Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

fomt ie

Hifi#* lx Ittltefltalt

Het auteursrecht van den inhoud van dit blad wordt verzekerd overeenkomstig de wet van a8 Juni 1881 (Staatsblad N°. 124).

Dit blad wordt geregeld des Vrijdags aan de geabonneerden verzonden.

Bijdragen van medewerkers, Ingezonden stukken en alles wat verder den Inhoud van

dit blad betreft, te adresseeren aan de REDACTIE. Abonnementen en Advertentien aan den Uitgever J. 1. WOKMSER; Bureau N. Z. Voorburgwal 44, te Amsterdam.

Inzendingen die later dan Donderdag 's namiddags te 12 uren worden ontvangen kunnen voor het nummer van die week niet meer in aanmerking komen

Zondag 1 Maart 1896. N°. 949.

Abonnementsprijs: franco aan huis, per drie maanden f 1.20. Afzonderl!jse

nummers aan het Bureel 10 Cent.

Abonnementen worden aangenomen door alle Boekhandelaren, ï os.dlrecteu e

enz. en aan het Bureel te Amsterdam. . _

Advertentiën: van 1 tot 6 regels 90 Cent; voor eiken ^gel f eer lo Cent. Aanvragen en vermelding van liefdegaven en Verslagen van VereenigUigen lö • P« S

iic gemeene ofoatie.

XXIV.

En Hij zeide: Wie heeft u te kennen gegeven, dat gij naakt zijt ? Hebt gij van dien boom gegeten, van welken Ik u gebood, dat gij daarvan niet eten zoudt?

Gen. 3 : xi.

Onze korte uitweiding over de Taal in het Paradijs strekte, om het geloof te herstellen in wat door en tot Adam en Eva in het Paradijs gesproken is. In de dagen onzer vaderen aanvaardde men dit alles als in vollen zin werkelijk, maar zonder dat men zich rekenschap gaf van de wijze, waarop dit spreken in het Paradijs te verstaan zij. Daarna heeft men, over de Taal nadenkende, al dit kwansuis in het Paradijs gesprokene meer als inkleeding van latere gedachten opgevat, en alzoo feitelijk de geloofwaardigheid van het verhaal vernietigd. Eerst thans komt de kerk van Christus tot dit hoogere standpunt, dat ze zich én ten volle rekenschap geeft van wat de Taal in het Paradijs was, én op dien grond het verhaal niet ondermijnt, maar juist bevestigt en de waarheid er van aanvaardt. Bezien we nu, ondei dit gezichtspunt, het verhandelde in het Para dijs van naderbij, dan vloeit hieruit terstonc voort, dat de eerste mensch zich, bij het aan hooren der tot hem gesproken woorden, iet: stelligs en bepaalds moet gedacht hebben Die ééne boom werd onder alle boomen in he Paradijs voor hem uitgezonderd, als een boom die in verband stond met de kennis van goee en kwaad. Het eten van de vrucht van diei boom werd hem verboden. En hem wer< aangezegd, dat op overtreding van dit geboi nog denzelfden dag sliet sterven van de dood" volgen zou. Natuurlijk zou zulk ee ordinantie voor een half onnoozel menscl kind of kind-mensch, gelijk velen zich Adai droomen, geen zin hebben gehad. Ofikee kind van anderhalf jaar van een schoti prachtig en verleidelijk suikergoed al zeg » Proef niet van dit marsepein, want het etc daarvan zou u den dood brengen," dit zou gee doel treffen. Het onnoozsl wicht zou h niet vatten. En als het suikergoed werkeli sterk vergif inhield, en het kind at er toch v; en stierf, dan zou niet dat kind een zelf mooi hebben gepleegd, maar die roekelooze vad of moeder aan kindermoord schuldig staa ja zelfs door den wereldlijken rechter ku nen achterhaald worden. In dien gedachte gang nu vervalscht men de voorstelling v den zondeval, zoo men ook bij Adam Eva geen klaar helder inzicht in het pro gebod en de daaraan gehechte bedreigi aanneemt. Hebben zij toch den inhoud v het proefgebod niet duidelijk begrepen, no ook recht verstaan wat God met dat »st ven" bedoelde, dan gaat van hen de schi van den val grootendeels af, en wentelt dien voor geen gering deel op God ter die dan immers zijn schepsel aan een pr waagde, waaraan ze in zedelijken zin i gewaagd konden worden. Dan wordt d geheele voorstelling een spel der phanta Er spreekt dan geen ernst in. En alth voor een man, die leerde denken en ple door te dringen tot den grond der ding wordt het dan volslagen onmogelijk, orr schuld van zijn eigen hart en het eeu verderf van wien hij liefheeft, uit het beurde met dat eten van dien »Boom Consciëntie" af te leiden. Die ernst k dan eerst terug, en dan eerst pakt de a kelijkheid van het toen gebeurde uw weer, als ge weet en inziet, dat Adatr Eva de taal, die gesproken werd, mins even helder verstonden als gij die staat, en bij het aanhooren van het p gebod en de daaraan gehechte waarschip ten volle de meening des Geestes en zin van Gods ordinantie begrepen.

We gaan dus uit van de voorstelling Adam krachtens zijn natuurlijke aanra met de zedelijke wereldorde, geweten heef goed en wat kwaad was, en evenzoo ki tens het hem ingeschapen leven, wist de dood en wist wat het sterven was zulks niet als een van buiten geleerde maar door een natuurlijke werking var bewustzijn. Het gebeurde met de c en met Eva's schepping licht on toe. God gaf aan Adam niets in den wat ook maar van verre leek oj school-handboek over ■ dierkunde, over hun indeeling in soorten, noch hun aard en neiging, noch over hun < linge verhouding en levenswijs, ontvii onderwijs. Ook kende hij ze niet van ger, want hij zag ze voor het eerst, verschenen nu pas voor hem. En toch h< hij tegenover al deze schepselen schi; vreemd stond, bleek terstond dat ze he vreemd waren; dat hij ze veel beter ken< nu fceniV hooedeeraar in de dierkund

dat hij den aard van hun wezen, in zijn maar in klare ^zui<

eenheid, zoo uitmuntend greep, dat hét maakt. Hij heeit g

noemen hunner namen hem een vanzelf- hand voortkwam, heid was. Dit nu is alleen te verklaren uit mogen zeggen, zie

I het levenscontact, d.i. door de rechtstreeksche voeld hoe hij ten

inwerking van het leven op het bewustzijn, stelling tusschen he

Tuist zooals het bij Eva's verschijning uitkomt, wel zijn, was lien

God brengt Eva tot Adam, gelijk Hij de dieren doordrong heel z.jr

tot Adam gebracht had, en, zonder nader En zoo, langs dien \\

onderricht, vei staat Adam onmiddellijk wat begrijpelijk, dat het

dat nieuw; wezen in het Paradijs beteekent. weer kon worden f

Dat is vleesch van zijn eigen vleesch, been hem oprees. \ ij i

van zijn eigen been. Geen man, en toch uit den sterven, tot tijd

man en voor den man, en daarom Mannin door schouwing of ande:

hem geheeten. En onmiddellijk zich daar- bed of het graf ir

aan vastknoopende, doorziet hij heel voor Adam stond

de zake van den echt en het huis- de den dood van

gezin nog buiten schaamte, in klare on- dien hij bewust uit

gezin, nog qocj. Over zulke den in het leven.

noozele heiligheid voor y 1,™, T4>t denkbeeld

feite» -et d,«a hoofde meUie-

Saoht op intrekken; en alzoo.wel lijk

verstaan, hoe heel anders het menschelijk op dat booze <

bewustzijn toen werkte, bij nu vergeleken, zedelijke suffer of

Nu is alles in en om ons verduisterd, toen verwerpen we dan

glansde ons menschelijk bewustzijn in het achter den val du

volle klare licht. De mensch was naar klaarheid. Eer on

Gods beeld geschapen, en zoo spiegelde die de verduisteri:

■ S God zijn eigen weten, in menschelijke mate achter aen val de

■ en naar menschelijken vorm, in 's menschen Dat er door de zon< i bewustzijn af. De mensch wist niets door plaats had, en da -1 studie, en nog veel minder uit zich zelf, iets »gekend wi 3 ook onderwees hem de natuur zonder meer niet kenden, be . niet; al zijn kennisse waarin hij geschapen Dat staat er du t was, was licht van God, dat in den spiegel we ook niet, : , van zijn bewustzijn glansde. eerst zoo straks. \ _— verstaan, dat Ac

i Zóó moet het derhalve ook gestaan proefgebod gaf,

1 hebben met zijn kennis van goed en kwaad, idioot gemeen ha

3 en met zijn kennis van het sterven. Hadt lijk de wet Go<

ii ge Adam een examen over de moraal wil- de tegenstelling n len afnemen, hij zou bezweken zijn. Of ook wet strookte en ï- hadt ge hem over de biologie of levens- zijn zielsbesef kei n kunde ondervraagd, hij zou u niet geant-

n woord hebben. Maar zijn onmiddellijk besef Wat doet nu ïl werkte in beide opzichten nog onberispelijk Adam voor de ;: I zuiver. Zoo vindt ge onder haveloos ge- één der gebode n kleede, en in schier elk opzicht verwaarloosde oplegde? Stellig :n kinderen, soms een jongen of een meisje met niet een eisch in, ït een zoo zuiver gehoor, dat ze terstond en orde voortvloeic ik onmiddellijk elke valsche geluidstrilling ont- keurige ordinant m waren en dit zelfs gewaar worden met zekere op de vrijmach 'd pijn; doch als ge datzelfde meisje of dien- Uit niet één dei er zelfden jongen naar namen van noten of den, dat er in c n, gamma's gevraagd hadt, zouden ze u zin ergens één l n- verwonderd hebben aangestaard en u niet niet eten mogei n- I hebben begrepen. Zoo nu, in dien zin, wisten hart had dit pro an ook Adam en Eva ervan, dat er een nen openbaren, en schoon, een goed, een heerlijk iets was, opzettelijk en m ef- waar heel de ziel hen henendrong, en dat werktuiglijk, aa ng er omgekeerd een zuiging, een trekking, een zou het nooit g an te vlieden macht en werking was, waarvan weten hebben, ch ze verre hadden te blijven. De wet huns gebod dus gar er- Gods was geschreven in hun hart, niet als wereldorde, va ïld een opgeplakt gebodenlijstje, maar als een en was het a ge fijn, zedelijk gehoor van hetgeen trilde in een op zich z< jg, Gods zedelijke wereldorde. Drang nu naar Voor dit gehe oef het heilige en goede is, zonder een'vlieden het proefgebod 1 liet van wat er tegenover staat ondenkbaar. Er blik sluiten, of eze is geen pool van het goede of er staat een toch verstaat i sie. pool van het kwade tegenover. Zich den nietige van he ans eersten mensch te willen voorstellen, als op baarheid school egt zedelijk gebied nog kleurenblind, is met hun boom, en het ;en, schepping naar den beelde Gods niet overeen het ging, maar i de te brengen. Men kan niet als zedelijk wezen met zijn volstr< wig in volwassen staat en met helder bewust- aandringt, en ge- zijn bestaan, dat men toch de tegenstelling iets verbood, t der tusschen goed en kwaad d. i. tusschen het- stuk dat hier £ eert geen te zoeken, en te vlieden was, niet zou het goe e co ver- kennen. Er gaat van de zedelijke wereld- het goede do hart orde zelve magnetische aantrekkingskracht i doet, omdat h l en uit, waardoor elk zedelijk creatuur aange- uw hart strooi tens trokken en waardoor het bewogen wordt. omuat ge zelt ver- Minder gemakkelijk is het voorzeker, om er goed en met roef- in te leven, wat Adam en Eva bij het hooren eenkomstig is. ving van »dood en sterven" moeten gedachc uw eigen _iuea den hebben. Toch ontbreekt ook hier niet alle hart; de ïnspr spoor. Houd slechts wel in het oog, dat wet in uw liai Adam plotseling uit het niet tot aanzijn kwam punt der onge , dat en dit komen tot aanzijn met bewustzijn punt des geloo king doorleefde. Dat grijpt bij geen onzer plaats, eerst dan beti twat Wij ontstaan, zonder het te weten. En eerst eigen oordeel, •ach- als we reeds maanden er geweest zijn, en I het alzoo wil. wat over het jaar bestaan, vestigen zich bij het zedelijke ; en ons die allereerste, allerflauwste indruk- de aanbidding : les, ken, die ons later, als we aan het ver- haar volkom i zijn leden terugdenken, hoogstens nog doen goede om ic ierén weten, dat we destijds reeds bestaan is »zedelijke s dit hebben. Voor ons is er daarom geen over- alleen met Z' han- gang, nergens een moment, waarvan we J paard gaan, ) een weten,"toen was ik er, en vóór dit moment i geloof in e / Noch was ik er niet. Bij Adam daarentegen greep in het goe over dit op eenmaal plaats, en op eenmaal met goede, ovei m jnder- volledigheid en volle klaarheid. Zóó was hij strookte me 10- hij er nog niet en dacht hij dus ook nog niet, zijn hart, zov vroe- en zie, een volgend oogenblik is hij er, en naar gewor<. en ze voelt en weet hij dat hij er is, met heel God zijns lei

bezeer zijn wezen, en met al wat in hem omgaat. De schapen was,

inbaar overgang van het niet zijn tot het zijn, de En toch

m niet gewaarwording van het ontstaan, van het naar Gods

Je dan eerste komen uit het «zVMeven tot het leven, zulk een zei

e- en heeft Adam dus, niet droomend noch suffend, opkwam. Ju

/ere- nucliterneia aooige- uccu evoeld, hoe hij uit Gods I of hij lij heeft, als we het zoo zijn 1 :h voelen scheppen, ge- stemn leven kwam. De tegen- len, ei :t eeist niet zijn, entoen het ge ï dus niet vreemd, maar hem l i besef en heel zijn wezen, kend, eg, is het volstrekt nieton- zeken denkbeeld, hoe dat leven hart : :e niet gedaan, klaar voor ware nissen elk beset van het I werel sn wijle we door aan- punt rer verhaal met het sterf- Gods aanraking komen, maar aandr dit heel anders. Hij ken- Maar dén anderen kant, door- op a het niet-zijn was ingetre- uit c

ondei

alsof Adam eerst door blijkc

: boomvrucht tot zede- wil,

ontwaakt zijn, en tot I zedel

jogenblik niets dan een halve

droomer zou geweest zijn, tussc

ook geheel. Er ligt niet aldus

isternis, en eerst na den val om

igekeerd is het de zonde I dit ï

ig aanbracht, en ligt juist en 1

helderheid van het inzien, heid

ie een »opening der oogen" 1 ligt

t er tengevolge der zonde I van

;rd, dat ze van tevoren dat

twisten we daarom niet. I inne

ide'iijk, en daaraan tornen ging

naar daarop komen we | kon

Vooraf echter moet wel i lijke

lam, toen God hem het Goe

niets met een zedelijken strij

d, maar integendeel klaar- bij

Is in zijn hart droeg, en | ver

tusschen hetgeen met die wel

van die wet afweek, in wa,

ide. §e hai

het proefgebod? Stelt het om

al of niet volbrenging van het

n die de wet Gods hem j du;

niet. Het proefgebod hield za£

die uit de zedelijke wereld- blij

ie, maar een gansch wille- ha:

ie, die op niets rustte dan sta

tige wilsbeschikking Gods. sla

- Tien geboden is af te lei- Vr

nze omgeving in letterlijken wa

>oom moet zijn, waarvan we ov

i. De wet geschreven in hun hu

efgebod dan ook nooit kun- hc

Ware dit proefgebod niet ze

et zoovele woorden, geheel en

li Adam medegedeeld, hij be

ekend noch er ooit van ge- ve

Op zich zelf staat dit proef- ȕ

schelijk bniten de zedelijke aa

t het bniten de wet Gods, tu

of niet eten van dien boom bi

;lf zedelijk onverschillig iets. oi

el eigenaardig karakter van di

noogt ge het oog geen oogen- ni

zijn beteekenis ontgaat u. Dan d,

re niet, hoe hier juist in het o

't gebod zijn hooge verbind- h,

Immers het was niet om dien d

was niet om die vrucht, dat a

alleen hierom, dat God hier

;kte vrijmacht op den mensch

krachtens die vrijmacht hem v

:n wat is nu het groote vraag- h

.chterzit? Ge kunt, niet waar e

en om het goede, of ge kunt cl

en om God. Al nu wat ge g

et met de betere aandrift van c

:t, doet ge niet om God, maar c

voelt en bekent dat het zoo <

de zedelijke wereldorde over- )

Ge volgt dan de roepstem van

il; de aandrift van uw eigen i

aak van de zedelijke levens- i

•t. Dit standpunt is het stand- '

iloovige wereld; niet het stand-

fs. Het geloofsstandpunt wordt ■

•eden, als ge, afgezien van alle

doet wat ge doet, omdat God

Dan eerst strengelt zich door

liet godsdienstige leven, en viert >

e Gods door zijn beeld op aarde

;n triomf. Het doen van het

t goede, buiten God gerekend,

zelfgenoegzaamheid", die niet

ser ongeloovigen zin kan ge-

maar ten slotte feitelijk alle

:iel vermoordt. Ware dus Adam

ï volstandig gebleven om het

its hét goede hem aantrok en i

de inspraak en den zin van

> ware hij wel een deugdmin- ]

en, maar zulk een, die den

/ens, naar wiens beeld hij ge-

verloochende.

was er iets in zijn schepping

beeld, waaruit het gevaar voor

"genoegzame ontwikkeling juist

ist immers' wijl hij naar Gods

VVCU5, A-C/t-

moest zich niet Gods wet conform in c ïart gevoelen, hij moest die wet toe- \ len, hij kon niet anders dan die wet wil- c ï hij moest er zoo geheel toe neigen, om a >ede dier wet te volbrengen, omdat het j joeide en bekoorde. Buiten God gere- £ zou men zelfs moeten zeggen, dat hier ; fataliteit bestond. Had Adam in zijn ; zekeren tegenzin tegen de wet Gods, als > bet ook slechts op één punt, mede ter ; d gebracht, dan had aan dat ééne i kunnen blijken, of hij desniettemin aan i wil gehoorzamen zou, ook al ging de ift van zijn eigen hart er tegen in.

dat juist kon niet. Zijn hart stemde 11 e punten met de wet Gods in. En lien hoofde was het onmogelijk en ikbaar, dat bij één eenig stuk der wet :ti kon, of hij het volbracht om Gods of om het goede dat er in school. Om tot ijke beslissing te komen, moest het der; één oogenblik tot tegenspraak komen hen God en het goede, en moest het ; blijken, of Adam voor het goede koos Gods wil, of om het goede zelf. En iu, wat in de zedenwet niet in kon zijn, irachtens de oorspronkelijke gerechtigniet uit Adam zelf kon opkomen, dat in het proefgebod. Een gebod, waarde inhoud Adams hart niet toespreekt, als gebod geen aantrekkingspunt in zijn rlijk besef vond, en tot welks volbren- ] niet anders hem dringen of bewegen , dan de nuchtere, klare, onvoorwaarde: gehoorzaamheid aan het woord zijns Is om dat ivoord. Het gold hier denzelfden d die zoo telkens bij het kleine kind, of den militair voorkomt- Ge gebiedt of Diedtuw kleine kind iets, en nu wil het gehoorzamen, mits ge het eerst uitlegt, arom het zóó en niet anders moet. Doet dat nu, en overtuigt ge uw kind, dan idelt het naar uw gebod, maar niet dat gij het alzoo geboodt, doch, omdat : zelf nu de zaak zoo inziet. Dan is ; feitelijk én uw gebod én de gehoor.mheid opzij geschoven, en wat over ft is: uw kind naar eigen zedelijk inzichl adelende. Dat aclit men dan hoog te an, en toch hebt ge er feitelijk den grond y van alle opvoeding door ondermijnd aag het aan groote veldheeren maar ai-0 de kracht schuilt, waaraan ze hui erwinningen dankten. Ze geboden, ei li soldaten gehoorzaamden. Zooals di< ofdman over honderd in de Evangeliëi gt: 5 Ik zeg tot dezen: Ga, en hij gaaf tot genen: Kom, en hij komt. Op da ginsel berust alle legertucht en militair erkracht. Zegt daarentegen de soldaat k wil wel volgen, maar toon mij dan eer; .n, dat het zóó goed uitkomt", dan is d cht weg en de kracht van het leger ge •oken. En juist zóó staat het nu ook m< ize zake tegenover God. Wij zijn diekii ;ren, en wij zijn die krijgsknechten, e et ons inzicht in het goede, maar het fe zt God gebiedt, moet de drang zijn, d tis beweegt tot plichtsbetrachting. Godw et, en zonder dat een waarom hierbij g uld wordt, is die wille Gods het einde v; Lle tegenspreking.

Die tivee moesten in den mensch alzi ereenigd worden, ten eerste moest, omd ij naar Gods beeld geschapen was, zi igen zedelijk besef zuiver en volkomen m e wet Gods overeenstemmen, en hij alzoo li ■oede uit lust van het goede doen; ma lok ten tweede moest deze gansch zedelij mtwikkeling worden opgehangen aan het i jods wil, alzoo het stempel \asi gehoorzaa ïeid ontvangen, en den adel vertoonen vanl reloof. Welnu, dit is het, wat het proefj jod beoogde, en waarop het volkomen 1 ■ekend was. Van den boom te eten of r :e eten, was voor Adam een op zich ; volmaakt onverschillige zaak. Tegen sten er van gold zedelijk niets, en om keerd kon er zekere prikkel door dien bo op hem geoefend worden, om het eten 1 zijn vrucht begeerlijk te maken. Hier alzoo een gebod, een ordinantie Gods, i gedragen door eigen zedelijk inzicht, alzoo uitsluitend daarop rustende, dat < het alzoo instelde. Dit brengt den strijd stond van het zedelijk op het godsdien terrein over, van de niet Gods op net loof, van het eigen inzicht op de onder: ping aan Hem, naar wiens beeld hij gesi pen was. Had hij nu hierin getriomfeerd, ware het onverwijld in zijn hart tot bc sing gekomen, dat zijn band aan het gc niet óm dat goede, maar om Gods klemde. Thans daarentegen, nu hij tege | proefgebod inging, nu stond het hiermee i dat hij het goede niet om God, maar het goede zelf zocht, en alzoo^ God in hart verloochend en zijn eigen aeugdenc tot zijn god verheven had. Daarom w; val absoluut. Het was het doorsnijden

if heel de keten viel neer. De rechte zui'ere stand voor God was prijsgegeven, en laarom moest het beeld scheef trekken. I Iet /as als de zonnewijzer, dien ge van zijn ilaats neemt. Eens van die plaats, wijst hij jeen tijd meer aan.

Tevens gevoelt ge nu, waarom het proefjebod naar zijn inhoud zóo onbeduidend noest wezen. Een wereld en een eeuwigheid lan een perzik of appel ophangen, heeft nen roekeloosheid, een spotten met den nensch genoemd. Ten onrechte. Als in het proefgebod een zware, moeielijke zaak aan A.dam ware voorgelegd, zou zijn eigen zedelijk besef mee zijn gaan spreken, en hij zou gehandeld hebben uit eigen zedelijk inzicht, en niet uit de blinde gehoorzaamheid des geloofs. Juist om het zedelijk inzicht deze ééne maal buiten alle werking te stellen, en heel de spanning der ziel saam te trekken op het geloofspunt der gehoorzaamheid, moest de zaak zelve zóó futiel, zoo nietig, zoo onbeduidend zijn. Een krijgsoverste die de proef wil nemen, of zijn soldaat stipt gehoorzaamt,

moet hem juist beproeven op zulk een order,

waar zakelijk niets inzit, ja, die zakelijk hem een bespotting schijnt. Het gold den strijd, die ook daarna alle eeuwen doorging en nog doorgaat, of God om de wet, ot de wet om God is wat ze is. Zegt ge: Er is een eeuwige wet, en aan die wet was God gebonden, en daarom gaf Hij ons alzoo zijn zedenwet — dan is feitelijk God verloochend, de deugd boven God als zelfstandig ideaal gezet, en uw plichtsbetrachting wordt zelfgenoegzaamheid een voldoen aan eigen inzicht, in stee van een kinderlijk u onderwerpen aan uw God. Is daarentegen de wet alleen daarom voor u bindende, omdat God ze u gaj, en is uw innerlijke sympathie voor die wetenkei vrucht van het werk des Heiligen Geestes in uw binnenste, dan deed het er niet toe, wat in het proefgebod geboden werd, en kwam, hoe nietiger de zaak was, het feit, of er om Gods wil zou gehoorzaamd worden, te beslister en te zekerder uit.

— *——

„€cu teeg

bic nog lutnemimöer ié.'

! -- - —

1 Doch ijvert naar de beste

1 gaven; en ik wijs u eenen weg,

die nog uitnemender is.

i Cor. 12 : 31. 1

t L

e Een nóg uitnemender weg !

Uitnemender dan wat ? V an welke andere ,t wegen is hier sprake? Wat zijn die velerlei e wegen, die hier vergeleken worden, om ten slotte dien éénen weg der Liefde^ als den uit't nemendsten boven alle te prijzen r

Antwoord: Er is sprake van allerlei wegen, X' die men bewandelen kan om zijn God te dienen, ^ om zijn leven, zijn talenten, zijn persoon aan den

dienst van zijn God te wijden, Hem ztch te ie stellen tot een levende offerande.

H Daartoe nu, zoo zegt de apostel, kan u de e- weg ontsloten worden, door allerlei gaven en in ambten en roepingen. God, zoo schrijft hij, heeft er sommigen in de gemeente gesteld tot gezanten, anderen tot profeten, anderen tot leeraars, weer an,n deren tot krachten, nog anderen voor krankenge. nezing, of als helpende broederen, of als personen • voor de leiding en regeering der kerken, of einJn delijk als sprekers in wonderbare talen.

et En alle deze diensten roemt hij als schoon et en treffelijk, en als niet minst treffelijk de gaven ■ar des Geestes, die er toe verleend worden. Met ke hartelijk smeeken en zuchten zijn God om het mi verkrijgen van zulke geestelijke gaven aan te m. roepen, keurt hij daarom allerminst af. \ eeleer 1Pt roept hij zelf aan de mannen van Connthe toe dat ze om deze gaven ijveren zullen, d. 1. 'C' met een heilige jaloerschheid er met het ver:>e" langen hunner ziel naar zullen uitgaan.

'let In al die ambten en bedieningen, door en ■elf met al die geestelijke gaven is het alleszins monet gelijk uw God te dienen, Hem u toe te wijden, je- en alzoo een heilig doelwit voor uw leven te

om kiezen. , , . , ,

/an Alleen maar, hoe schoon geplaveid en hoe

js zuiver gebamd deze wegen ook zijn mogen, er

■ is een weg die nog uitnemender is.

liet Niet uitnemender om u des levens ast en den

^,eQ, strijd des levens gemakkelijker te maken ; neen

jrod maar uitnemender om te beter uw God te ver-

ter" heerlijken. . . ,

stig En die nóg uitnemender weg nu, dat ïs^de ge- weg der heilige, uit j God gewelde, en in God ver■ terugvloeiende liefde.

""hst*

dan En met dat zeggen, schijnt 's'aulus zelf op

:slis- eenmaal pijnlijk liefdeloos te worden.

,ede Daar wordt een oude grijsaard, daar wordt

rnil een jonge maagd, omdat ze in Jezus geloo ven,

^ door gerechtsdienaren aangegrepen en tenzij ze

! Tezus verloochenen willen, met den dood op

'ast> den brandstapel bedreigd. En zie, ze aarzelen

om niet. Hun geloof houdt stand. Ze geven hun

zij" lichaam over om verbrand te worden. En hun

>eeld broeders in Christus die het aanzien sidderen

is de van verschrikking, en bewonderen tegelijk hun

van martelaarsmöed.

- 11 11 1. 7- .. 1. ^4- <1 1-t ri Al-i-

- « . 1 i 1- ^Ai-rrp- 1 hpp r rrpsrnsnpn \v -a ^. h'/ n. 11 r: t cl o.

sleehts één schalm, maar die niet kon breken,

Sluiten