Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

.Ili'ltiMisf*

VAN DE

tt„«. i.„.- x.<- /};<- kioA nrat-rlf /■%,,«^Trrtmcticf rif» wpt van oR Tnnï tRSt (£t/int*h7/iA KT°

Dit blad wordt geregeld des V r ij d a g s aan de geabonneerden verzonden. _ Biidrapets -van medewerkers, ingezonden stukken en alles wat verder den inhoud fsc dit blad betreft, te adresseeren aan de SEDAOTIK. Abonnementen en Advertenties ian de ADMINISTRATIE van Ba Heraut» Amsterdam

inzendingen die later dan Donderdag 's namiddags te 12 ure worden ontvangen kunnen voor het nummer van die week met meer in aanmerking nomen.

Zondag 23 Ocfcober 1892. f °, 774.

Abonnementsprijs: franco sas huis, per drie maanden ƒ1.20. Afeonderl k® aummers aan het Bureel 10 Cent.

Abonnementen worden aangenomen door alle Boekhandelaren, Postdirecteuren ea*. cn aan het Bureel te Amsterdam.

Advertentian: van 1 tot 8 regels 90 Cent; voor eiken regel meer 16 Cent. Aanvragen en vermelding van liefdegaven en Verslagen van Vereenigingen 10 Ct. per regel.

Cjet vijftri

ZONDAGSAFDEELING XXXIX.

Gij kinderen, zijt uv. cn ouderen gehoorzaam in alles, want dat is den Heere welbehaaglijk.

Coloss. 3:20.

III.

Het huisgezin bond God door twee middelen saam, het ééne lichamelijk, het andere geestelijk; en zulks geheel in overeenstemming rast onze natuur, daar we immers een ƒ menschelijke natuur ontvingen, die bestaat ' uit lichaam en ziel. Voor het huisgezin nu ligt die lichamelijke band in de geboorte van de kinderen uit hun ouders; en legt de Heere dien geestelijken band, door aan de kinderen te bevelen, dat ze hun ouders gehoorzamen zullen. -En is nu op die wijs eenmaal het tweeledig snoer om het huisgezin gelegd, dan gaan die beide middelen tot samenbinding ook door voor de natiën en volkeren; want ook in het volksleven vindt ge dien tweeledige** band; eenerzijds dat een natie verwant is in het bloed door haar oorsprong, en ten andere, dat ze aan een zelfde autoriteit te gehoorzamen heeft.

Uit dien hoofde is het van het uiterste belang, dat én de beteekenis én het onderling verband van deze beide fundamenten, waarop onze menschelijke samenleving rust, ons helder voor oogen staan.

In onzen tamelijk egoïstischen tijd dringt men allerwegen op liefde; en meent zoo oox voor het huisgezin en de samenleving liet rijkste te hebben aangebracht, zoo men liefde kweekt. Dit is zoo waar, dat, zoo ge den moed hebt, om op dat panacé ook maar iets af te dingen, men u aanstonds als een hatelijk mensch raroept; En toch, wie op den bodem der Heilige Schrift staat, moet tegen dit panacé der liefde wel protesteeren; want in Gods Woord wordt voor de saambinding", zoo van het huisgezin als van het volk, wel ten slotte op de hetde «edoeld, maar toch altoos van heel iets anders, namelijk van de gehoorzaamheid uitbegaan. En zulks volstrekt niet alleen in het* Oude Testament, maar even beslist in het Nieuwe Verbond. Lees en herlees maar de apostolische vermaning aan de kinderen en aan de onderdanen.

Dat op den voorgrond plaatsen van de wondere kracht der gehoorzaamheid gaat zelfs daar door, waar ge dit het allerminst zoudt verwachten. Waarom ontving de Christus een Naam boven allen naam, zoodat voor hem zal buigen alle knie en aller tong hem zal belijden ? Eeniglijk deswege wijl hij gehoorzaam is geweest tot den dood, ja den dood des kruises. Hoewel hij de Zone was, heeat hij nochtans gehoorzaamheid geleerd. Zijn spijze was het »den wil te doen Desgenen die hem gezonden had". En zijn gebed in Gethsemane smelt weg in de zïelsbetuiging: „Vader, niet mijn wil, uw wil geschiede." Ja, zelfs in het Onze Vader vindt de liefde als zoodanig in niet ééae bede haar uiting, maar wordt wel gebeden om de kracht om te kunnen gehoorzamen. „Vader, uw wil geschiede op aarde, gelijk in den hemel."

En als nu de apostelen van Jezus, met het Evangelie in het hart en op de lippen, de wereld ingaan, dan is natuurlijk oe uitwerking van het door hen gewekte geloof, dat er een rijke liefde gekweekt wordt, maar niettemin begint het altoos met den eisch, dat de zondaren het Evangelie gehoorzaam zullen zijn (2 Thess. 1 : 8); "worden de Philippenzen geroemd, »omdat ze te allen tijde gehoorzaam zijn geweest" (Phil. 2: 12); wordt verklaard dat Christus „allen die hem gehoorzaam zijn, een oorzaak der eeuwige zaligheid is geworden" (Hebr. 5 : 9); spreekt Petrus de geloovïgen toe als „uitverkorenen tot gehoorzaamheid en de bespren ging van het bloed van Christus;" staat van de priesters te Jeruzalem » dat een schare^ der priesters den geloove gehoorzaam werd" (Hand. 6 : 7); en wordt niet minder als algemeene regel gesteld, dat gehoorzaamheid beter is dan offerande, en dat er geen geloof (in actueelen zin) is, dan uit het gehoor. Een uitdrukking die toch wel_ niemand op zal vatten in den uitwermigen, opper vlakkigen zin alsof het bioote hoor en hét geloof kweekte; en waar dus in zit: „met hetgeen ge hoort rekenen, er niet tegen ingaan, maar er u aan gewonnen geven"; wat dus juist neerkomt op wat de apostel elders noemt „der waarheid gehoorzaam zijn" (Gal. 3:1), of ook het gevangen geven van zijn bewustzijn in de gehoorzaamheid van Christus. Iets waarmee uiteraard in het minst niet ontkend wordt, dat eerst door de liefde ook deze gehoor¬

zaamheid haar waarachtige wijding ontvangt, 1 maar waaruit dan toch blijkt, dat onze eeuw, die aan liefde zoo arm is en toch zoo aldoor van liefde roept, op een geheel sndeïeti bod.cn. leeft dan de Heilige Schrift. Een Schriftuur, die ons wel de diepste, rijkste Goddelijke liefde geopenbaard heeft, maar desniettemin zelfs In het Kruis van Golgotha, waar immers de liefde het schitterendst uitblonk, allereerst wijst op de gehoorzaamheid van den Zoon, een gehoorzaamheid tot in den dood, ja, den dood des kruises.

Voor ons, die niet door den geest der eeuw, maar door de Heilige Schrift den toon voor ons leven laten aangeven, is het dus ten hoogste noodzakelijk, dat we door dat verleidelijk liefdegeroep van onze egoïstische eeuw ons niet laten meeslepen, maar als kinderen Gods in den toon der Schrift (blijven zingen van het gehoorzamen tot in den dood. Een vermaning die stellig niet overbodig is, zoo ge er op let, hoe ook in onze Christelijke literatuur en in onze Christelijke conversatie, ja, soms tot in onze predikatiën, dat spelen met het denkbeeld van liefde, het begrip zelis van gehoorzaamheid bijna geheel; verdringt. Wel hoort men nog, dat de kinderen hun ouders, gehoorzamen moeten, maar dat ook het gelooi niets dan een gehoorzamen is, en „dat Christus alleen voor wie hem gehoorzamen een oorzaak der eeuwige zaligheid is geworden," het wordt niet ontkend, neen, maar toch ook bijna nooit meer op den voorgrond geschoven; en juist daardoor raakt de klem uit de prediking weg. Het is dan ook opmerkelijk hoe de Fransche Revolutie niets tegen de liefde had, en daarom de broederschap proclameerde en de lieden arm in arm oa den vrijheidsboom liet dansen, maar dat gehoorzaamheid een begrip was dat ze voor altoos wilde bannen. Het moest ni Dieu ni mailte zijn, d. w. z. „geen meester over ons en geen God". En wat anders ligt nu juist in dien schrillen kreet uitgedrukt, dan dat hetgeen men niet wil, hetgeen men verafschuwt, en de wereld uit wil hebben is . . dat ellendige, dat vernederende, dat gevloekte gehoorzamen.

En dit nu juist is het punt, waarbij de tegenstelling uitkomt. Liefde kan naar de schatting van het groote publiek zeer wel zonder God bestaan, maar als ge met den eisch tot gehoorzaamheid komt, dwingt ge den mensch zich voor den hocgen God te buigen. Want wel wordt er ook in kringen, waar van den Heere ".onzen God geen sprake meer is, nog wel gehoorzaamheid afgevergd; maar in heel anderen zin. De /gehoorzaamheid, die de wereld kent, is óf een doen wat u gezegd wordt, omdat ge anders straf krijgt of ook geen geld ontvangt; een gehoorzamen omdat ge zelf inziet dat het zoo meet, of ook omdat ge overeenkwaamt cm u te onderwerpen aan •^zetter bevel; maar dit alles is nog in het minst niet het echte beginsel waarvan de gehoorzaamheid, als geestelijke kracht uitgaat. Gehoorzamen in den vollen zin des .Woords is dat ge doet wat u gezegd wordt, Jömdat ge in uw conscientie overtuigd zïjt, -'dat wie u het zegt, macht over u heeft, 'recht bezit om u te gebieden, en de verantwoordelijkheid voor zijn eigen ordinantie draagt. En in zulk een zin gehoorzamen nu kunt geen moogt ge alleen den Heere uw God en dengenedie van Gods wege over u gesteld is. Is dus eenmaal de diepe overtuiging dat ge den Heere uw God, omdat Hij God is, te gehoorzamen hebt, u ontnomen, dan gelooft ge ook niet meer aan het bestaan van machten, aan wie God het recht gaf, om u te gebieden; en zoo kan het niet anders, of ook het enkele denkbeeld van blindelings te gehoorzamen, schijnt u te kort te doen aan uw vrijheidsbesef, de majesteit van uw ik aan te randen, en u te degradeeren als mensch.

Het is natuurlijk juist omgekeerd; want al uw heerlijkheid als mensch schuilt juist daarin, dat ge naar den beelde Gods geschapen zijt, en dus als beelddrager Gods steeds van God zelf afhankelijk zijn moet. Maar de wereld verstaat dit niet meer. Ze t ziet in den hoogen grooten mensch een in hem zelfrustende heerlijkheid, en nu oorj deelt ze, dat aan deze grootheid van den mensch wordt te kort gedaan, zoo die hooge ? mensch moet neder bukken, en uit gehoor. zaamheid, moet denken, spreken en doen wat t hem gezegd wordt. Want let er wel op, j naar luid der Schrift ligt het gehoorzamen (. volstrekt niet alleen in onze handelingen en daden, maar slaat evenzeer op onze gedachten en woorden. Ook het geloof is een , gehoorzaam zijn aan de waarheid, en ook I onze gedachten moeten we gevangen geven.

Reden waarom de wereld zoo onverzettelijk [ tegen Gods Woord opkomt. Ook die Schrift

eïscht onderwerping en gehoorzaamheid aan < wat ze ons openbaart, en juist deswege < moet de autoriteit ook van, 5' - Schrift ver- < broken w-v*'deu. Het j« «u f* -. oor drie 1 duizend jaren, nog altoos het wilei geroep ; uit den tweeden Psalm: „Laat ons hunne banden verscheuren en hun touwen van ons ! werpen". Maar juist daarom geldt nog thans, i als toen, de goddelijke ironie, waarmeê de i psalmist uitroept: „Hij die in den hemel woont, zal lachen, de Heere zal ze bespotten, zeggende: Ik heb toch mijn Koning gezalfd over Sion." Een goddelijke verklaring, die, helaas, de Christelijke kerk ver gat, toen ze nog wel van Christus als den Leer aar, en desnoods van Christus als den Priester wilde hooren, maar van Christus als Koning over zijn kerk geen sprake meer dulden wou; en hem óf door een stedehouder te Rome verving, óf ook een bestuursmacht in zijn plaats stelde bekleed met het hoogste kerkelijk gezag. Zoo ziet ge, hoe het voor alle terrein en op alle gebied des levens één zelfde streven blijft, om de liefde als panacé uit te roepen, maar voorgoed te breken met de principieele, blindelings, alleen op gezag te betoonen gehoorzaamheid.

En toch is het niet zoo moeilijk in te zien, waarom gehoorzaamheid, ala opbouwende macht voor de menschelijke samenleving hooger staat dan de liefde. Vooreerst toch is de liefde, gelijk ze inde menschelijke samenlevirg werkt, een macht die gekweekt wordt door wat voor oogen is. De jonge moeder heeft het ki. d van baar schoot lief, niet om wat zich innerlijk in dat jonge wezen verbergt, maar om de aanminnige, spelende verschijning, cf ook waar haar kindeke misdeeld bleek van het kinderlijk schoon, omdat het vlecsch van haar vleesch is. En aij hst nu ook minder sterk, toch verbindt zich ö-Vrv iieide ook in ons verder leven, schier altoos aan de uitwendige gestalte. Waar die gestalte innemend en aantrekkelijk is, kost het ons zoo weinig om lief te hebben; waar die gestalte afstoot en weerzin wekt, kost het zoo veel, eer de liefde dien weerzin overwint. Zoo mengt zi.h in de liefde van ouders en kinderen, van man en vrouw, van broeders en zusters/ van vrienden en vriendinnen altoos in niet geringe mate én het trekken van het bloed en de aantrekkingskracht van de uitwendige gestalte. Niet alsof de liefde, zoodra ze hooger uitkomt, nog hierin op zou gaan. Waar teedere, heilige liefde is, dringt ze ook tot het inwendige door, en bereikt zoo ten slotte het nobele punt, dat ze minnen blijft ook tegen al wat voor oogen is, in. Maar van die hoogere liefde is in de menschelijke samenleving, als algemeen bindenden band, natuurlijk zoogoed als geen sprake; en de meer algemeene liefde is bijna altoos opgewekt^ óf door wat in het uitwendige aantrekt, óf door wat, evenzoo in het uitwendige, het medelijden gaande ^maakt. Maar met de gehoorzaamheid is 'het geheel anders. Gehoorzamen is een zuiver geestelijke kracht; het zich laten leiden door een motief uit de ongeziene wereld; het zich stellen onder een onzichtbare ordinantie. En het is juist hit;.taan, dat het gehoorzamen een zoo geheimzinnige kracht ontleent, dat zelfs Splnoza, tegen zijn systeem in, erkende, dat alleen gghourzaamhdd de wereld kan redden; dat Rome juist dat mysterie var. het gehoorzamen aangreep om haat macht te fundeerer,; en d : de Socië teit van Jezus in het stuiten van c'ien voortgang der Reformatie enkel slaagde, doordien ze haar perinde ac cadaver, d. i, u zoo blindelings onderwerpen, alsof ge een ontzield lijk waart, tot motto voor haar actie koos. Zoo werd aan een novitius, die in een stichting van deze Sociëteit der Jezuïeten wilde opgenomen worden, ais een der proeven, die hij had door te staan, gelast om dagen achtereen, altoos dezelfde trappen blank te schuren. Nu was dat de eerste maal niets, want toen de trappen vuil waren, lag er in de poging om ze blank te schuren nog altoos iets dat, ook buiten de gehoorzaamheid om, aantrok. Maar toen ze nu blank waren, en het schu-en dus geen doel meer had, toen kwam eerst de gehoorzaamheid op de proef; want nu moest er dag aan dag altoos weer geschuurd worden, niet omdat de novitius inzag dat het noodig was, maar enkel wijl het hem was gelast. Een methode die we natuurlijk volstrekt niet aanprijzen, en die ons veeleer een misbruik is van de schoone gave der gehoorzaamheid, maar die dan toch toont, hoe deze heerlijke kracht zelfs nog in haar ontaarding een zoo ongemeen sterke werking kan voortbrengen.

De tweede oorzaak waarom voor de samen: binding in het leven zooveel meer kracht in de gehoorzaamheid dan in de liefde

schuilt, is, wijl de liefde, in haar gewone I opvatting en in den vorm, waarin ze meest v optreedt, wilkeur voedt, terwijl omgekeerd c

de gehoorzaamheid de wilkeur afsnijdt, of ï althans beteugelt. Immers het is wel vol* § komen waar, dat de liefde in haar vol- \ komenste verschijning boven alle wilkeur ver- t heven is, maar in dien edelen vorm is ze te 2 zeldzaam, om als saambindende kracht in de menschelijke saamleving te gelden; en gelijk ze' gemeenlijk voorkomt, gaat ze schier < geheel van wilkeur uit. In niets acht men ] vrijer te zijn, dan in het plaatsen van zijn ] liefde. Wat zich ook dwingen late, liefde < niet. Als met keizerlijke majesteit gunt of ■ onthoudt men zijn liefde. En zoo plaatst i deze liefde de keuze van het eigen ik op den voorgrond. Ze verbindt mij met wie mij aantrekt, maar ze scheidt mij van alle overigen. Zoo bindt ze in zeer engen kring, maar ontbindt daarentegen de groote samenleving van de kinderen der menschen. Merk dit maar aan de ergerlijke wijze, waarop juist in den engen kring van wie sterk aan elkaar gehecht zijn, de achterklap en het veroordeelend vonnis over andere personen uit hun omgeving aan het woord is. Maar zoo ny is de gehoorzaamheid niet. De gehoorzaamheid .hoort een gebod en volgt den last die gegeven wordt. Gehoorzamen is niet iets doen wijl ge inziet, dat het zoo moet, of dat het zoo goed is; maar het doen, omdat hel geboden wordt. Zoo ligt dus in elk gehoorzamen juist een inbinding van het eigen ik; een zich voegen van het eigen ik in een gemeene ordinantie, het zich onderwerpen aan een macht die over meerderen tegelijk gaat, en juist daardoor saambindend werkt. Denk u het gezag en de gehoorzaamheid uit den Staat weg en de orde der saamleving alleen aan de werking der liefde overgelaten, en immers (om nu niet eens te spreken van die vele elementen, die aan liefde volkomen arm zijn) zou toch al spoedig juist de macht der liefde het ééne volk ia tal van kleine kringen oplossen; terwijl omgekeerd het gezag, en de plicht om te gehoorzamen, heel het volk saambindt en saamhoudt, door alle wilkeur en eigen wil aan eei hoogeren wilte onderwerpen. In een leger ziet ge geheel hetzelfde. Plicht, tucht, gezag, gehoorzaamheid is de macht, waardoor elk leger wordt saamgehou • den, en al staan de legers van Gustaaf Adolf en Cromwell, die bovendien ook een hooge se kracht kenden, verre boven onze huurlegers en volkslegers, toch weet ge ook uit de historie wel, hoe én Gustaaf Adolf' én Cromwell uitnemend goed begrepen, dat gehoorzaamheid ook in hun leger vóór aüe dingen moest gaan.

De diepste grond nu van deze meerdere kracht, die in de gehoorzaamheid boven de liefde, als fundament voor de menschelijke saamleving schuilt, ligt natuurlijk daarin, dat ge eerst uw God als uw Souverein moet eer en, zult ge Hem waarlijk als uw God kunnen liefhebben. En zie het dan ook maar aan de valsche mystiek, wat er zelfs van uw religie wordt, als de liefde zich vóór de gehoorzaamheid dringt. De valsche mystiek wil zich juist in de liefde van God verzinken, zonder zijn souvereiniteit te eeren. Vandaar dat ze soms tot in het gebed zoo oneerbiedig en onbescheiden kan worden. En de uitkomst toont genoegzaam op wat geestelijke verwarring, ja, ten laatste op wat zedelijke ontbinding heel zulk een valsche religie uitloopt. Denk slechts aan Jan van Leiden en de gruwelen die hij te Munster heeft bestaan.

Toegepast op het huisgezin, wii dit dus zeggen, dat het huislijk leven de zenuw zijner kracht doorsnijdt, als het de gehoorzaamheid op zij zet, en het gemis aan gehoorzaamheid door betoon van liefde poogt te vergoeden. Een kind moet gehoorzamen omdat zijn vader zijn vader, en zijn moeder zijn moeder is, die als zoodanig van Gods wege over hem gesteld zijn. Nu is het natuurlijk heerlijk, als in het huisgezin óók de lijkste en mildste liefde bloeit, en vooral in een zoo kleinen kring, waarin veelal niet meer dan vijf, zes personen saamverkeeren, kan soms die onderlinge en gemeenschappelijke liefde lot een zeer hoog punt worden opgevoerd. Maar hoe schoon dit ook zij, toch ondermijnt ge het fundament van het huislijk leven, zoo ge, in die liefde gelukkig, acht de kracht der gehoorzaamheid wel te kunnen missen. Gesteld toch al, dat dit in uw huis ging, dan is het nog altoos in bedenkelijke mate egoïstisch, i zelf hiervan te genieten, en te vergeten, hoe schadelijk ge door uw voorbeeld op anderen werkt; vooral zoo ge uit uw eigen doen een theorie opmaakt, die doordringt . in die duizend en nogmaals duizend l andere huisgezinnen, waarin van zulk een ; I macht der liefde nog geen sprake is.

Een kind zondigt dan ook tegen het vijfde Gebod, zoo het den wil zijns vaders doet, alleen omdat hij vader liefheeft, of ook omdat hij inziet, dat wat vader wil goed is. Dat is geen gehoorzamen, maar te werk gaan naar eigen inzicht en oordeel, terwijl toch gehoorzamen juist zeggen wil, zich voegen naar het oordeel en den wil van een ander.

Maar ook de ouders laden hierin schuld op zich, indien ze uit zachtheid of toegeeflijkheid, van het afeischen van gehoorzaamheid afzien. Dit kwaad begint men dan te voeden bij zijn jonge kinderen, die als ze weerbarstig zijn of niet willen gehoorzamen, door allerlei beloften worden gepaaid en overgehaald, om het toch maar te doen, en als ze het toch niet doen, ontzien worden, wijl men bang is om ze te straffen. En is zoo een kind eigenzinnig opgegroeid, aan geen gehoorzaamheid gewend, veeleer eitoe opgeleid, om alleen te doen wat het zelf inziet dat moet, dan vraagt het vader en moeder van alles reden; en wordt, als het groot ïs, de orde. zoo ganschelijk omgekeerd, dat ten slotte de ouders hun bevelen hebben te rechtvaardigen voor de rechtbank van hun kind. Dit nu heeft het booze — gevolg niet alleen dat de huislijke orde er door ondermijnd wordt, maar ook, en niet minder, dat het karakter van het kind bedorven wordt, en het straks de wereld in moet, zonder de heilige kracht van het gehoorzamen te bezitten. En dit alles spruit nu niet daaruit voort, dat de ouders ook in onze eeuw niet gaarne zagen, dat ze gehoorzame kinderen hadden, maar hieruit, dat ze die gehoorzaamheid afeischen voor hun eigen gemak, en om huns zelfs wil; | en dat ze er bijna niets meer van gevoelen, dat ze bekleed zijn met gezag van Gods wege, alzoo uit dien hoofde verplicht zijn c.lt Goddelijk gezag, Hem ter eer« er. uit liefde voor hun kinderen te handhaven.

KUYPER.

"' —

„üttijti weeklage veranïrerïr in em rei.'

Gij hebt mijne weeklage veranderd in eene rei; Gij hebt mijnen zak ontbonden, en mij met blijdschap omgord.

Ps. 30: 12.

Niet elke krankheid is tot den dood. Vaak zelfs komt het in zeer ernstige krankheid voor, dat de vreeze des doods ons omving en de draad van ons leven bijna was afgesneden, en dat toch het roepen en smeeken nog verhoord en het leven ons lierschonken wierd.

Maar, helaas, juist dan blijft zoo vaak de geestelijke vrucht uit, die van zulk een ziekbed voor den kranke zeiven en voor zijn huis gehoopt was.

Ge zoudt zeggen: %Dat zal juist omgekeerd zijn. Als God de Heere een onzer liefste panden van ons wegneemt, dan zal er in het hart gemor oprijzen, en zal er althans een tijdlang een vervreemding komen in de liefde, waarmeê we onzen God hadden gemind. Maar valt de slag niet, en komt uw God u in het »doodelijkst tijdsgewricht" te hulpe, zoodat uw 'sbijna wegstervende kranke weer opleeft, o, dan zal het alles één lof en jubel zijn. Liefde en lof ten offer gemengd op het altaar des Heeren.

En toch, de ervaring leert het zoo heel anders.

Als het in den dood gaat, ja, dan wordt het hart diép ontroerd; dan is het of de wereld een oogenblik haar bekoring voor ons verliest; en alsof we dieper dan ooit beseften waar ons eigenlijk vaderland ligt. Niet hier, maar daarboven.

Schier nooit meer dan in dagen van verschen rouw is er gedachtenisse van den Heere onzen God in ons hart, op ons leger, in onze gesprekken, en zelden verkrijgt ons gebed inniger toon, dan juist in zulk een toestand van beklemdheid der ziele.

Bij het graf kan men nog zeggen, dat de hooge God iets van zijne eere ontvangt.

Maar als die God nu niet sloeg, maar weer oprichtte en het met onzen kranke niet in den dood ging, maar de Heere hem van zijn ziekbed deed opkomen, hoe staat het dan? 1 En op die vraag, helaas, kan het antwoord P niet anders, dan pijnlijk zijn.

[ Nog altoos in den toon van wat Jezus tót den geredden melaatsche zei: »Zijn niet de tien gereinigd geworden ? En waar zijn de negen? En zijn er geene gevonden, die wederkeeren, om Gode de eere te geven, dan deze vreem1 deling ?"

t

, Of het dan in vroeger jaren beter stond? , Ongetwijfeld.

, Een heilige ontboezeming als in Psalm 30 j op Davids harp vertolkt werd; een lied der . aanbidding vol lof en dankzegging als Hizkia , voor zijn God zong; en zoo menige andere 1 uiting ons in de Schrift bewaard, toont dit wel. 1 En ook in de eeuwen toen hier te lande >. Gods kerk geestelijk bloeien mocht, voerde

Sluiten