de heidensche Cato in dit opzicht niet verre boven David stond, en of toch niet David oneindig meer dan Cato een instrument in Gods hand is gebleken, cm diep gevoeld religieus leven in geslacht na geslacht aan te kweeken. Men ziet dan ook, hoe de Ethischen, die zich eerst zoo gaarne als de echte zonen van Calvijn aandienden, zich eerst met de Groningers verbroederden, en daarna met de Modernen een vriendelijken groet wisselden, terwijl ze geëindigd zijn met de fiool van hun bitterheid het mildst uit te gieten juist over de Calvinisten.

Waar ook wij onzerzijds voor de eere van het derde deel van den Catechismus opkomen, versta men dus wel, dat niets verder van ons ligt, dan een poging, om bij onze verdere behandeling het zaadkoren der ethische richting uit te strooien op den Gereformeerden akker. Veeleer komen we er rond voor uit, dat de sterkste tegenpruttelaar tegen dit stuk der Dankbaarheid ons altoos nog nader staat, dan de uitnemendste tolk der ethische richting; iets wat natuurlijk niet gezegd is met het oog op beider persoonlijk zielsbestaan, waarover ons geen oordeel toekomt, maar met het oog op de belijdenis, die ze verdedigen en het standpunt dat ze innemen.

De hoogmoed zit den zondaar zóó diep in het hart, en het kost ons zoo ongelooflijk veel, om niet in naam, maar in der waarheid, aan God den Heere de eerste .1 d< eenige plaats in het werk onzer zaliging toe te kennen en te laten, dat een eenzijdigheid, die naar de eere Gods trekt, altoos duizendwerf minder gevaarlijk is, dan een eenzijdigheid die ons trekt naar den kant des menschen. Al zulk „zedelijk leven" blijft in zijn diepsten wortel ongodvruchtig, onvroom en ongodzalig, en is voor de vierschaar Gods nooit van onzedelijkheid vrij te pleiten.

Maar evenmin mag deze averechtsche zwenking der Ethischen ons ooit verleiden, om in de belijdenis der waarheid als zoodanig deze vromer eenzijdigheid tot een geloofsartikel te verheffen en alzoo in de waarheid als waarheid op te nemen. Onder de volgelingen van wijlen onzen vriend Dr. Kohlbrügge heeft men dit vaak gedaan, en de wrange vrucht is niet uitgebleven. Dusdoende toch heeft men veel dolende zielen in haar kwaad gestijfd en vastgezet, in stede van teeder en toch manlijk de dolenden terug te roepen naar zuiverder paden. Plicht en roeping blijft het, voor elk dienaar van het Woord, en dus ook voor elk godgeleerde, wien het gegund wordt, in geschrifte voor de waarheid Gods te pleiten, onverkort en onverminkt de volle waarheid Gods tot haar recht te laten komen.

Ook onzerzijds sluiten we daarom het oog niet, voor het altoos droeve feit, dat dat derde deel van den Catechismus in vele Gereformeerde kringen te licht wordt geteld, niet genoeg inwerkt op het geloofsleven, en daardoor den oogst, die voor de eere Gods kon rijpen, minder maakt; maar dit is het verschil, dat wij ons niet met zekere hoogheid tegenover onze dolende en eenzijdige broederen plaatsen, maar veel-

JD* martelaren.

LVI,

Gi l DE BRAY (DE BRES).

Geen naam uit het martelaarsboek is bij den belijder der waarheid naar Gods Woord in ons vaderland meer bekend dan die van Guy de Bray (verkeerdelijk meestal de Eres genoemd), den opsteller van onze schoone geloofsbelijdenis.

Toen hij geboren werd, waren er nog slechts vijf jaren verloopen, sints de monnik van Wittenberg met zijne 95 stellingen tegen den aflaat was opgetreden, en een jaar, sints hij voor keizer en rijksgrooten de goede belijdenis had afgelegd, welke in de treffende woorden geëindigd was: »Hier sta ik, ik kan niet anders, God helpe mij Amen."

In Mons (Henegouwen) heeft onze martelaar het levenslicht gezien. Zijn vader Jean de Bray (ook wel Jean du Béguinage genoemd, naar zijne woonplaats le Béguinage) oefende aldaar het bedrijf van blauwschilder uit. Behalve Guy had hij minstens nog drie zonen en eene dochter. Ofschoon in Guy's geboortejaar 1522 de waarheid naar de Schriften bij niet weinige burgers van Mons bekend was, hield het huisgezin van de Bray zich nog aan de Paapsclie leerstellingen. »Toen gij mij onder het harte

droegt, liept gij de stad Mons door achter eenen Italiaansclien monnik en straatprediker," schreef Guido de Bray later aan zijne moeder. Hieruit blijkt, dat ten minste de moeder des gezins eene trouwe dochter van Rome was, die hare kinderen wel daarbij zal opgevoed hebben. De martelaarsboeken vermelden ook, dat onze Guy in zijne jeugd goed Roomsch was. Doch door eene aanhoudende lezing van verschillende geschriften der hervormers kwam hij, onder 's Heeren genadige leiding tot de waarheid des Evangelies."

Na de school verlaten te hebben, leerde hij een ambacht nl. het glasschilderen.

Wanneer de bekeering bij onzen martelaar heeft plaats gehad weten wij niet. Een zijner jongste levensbeschrijvers vermoedt tusschen zijn 18e en 25e jaar. Waarschijnlijk heeft eene vervolging tegen de Protestanten, in zijne vaderstad omstreeks 1548 uitgebroken, hem naar Engeland gedreven. Daar was hij vooreerst, dat wil zeggen gedurende de regeering van den vromen Eduard VI (1547 — ISS3) veilig.

Kort voor den dood van Eduard in 't jaar 1552, begaf De Bray zich weer naar zijn vaderland, »ömdat hij verstond, dat men het Evangelie in de Nederlanden wat gehoors begon te geven " Als rondreizend prediker trad hij in verschillende plaatsen op, om meestal aan »kleine hoopkens" christenen het Evangelie te prediken. In het begin van 1553 kwam hij te Rijssel aan. De gemeente aldaar werd de hoofdplaats zijner werkzaamheid. Van 1553—1556 bleef hij er, hoewel niet uitsluitend, en — zoo schrijft het martelaarsboek — en van dien tijd aan nam hij (ook) eenen strijd op tegen de secte der Weder-

doopers". Tegen hen schreef hij zijn »Staf des Christelijken geloofs", dar in 1555 te Lyon verscheen.

Den 6en Maart 1556 brak een geweldige vervolging uit te Rijssel. De familie Oquier (vader, moeder en twee zonen) werd gevangen genomen en na haar nog vele anderen. De overigen vluchtten en onder dezen behoorde De Bray. Hij trok naar Frankfort a. d. Main, volgens sommigen over Gent. Daar trad hij met ijver wederom op tegen de Wederdoopers, die hem niet weinig haatten. Daar leerde hij mannen als h. Lasco kennen, ja misschien ook Calvyn en Jean Crespin, den schrijver van het Fransche martelaarsboek. Van Frankfort toog onze martelaar in 1556 of 1557 naar Zwitserlanden bezocht hij Lausanne en Genève, ten einde zich te bekwamen voor den dienst des Woords, waarvoor zijn hart brandde, waartoe zijne moeder hem, toen zij onder het gehoor van den monnik stond, zij 't ook in eenen anderen zin (als pastoor nl.) bestemde onder aanroeping van 's Heeren naam. f e Genève ging hij wederom vriendschappelijk om met Crespin, »met wien hij later in briefwisseling trad en door wien hij werd aangezocht medewerker te worden aan een nieuwe uitgave van den »Historie der martelaren , wat hij ook deed. .

Drie jaren bleef de Bray buiten 's lands. Eerst in 1559 ontmoetten wij hem weer in de Nederlanden en wel te Doornik, waar hij in het huwelijk trad met Cathenne Kamon, met wie hij zeven jaren verbonden is gebleven. Den 31 en Aug. 1560 werd uit dit huwelijk hun eersteling, een zoon geboren; Israël werd hij genoemd.

Van 1559 tot 1561 vinden wij onzen martelaar te Doornik, Valenciennes en Rijssel. Eerstgenoemde plaats was

wel het hoofdtooneel zijner werkzaamheden, maar hij was predikant van deze drie plaatsen, wier geloovigen samen een gemeente vormden. Zijn tractement bestond voorts uit hetgeen in elke bijeenkomst werd gecollecteerd. De samenkomsten der gemeente waren zeer geheim, niemand kreeg daartoe toegang, voordat men overtuigd was, hem geheel te kunnen vertrouwen. Daar werd gepreekt, avondmaal gehouden en gedoopt.

De leden der gemeente deden belijdenis des geloofs en zwoeren daarbij Rome af. Behalve deze vergaderingen der geloovigen werden nu en dan samenkomsten gehouden waartoe niet-leden werden genoodigd, om ze met de waarheid Gods bekend te maken. Zij hadden 's avonds plaats onder het avondeten. Over de reformatie werd niet of weinig gesproken, maar gebeden en gedankt voor en na den maaltijd en een enkel woord der Schrift uitgesproken. Onder de Bray's prediking nam de eigenlijke gemeente van Doornik zeer toe. Daar kwam zelfs bij vele harer leden eene sterke begeerte, om openlijk op te treden en wel met het zingen van psalmen. De Bray ried dit af, maar kon niet keeren dat den 29en Sept. 1560 van 's avonds 8—xo uur en den daaraanvolgenden avond te 7 uren op de straten van Doornik door mannen en vrouwen, inwoners en vreemdelingen, de psaMën door Marot vervaardigd werden gezongen.

(Wordt' 'Heréolgd)

n-•' " -1 i 'ü ; m

De Gaay Fortman.

•■'sVVi'j- r?ff rt rf'jol n i

Sluiten