Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

i

Wie gezond van borst is, haalt rustig en geregeld adem, zonder aan zijn ademhaling te denken, of anderer oor door het geluid van zijn ademtocht te storen. En ging iemand in zijn ademhaling zulk een vermaak scheppen, dat hij opzettelijk, ook voor anderer oor, zijn adem hoorbaar uit en in deed gaan, zoo zou een ieder om zulk pronken met den ademtocht lachen.

En datzelfde nu geldt bij manier van spreken ook van het gebed, of wil men van den ademtocht die niet uit onze longen, maar uit onze ziel komt.

Wie God vreest, en wezenlijk vroom is, die bidt vanzelf. Hij kan niet anders. Hij bidt omdat zijn ziel er hem toe aandrijft. Niet om te bidden, maar omdat zijn ziel zonder gebed niet leeft.

Maar gaat men nu aan zulk bidden waarde hechten, gaat men zichzelven vromer vinden naar gelang men meer bidt. en vooral vromer dan een ander die minder bidt, dan heeft Satan zijn strik om dit gebed geslagen, komt de neiging op, om opzettelijk te gaan bidden opdat we in eigen of anderer oog vroom schijnen, en zijn we aan het ellendige pronken met onze gebeden toe.

En daartegen helpt nu maar één tegengiffen dat tegengif is, dat ge leert inzien, hoe uwe gebeden, wel verre van schoon of kostelijk in Gods oog te zijn, integendeel u veeleer ontsieren door hun verwerpelijkheid.

En dat nu is aan Johannes op Pathmos getoond, toen hij het altaar zag, waarheen alle gebeden der heiligen van deze aarde opstegen, en toen van die gebeden zoo hinderlijke (men 'vergeve ons het woord) stank opging, dat God er reukwerk op liet strooien, en die gebeden eerst verhooren kon, toen ze in de wolke van dat reukwerk gehuld, doordrongen tot zijn troon.

Die tegenstelling van > stank" en j reukwerk" is hier niets te sterk.

Wat anders toch was de beteekenis van het j reukwerk" in den dienst van Tabernakel en Tempel, dan om aan te duiden, dat wat de mensch ook offerde, dit op zich zelf Gode nooit een lieflijke reuke kon zijn, en dat er altoos hemelsch reukwerk bij moest, zou God de onaangenaamheid van die walging kunnen verdragen.

Die bijvoeging van reukwerk toch had niet alleen plaats als de stank van verbrand vet van het altaar opging, maar ook waar geen vet of vleesch verbrand werd. Zelfs, zie het maar in Lev. 16: 12, in het Heilige der heiligen.

Bij datgene wat vanzelf een rijken lieflijken geur van zich geeft, doet niemand reukwerk. Of wie zal een rozenbed met geuren gaan overdruipen? Heeft men daarentegen te doen met een kapsel, een kleed, een sieraad, een zaal of ook een menschenkind, die op zichzelf op onaangename wijze uw reukorganen aandoen, dan, en dan alleen, sprengt of brandt men reukwerk, dan doet wierook en kalmus zijn dienst, en dan strekt al zulk geurig reukwerk, om een lucht ot reuk die onaangenaam aandeed, welriekend en lieflijk van geur te maken.

Staat er dus, dat op het altaar van de gebeden der heiligen op last van den Heere onzen God reukwerk moest worden bijgestrooid, dan volgt hieruit, dat die gebeden, zonder dat reukwerk, het tegendeel van welriekend waren, dat ze eer walging en weerzin wekten, en dat ze eerst door de bijmenging van het Goddelijk reukwerk welriekend werden voor den Heilige.

Doch hiermee ligt dan ook al de gebedspronkzucht omver.

Die geestelijke oppronking van zichzelven kan stand houden, zoolang als ge uw gebed voor iets schoons, voor iets kostelijks aanziet, dat u siert. Maar ze oordeelt zich zelve en is onbestaanbaar, zoodra ge inziet, dat uw gebed, zooals het uit u opkomt, God eer stuit en afstoot, en veeleer walging bij Hem wekt, dan dat het welriekend van geur zou zijn in zijn neusgaten.

Wie denkt: »Mijn gebed is o, zoo schoon!" die verheft er zich op en spreekt graag over zijn bidden. Maar wie weet, hoe van alle kant besmet en bezoedeld zijn bidden is, die zwijgt, en schaamt zich voor zijn God.

Wat nu niet zeggen wil, dat innig vertrouwde broeders niet ook wel onder elkaar over hun bidden zouden mogen spreken. Dat kan men in heilige gemeenzaamheid niet altoos laten. Maar er is mee bedoeld, dat wie van zijn eigen gebed zeer klein denkt, en er al het gebrekkige van gevoelt, ook over zijn bidden »de beschaamdheid des aangezichts" zal kennen; terwijl omgekeerd de man die zijn eigen bidden, o, zoo fraai en heilig vindt, geneigd zal zijn, er zich op te verheffen, bij zijn eigen ziele eerst, en straks ook bij anderen.

Zoo is dan de tegenstelling vlijmend scherp, en heeft een iegelijk zichzelven op dit punt zonder sparen te onderzoeken.

Hoe staat ge nu in dit opzicht ? Bekent ge wel, dat ge in allerlei plicht te kort schiet, en een zondaar voor God zijt, maar dat ge dit toch hebt, dat ge bidden moogt en kunt, en dat die oogenblikken van gebed uw heilige oogenblikken zijn, een o, zoo heilige oase te midden van de woestijn van uw zieleleven, dan blijkt hieruit, dat ge met uw bidden nog te veel op hebt, en het klatergoud ook van uw bidden nog niet van het fijne goud van Ophir hebt leeren onderscheiden.

Is het daarent:gen, dat uw eigen bidden ti hindert, dat het u bijna nooit bevredigt, u o, zoo nietig, onbeduidend en onoprecht voor uw God toeschijnt, zoodat ge, na gebeden te hebben, nog even ten tweeden male zoudt willen neerknielen, om vergeving voor de zonde van uw bidden te vragen, dan ja, is er geestelijke onderscheiding ook in uw gebedsleven ingekomen en brengt de Heilige Geest u verder.

Maar ga op die lijn van onderscheiding dan ook onverbiddelijk door.

Immers het baat niets, of ge al zegt: Nu ja, onze beste werken zijn bezoedeld voor God, en zuiver in zijn oog kunnen zelfs onze gebeden nooit zijn; maar vergeleken bij mijn overig leven, is mijn gebedsleven toch nog het beste wat ik heb en vergelijkenderwijs rein en heilig.

Op dat standpunt toch komt de oude zelfingenomenheid met uw eigen bidden ongemerkt toch weer boven, is er van smarte over uw armelijk bidden geen sprake, en ligt het oude pronken met uw bidden weer vlak voor de deur van uw hart.

Neen, uw overtuiging dat uw bidden voor God niet bestaan kan, en niet maar niet welriekend, maar-walgingwekkend voor zijn Goddelijk besef is, moet zoo diep in u dringen, dat ge de oogenblikken kent, dat ge haast niet meer durft bidden, en nauwlijks uw oogen naar den hemel durft opslaan, uit vreeze van weer door uw onrein gebed den heiligen dampkring om Gods troon te besmetten en te bezoedelen.

Alle zelfvertrouwen in uw eigen gebed en eigen bidden moet met wortel en tak uit u uitgesneden.

Ge moet zoover komen, dat ge n;et maai erkent, maar dat ge feitelijk gevoelt, hoe ge zelfs met uw bidden uw schuld al zwaarder maakt.

K

Al dat roepen: »o, Als ik maar bid, zal ik wel gered worden", moet er ook bij u uit, en het oogenblik moet komen, dat ge letterlijk in de gebeds-wanhoop vervalt, en, de handen ten hemel wringend, uzelven en, uw God alvraagt, wat ge toch met uw ellendig, zondig hart voor nu en eeuwig zult aanvangen, nu zelfs het beste wat ge dan nog in uw bidden hadt, derwijze ontheiligd wordt door de zonde in uw hart.

En door die gebedswanhoop heen ontsluit zich dan voor u het recht verstand vznjlat, reukwerk, dat God op zijn altaar bij de gebeden der heiligen laat mengen.

Er is een altaar der gebeden voor zijn troon. Een altaar niet voor alle gebeden, maar een altaar voor de gebeden van zijn heiligen. Hij duldt het, dat die bezoedelde gebeden zijner heiligen voor zijn troon opklimmen. Maar wetende, hoe besmet en vol walging ze zijn, voegt de Heere er in zijn genade nu zelf het hemelsche reukwerk aan toe, ontsteekt in datjreukwerk de welriekende geuren, laat die geuren in de gebeden der heiligen doordringen, en zóó dooreengemend, komen de gebeden der heiligen*dan als een lieflijke reuke voor zijn aangezicht.

Nu is dat reukwerk voor wie ingenomen is met zijn gebed en met zijn bidden pronkt, natuurlijk gansch overtollig. Waartoe zou bij zijn kostelijk en heilig gebed dat hemelsche reukwerk nog gevoegd worden ?

Zulk een pronker met zijn bidden, moge over zulk reukwerk nog zoo devoot spreken, in zijn ziel houdt hij zijn gebed zelf voor heilig reukwerk, en heeft dus dat bijvoegsel van Goddelijke genade niet noodig.

Maar wel is dit reukwerk van hemelsche genade onmisbaar voor den in zichzelven beschaamden bidder, die óprëchtelijk gevoelt, dat zulk onheilig bidden, als hij doet, er toch waarlijk bij God niet door kan.

Want wie zóó klein is gemaakt óók in zijn bidden, en ook als bidder het pad der nederigen kent, weet, als dat reukwerk der genade uitblijft, met zijn bidden geen uitweg.

Hij zou niet meer durven bidden, om zijn ziel niet te bezondigen, en toch weer moeten bidden om niet in zonde en ongeloof te vervallen, en tusschen dat moeten bidden, en toch niet recht kunnen, en daarom niet durven bidden, zou zijn verslagen ziel her- en 'derwaarts worden geslingerd, zonder dat er ooit ruste kwam voor zijn hart.

Vandaar dat de beschaamde bidder zoo opspringt van vreugde in zijn ziel, als hij van dat hemelsche reukwerk, waardoor Christus zijn bezoedelde gebeden ontsmet, in het Goddelijk getuigenis lezen mag.

Want voor hem ligt in dat reukwerk al de uitkomst, die hem bekwaamt om met zijn gebed tot den Heilige door te dringen.

Alleen door dit reukwerk Christi kan zijn gebed gehoord, alleen door dat reukwerk van zijn Heiland kan het verhoord worden; en daarom is bidden, zonder dat op dit reukwerk zijn hope staat, voor hem almeer ondenkbaar.

Dat »reukwerk" zoekt hij als hij bidt fin fezus' naam" of als hij verhooring afsmeekt »om Jezus' wille".

Van oudsher een devoot, een vroom toevoegsel in het besluit onzer gebeden, dat nu voor velen wel een klank zonder zin, en overtollig slotwoord is geworden, maar een toevoegsel waar de beschaamde bidder niet buiten kan.

Want in dit »om Jezus1 wille" ligt zijn ootmoedige betuiging, dat zijn gebed zonder dat reukwerk voor God niet kon opklimmen, maar dat het zijn Hoogepriester in de hemelen is, die ook zijn gebeden door den lieflijken geur van zijn hemelsch reukwerk welriekend kan en wil maken bij God.

Amsterdam, 12 Juni 1896. Onze Zending.

In een kwartijn, honderd bladzijden groot, verscheen het Rapport in sake de Zending.

Het exceptioneel teedere en gewichtige der Zending als zoodanig verontschuldige ons, waar we ons veroorloven over dit Rapport een kort woord in het midden te brengen.

Niet dat we daarbij op de details,-hetzij van het eigenlijke Rapport, hetzij op het tegenvoorstel van de HH. De Gaay^ Fortman en Wagenaar, ingaan.

Dat laten we aan de Synode over.

Maar wel mogen we ons protest niet achterwege houden tegen de o. i. geheel verkeerde wijze, waarop deze zaak werd opgezet.

Geheel dit rapport toch gaat uit van de keuze tusschen twee methoden, waarvan men de eene als die der centralisatie, de andere als die der decentralisatie aandient.

En reeds dit nu is hier ten eenenmale valsch.

Waar dan nog bijkomt, dat men, na deze onhoudbare tegenstelling gemaakt te heb ben, het daarna doet voorkomen, alsof de methode der centralisatie belichaamd ware in het voorstel van Deputaten, en de methode der decentralisatie in het tegenvoorstel.

Van dit laatste nu is niets aan.

Zoowel het voorstel van Deputaten, als het tegenvoorstel, biedt niets dan ééne deivele proeven, waarop centralistisch ofdecentralistisch de zaak te regelen ware.

Stel dus al dat de 'Synode voor het stelsel van centralisatie koos, dan kon ze daarom nog zeer wel deze proeve van toepassing van het stelsel afkeuren, of ook, zoo ze voor centralisatie koos, verwerpen wat de broederen Fortman en Wagenaar voorstellen.

Maar hoofdpunt is en blijft uiteraard de onjuiste voorstelling, alsof hier tusschen centralisatie en decentralisatie te kiezen ware.

Immers verheft men deze tegenstelling tot een tegenstelling der beginselen, dan is de zaak in minder dan geen tijd uitgemaakt, en is het zoo klaar als de dag, dat het beginsel van centralisatie Roomsch en hiërarchisch is, en dat onze Gereformeerde kerken krachtens haar geheele belijdenis zoo beslist en kras mogelijk tegen het beginsel van centralisatie overstaan, dit veroordeelen en verwerpen, en er van verre geen gemeenschap mede mogen hebben.

Zoo is het dan ook door de rapporteerende Deputaten in het minst niet bedoeld.

Ze denken er van verre niet aan, om onzen federalistischen kerkvorm door een hiërarehischen te vervangen, en willen niets

liever dan zuiver Gereformeerd blijven in het verwerpen en uitbannen van elk centralistisch beginsel van kerkrecht.

Doch juist hieruit volgt dan ook, dat de gemaakte tegenstelling als tegenstelling van beginselen hier niet kan worden toegelaten, en ten onrechte als uitgangspunt van beslissing is genomen.

Op staatkundig gebied kan men zoo redeneeren, en dientengevolge in de tegenstelling van centralisatie of decentralisatie het uitgangspunt voor zijn beslissing nemen, maar men kan en mag dit nimmer doen in de Gereformeerde kerken, overmits deze zoo dikwijls deze tegenstelling als tegenstelling van beginselen werd bedoeld, reeds sinds drie eeuwen partij hebben gekozen, en dat op de meest besliste manier.

Al wat deze tegenstelling op Gereformeerd terrein nog beteekenen mag, is niets dan een zeer bijkomstige vraag van wijze van regeling en van te volgen methode.

Decentralisatie moet, wat het beginsel aangaat, op kerkelijk terrein onzer aller uitgangspunt zijn; maar evenzoo hebben beide partijen in dit geding zich de vraag te stellen, op welke manier en op wat wijze de belangen der enkele kerken met die van alle kerken het best in overeenstemming zijn te brengen.

Dit echter raakt nooit een beginsel, maar uitsluitend een methode van regeling, de poging om een en ander in het juiste verband te zetten; terwijl omgekeerd de principieele beslissing alleen voort mag vloeien uit wat voor alle Gereformeerden de vaststaande beginselen van kerkrecht zijn.

Hoogst verderfelijk zou het dan ook zijn, indien de komende Synode, als gold het een quaestie van beginsel, tusschen decentralisatie en centralisatie koos.

Daardoor toch zouden de eigenlijke beginselen die hier den doorslag moeten geven, geheel op den achtergrond raken en uit het oog worden verloren. En koos dan de Synode voor centralisatie, en deed ze dit als gold het hier een beginsel, dan kon daardoor een kiem van bederf in heel ons kerkverband zijn ingedragen, dat ten slotte heel ons kerkverband van zijn frissche veerkracht zou berooven.

Laat ons toch wijzer zijn.

Kerkelijk de Zending van Gereformeerde kerken te regelen is een nieuw en uiterst moeilijk probleem, en aan de oplossing van dit probleem moeten we allen saam onze beste krachten beproeven.

Nu ligt het echter voor de hand, dat meer dan één onder ons, daarbij liefst het voorbeeld volgt, van wat in Schotland en Amerika door Presbyteriaansche kerken dusver tot stand is gebracht.

Volgt men toch dat voorbeeld, dan heeft men de les der ervaring voor zich, en is men op tal van punten gereed met een oplossing, die men slechts van anderen heeft over te nemen.

Zij nu die veel met de buitenlandsche Zending bezig zijn, en lezen wat daarover in Engelsche tijdschriften geschreven wordt, ondergaan hierdoor onwillekeurig zekere hypnose, en neigen diensvolgens tot het leveren van kopie.

Dit is zoo natuurlijk, dat het bevreemden zou als het anders ware.

Op zich zelf geven we dan ook toe, dat het een te veroordeelen zelfgenoegzaamheid zou zijn, indien we met deze lessen der ervaring niet rekenden.

Maar evenmin mag uit het oog worden verloren, dat deze buitenlandsche kerken bijna alle afgeweken zijn van de belijdenis, en dat ze zonder onderscheid alle in haar kerkinrichting den collegialen weg zijn opgegaan, en zulks met geheele of gedeeltelijke verloochening van de Gereformeerde beginselen van ^kerkrecht.

En dit nu stelt het ons ten plicht, om duidelijk de vraag te stellen, of haar collegiale gezindheid al dan niet óók van invloed is geweest op de wijze waarop zij haar Zending hebben ingericht en nog drijven.

Goede oplossing van dit moeilijk probleem, is daarom o. i. alleen te vinden, indien men de methode der buitenlandsche kerken, die blijkbaar door Deputaten thans officieel wordt aanbevolen, ernstig toetst aan de beginselen van Gereformeerd kerkrecht, en zich de vraag stelt, welke wijziging in die methode door die beginselen geëischt wordt.

Dat de Zending voor een zeer aanzienlijk deel beschouwd moet worden als een arbeid der gezamenlijke kerken, is o.i. buiten kijf.

Maar dit is heel iets anders dan een stelsel

van centralisatie.

Onthouding.

XV.

Zij die tegen de fiscale bemoeiing van de Overheid in zake den sterken drank opkomen, doen dit niet, alsof ze elk recht aan de Overheid om op dit kwaad te letten wilden betwisten, maar omdat ze oordeelen, dat de zware accijns het kwaad niet stuit, en de positie der Overheid vervalscht.

Gelijk thans de zaken ten onzent staan, leeft de Overheid voor één vijfde deel van de opbrengst van den accijns op den sterken drank. En nu ligt het toch in den aard der zaak, dat men nooit in hart en ziel op kan treden als bestrijder van zulk een kwaad, wanneer men zelf bij de voortwoekering van dit kwaad een belang heeft, dat jaarlijks in het cijfer van bijna 30 millioen wordt uitgedrukt.

Iemand die een slijterij erfde waaruit hij jaarlijks tien duizend gulden trok, en deze aanhield, zou niet de aangewezen man zijn, om als Voorzitter van een Afschaffersbond op te treden.

Hij zou er de zedelijke veerkracht niet toe bezitten, ook al kon hij bewijzen, dat hij die slijterij tegen zijn zin kreeg, en niets deed om haar debiet te vergrooten.

redeneeren, en dientengevolge in de tegenstelling van centralisatie of decentralisatie

maar men kan en mag dit nimmer doen

Een krachtig optreden van de Overheid wordt deswege dan eerst én tegen de opium én tegen den sterken drank denkbaar, als de fïnancieele band tusschen de Overheid en de narcotica is losgemaakt.

Ook hier schuilt het kwaad in de zilveren koorde.

Al kan men het daarom eenerzij ds toejuichen, dat de accijns telkens eenigszins verzwaard wordt, daarom mag toch niet voorbijgezien, dat juist elke nieuwe verhooging van dezen accijns de finale oplossing van dit vraagstuk tegenhoudt.

Laten we nu intusschen deze netelige accijns-quaestie voor een oogenblik rusten, dan mag gezegd, dat het op zichzelf niet op den weg der Overheid ligt, om in quaestiën van zuiver zedelijke ontwikkeling zelve op te treden.

Eisch van zedelijke ontwikkeling is juist dat ze voortspruite uit eigen inzicht en overtuiging.

Gedwongen plichtsbetrachting boet juist door dezen dwang het kenmerk van het zedelijke en vrije in.

Alleen het spontane en zelf gewilde heeft, naar hooger maatstaf gemeten, zedelijke waardij.

Ook al ware het dus, dat de Overheid door uitwendigen dwang allerlei zedelijke ontaarding stuitte, toch zou door dien dwang nooit een vrij zedelijk leven ontluiken kunnen.

Iets waar in de tweede plaats bijkomt, dat een Overheid die geen professie doet van eenige Christelijk religie, nooit anders de zedelijkheid drijven kan, dan losgemaakt van den wortel der religie, gelijk

b. v. op de openbare school het geval is. Daar toch werpt de Staat zich op als zedenmeester, om >Christelijke en maatschappelijke deugden" in te prenten. Maar juist wijl de Overheid dit doet zonder wortel of steunpunt in de religie, ondermijnt ze altoos het ware begrip van alle zedelijkheid.

In deze beide overwegingen ligt dan ook de oorzaak, waarom van Gereformeerde zijde, in de tegenwoordige omstandigheden, steeds geleeraard is, dat de Overheid het veiligst gaat, met de zedelijke ontwikkeling aan het initiatief der burgerij over te laten.

Dit nu op ons ontwerp toepassende, leidt dit ook hier tot de slotsom, dat de Overheid eerst dan in zake de bestrijding van den sterken drank behoort op te treden, als het duidelijk is, dat men hier niet staat voor een vraagstuk van zedelijke worsteling, maar voor een nationale calamiteit.

Het strafbaar stellen van publieke dronkenschap ligt geheel daarbuiten. Het is duidelijk, dat evenals de publieke eerbaarheid, zoo ook de publieke nuchterheid door de Overheid moet gehandhaafd worden.

Publieke dronkenschap leidt tot allerlei schandaal en misdrijf, én geeft overlast aan anderen.

Maar voor het overige is de Overheid dan eerst geroepen ten deze handelend op te treden, als ze ziet, dat er geen sprake meer is van een vrije zedelijke worsteling, maar dat er een kwaad is uitgebroken, dat de levenskracht van de natie als natie aantast.

Van dat oogenblik af toch treedt de sterke drank voor haar in het licht van een gif of een vernielende smetstof, en is ze gedwongen al die maatregelen te nemen, die ze ook anders neemt bij elke publieke calamiteit.

Dit standpunt nu heeft de regeering hier te lande reeds feitelijk ingenomen met het invoeren van de dusgenaamde vergunningen.

Mag een spijs of drank niet meer vrij worden verkocht, doch is er om er in te handelen een afzonderlijke vergunning noodig, dan ligt daarin uitgesproken, dat er in het vrije slijten gevaar schuilt.

Brood en melk mag ieder verkoopen, en het komt niemand in den zin daarvoor vergunningen uit te geven.

Ook draagt zulk een vergunning niet het karakter van een patent, want de patenten zijn afgeschaft, en waren van gansch andere natuur.

Vraagt men zich af, of de Overheid, zich op dit standpunt stellende, nu metterdaad door haar stelsel van vergunning het beoogde doel bereikt heeft, dan kan hierop niet anders geantwoord, dan dat dit alleen denkbaar is, zoo het voorgestelde doel bitter klein in beteekenis was.

Want iets ja, is er mee gewonnen. Eukele krotten zijn opgeruimd. Het tal van kroegen en slijterijen is eenigszins geslonken. En vooral het beperken van vermengden verkoop werkt niet ongunstig.

Maar vergelijkt men de kleinheid van dit middel, met de ontzaglijke afmetingen van het kwaad, dan is kwalijk een ander oordeel mogelijk, dan dat deze halve maatregel tot stuiting van het kwaad ten eenenmale onbekwaam is.

Ernstig dient uit dien hoofde de vraag overwogen, of de Overheid al dan niet acht, dat het kwaad thans reeds zoover is voortgeschreden, dat zij tegen dit kwaad als tegen een publieke calamiteit moet optreden.

Doch neemt ze dit standpunt in, en acht ze op grond van de statistiek der misdrijven, der zelfmoorden, der krankzinnigen, der armlastigen en der hospitalen te mogen constateeren, dat het nemen van maatregelen tegen deze vergiftiging van het nationale leven noodzakelijk is, dan trede ze ook met veerkracht en beleid op, en late zich door geen vrees voor fïnancieele tekorten ontmoedigen.

In Scandinavië is bij proef op de som gebleken, dat zulk optreden van de Overheid metterdaad doel kan treffen.

Allerwegen is men op verweer tegen dit reusachtig kwaad bedacht.

Maar dan kieze men ook het juiste standpunt, rechtvaardige zijn oordeel uit de statistiek, en neme voorts zijn maatregelen niet half maar heel, zóó dat ze doel treffen.

Ook hier schuilt het kwaad in de zilve-

zwaard wordt, daarom mag toch niet

ging van dezen accijns de finale oplossing

dan mag gezegd, dat het op zichzelf niet

Oordeel van Da. JLittooy.

Overmits het Bezwaarschrift tegen Dr. Kuyper ingediend, bedoelt, dat, naar de klagers wenschen, de Generale Synode der Gereformeerde kerken den kerkeraad van Bedum in (het gelijk en Dr. Kuyper in het ongelijk zal stellen, iets wat er noodzakelijkerwijze toe leiden zou, om Dr. Kuyper van zijn rechten in de Gereformeerde kerken te ontzetten, en hem buiten het kerkverband dier kerken te sluiten, juist op dezelfde wijze als dit in 1887 door de Haagsche Synode ten opzichte van het Ned. Hervormd Genootschap is geschied, komt het ons van belang voor, onze lezers op de hoogte te houden van hetgeen over dit Bezwaarschrift in de kerkelijke pers geoordeeld wordt.

Ziehier al aanstonds het oordeel van Ds, Littooy in de Zuider Kerkbode.

Zooals wjj vóór eenige weken schreven, hoopten wij, dat de bekende publieke corn spondentie tegenover Dr. Kuyper niet tot eene aanklacht in kerkelijken weg zou komen. Anderen dachten hier blijkbaar anders over; ten minste zij wilden, volgens hun schrijven, liever eene behandeling der zaken in geschil, in den kerkelijken weg. Wij voor ons meenen, dat eene gedachtenwisseling over punten in geschil in publieke bladen gansch niet het aanzien heeft en ook volstrekt niet zoo ernstig is, als eene aanklacht in kerkelijken weg.

Aangeklaagd te worden van onrechtzinnigheid was en is in de Gereformeerde kerken altoos eene zaak van beteekenis. Daarover werd in den regel veel gesproken en geschreven.

Hun, die het gold, deed het pijnlijk aan; wanneer zij ten minste niet onverschillig waren in betrekking tot hunne zuiverheid in de leer. Geen wonder. — Want, wordt de aanklacht waar gemaakt, dan heeft de aangeklaagde in de Gereformeerde kerken zijn invloed voor een deel of geheel verloren. Naar de geschiedenis ons leert, is zijn invloed dan meestal weg.

Daaromtrent nu mogen wij niet onverschillig zijn; immers een goede naam is beter dan goede olie. Wij hebben invloed en vertrouwen noodig, om den Heere en zijne Gemeente te dienen.

Het is dtórom dure roeping, met al wat in ons is, onder opzien tot God, werkzaam te zijn, ten einde een goeden naam te verkrijgen en te» behouden.

Op de taak, die wij hier te vervullen hebben, moet in alles steeds het oog gevestigd zijn.

Naarmate die taak zwaarder en heerlijker is, en wij dies door den Heere hooger geplaatst zijn en voor Hem meer kunnen en mogen doen, naar die mate is het bewaren van onzen goeden naam van gewicht.

Dat moeten wij zeiven en ook zij, die met ons den Heere dienen en voor de belangen van Zijn koninkrijk leven, steeds in het oog houden en bedenken. De duivel en de wereld hebben verbazend veel gewonnen, wanneer zij de mannen, die de Heere bijzonder toegerust heeft en gebruiken wil, voor zich en voor hun rijk onschadelijk kunnen maken, door hen hunnen goeden naam te rooven. Het zou hun gewis meer gelukken, indien de Heere niet regeerde en in Zijne ondoorgrondelijke regeering daarvoor geen zorge droeg.

Ons-zelven onmogelijk te maken is den duivel in de hand en den Heere tegen te werken, en alzoo groote zonde.

Wij behooren ons-zelven niet toe, en hebben het zeggenschap over ons-zelven niet.

Wanneer medestanders, zij, die met ons in Jezus Christus gelooven en voor Jezus leven, ons in verdenking doen komen en onzen arbeid voor den Heere krachteloos maken, bezondigen zij zich. Zij schaden hen, die zij zonder genoegzame reden krachteloos maken in hunnen arbeid, zij schaden zich zeiven, zij schaden de Gemeente en zij schaden de zaak en den naam des Heeren.

Tot voorzichtigheid in dezen moeten wij mitsdien ons-zelven en, zoo noodig ook anderen aanmanen.

Het is waar, en wij stemmen het daarom gul en gaaf toe, dat ook voor de zuiverheid der leer door ons allen, inzonderheid door de kerken, moet gewaakt worden. De kerken moeten het goede pand haar toebetrouwd bewaren, tot op den dag van Jezus Christus. Daaraan is &lles gelegen. Daarvoor moet dus in de eerste plaats gezorgd worden.

Ook kan de Heere onze God door Zijn genadig en aanbiddelijk bestuur hetgeen wij eerst denken tegen ons en, wat meer zegt, tegen het belang der Kerken en de eer Zijns Naams te zijn, boven onze verwachting doen uitloopen. Hij kan het ten beste keeren. Welnu, laten wij, die van het protest van Bedums kerkeraad hoorden en lazen, dit van den Heere smeeken.

Bidden wij hun, die in dit geschil geroepen worden uitspraak te doen, den geest der heilige voorzichtigheid en der ware wijsheid toe.

Er is veel misverstand in het spel, ook wordt nu en dan te veel en ten onrechte afgeleid uit hetgeen door Dr. Kuyper geleeraard is, en er zijn ook 0. i. enkele stellingen, waarbij de denkkracht het kinderlijk geloof parten heeft gespeeld.

Zeer veel staat er in verband met het supralapsarische standpunt. Voor het logisch denken heeft dit standpunt schier alles voor; maar in de Heilige Schrift en de Gereformeerde leer zijn er, naar wij ons verzekerd houden, veel meer bewijzen voor het infra-lapsarische. Met de wetten van ons logisch denken loopen wij, toegepast op den Heere onzen God, wel eens spaak.

God is groot en wij begrijpen Hem niet, en wij moeten dies onze gedachten vaak gevangen geven onder de gehoorzaamheid des geloofs. Dat moeten ook de geleerden en de diepste denkers doen.

Doch zij, die uit de goudmijn der Heilige Schrift en der Gereformeerde leer niet putten, niet bij vernieuwing putten, ten einde de Kerken te verrijken, kunnen ook geen stof bij goud geven. En zij, die zich beijveren om veel te geven, kunnen er iets bij hebben, dat in den smeltkroes geworpen, bevonden wordt niet tot het goede goud te behooren.

Dat ten slotte aan te wijzen is altijd gemakkelijker dan den voorraad te bezorgen. Deze overweging moet tot bescheidenheid nopen. Aan die bescheidenheid haperde het wel eens wat in de publieke correspondentie, waarop het Bezwaarschrift wijst. Niet alleen werd goud soms voor stof aangezien, maar ook werd van ketterijen spoedig en gemakkelijk gewag gemaakt.

Dit gematigde en bezadigde oordeel is olie op de wateren.

Slechts betwiste niemand Bedums recht van spreken.

Gelijk men weet is onzerzijds steeds verklaard, dat wij geen de minste aanmerking

Sluiten