Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ton üc

Het auteursrecht van den inhoud van dit blad wordt verzekerd overeenkomstig de wet van a8 Juni x88i (Staatsblad N*. 124),

Dit blad wordt geregeld des Vrijdags aan de geabonneerden verzonden. Bijdragen van medewerkers, Ingezonden stukken en alles wat verder den Inhoud van dit blad betreft, te adresseeren aan de REDACTIE. Abonnementen en Advertentlën aan den Uitgever J. 1. WORM SER; Bureau S.Z. Voorburgwal 44, te Amsterdam.

laxendlngen die later dan Donderdag 's namiddags te 12 uren worden ontvangen kunnen voor het nummer van die week niet meer in aanmerking komen

Zondag 15 November 1896. N°. 986.

Abonnementsprijs S franco aan huis, per drie maanden f 1.20. Afzonderlijks

nummers aan het Bureel 10 Cent.

Abonnementen worden aangenomen

enz. en aan het Bureel te Amsterdam.

Advertentlën: van 1 tot 8 regels 90 Cent; voor eiken regel meer IK Cent. Aanvragen en vermelding van liefdegaven en Verslagen van Vereenigingen 10 Ct. p. regel.

door alle Boekhandelaren, Postdirecteuren

fëan tic Btmtene

Tweede stuk.

Zijne bliksemen verlichten de wereld; het aardrijk ziet ze en het beeft. Psalm 97 : 4.

IX.

De voorstelling, alsof het genadewerk Gods zich van Abrahams roeping af tot op den Pinksterdag van de volken geheel had teruggetrokken, om zich uitsluitend saam te trekken in Israël, bleek alzoo met de duidelijke openbaring der Schrift onvereenigbaar. Het was niet zoo, dat alle overige volkeren saam een van God vergeten menschenmassa waren, die doelloos en nutteloos zich voortplantte, terwijl alleen Israël beteekenis had. Zelfs mag men niet zeggen, dat Israël de parel was en wat daar buiten lag de schelp, of ook alsof Israël het koren was, en alle volkeren saam het kaf. Want wel ligt in deze beide beelden de erkentenis, dat ook de volkeren beteekenis voor Israël hadden. Immers de parel ontwikkelt zich niet zonder schelp, en het koren rijpt niet zonder het kaf. Maar toch ligt er nog te zeer de nevengedachte in, alsof het alleen om Israël te doen ware, en alsof heel het aardrijk alleen om Israël bestond. Voor wie de perel draagt 's de schelp onverschillig', wie uit koren brood bakt, denkt niet meer om het kaf. En dit nu zou metterdaad de omgekeerde verhouding zijn. De kranke is er niet om bet medicijn, maar het medicijn is er om den kranke. En zoo ook is Israël door God geschapen om de volkeren te redden. Ware Adam niet gevallen, er zou nooit een Israël geweest zijn. En daarom keert ge de historie, en dus ook het Godsplan om, als ge het voorstelt, alsof de volkeren er om Israël waren.

Op dit pas stuiten we intusschen op een begrijpelijke bedenking, waarover we niet heen mogen glijden. Is het dan niet meer waar, zoo vraagt men ons, dat het heelal om deze aarde, deze aarde om den mensch, de menschheid om de kerk, en de kerk om Christus bestaat? En die vraag beantwoorden we zonder aarzeling in bevestigenden zin, mits ge de kerk dan neemt niet als instituut, maar als het lichaam van Gods uitverkorenen, d. i. het mystieke lichaam van Christus. In dien zin staat het, op grond van Gods Woord, ook voor ons vast," dat alle ding zich om den Zoon als Middenpunt beweegt, dat de uitverkorenen hem door den Vader gegeven zijn, en dat diensvolgens heel ons menschelijk geslacht met zijn historie zich beweegt om de kerke Gods. En zonder de tegenbedenking, die ge hieruit als gevolgtrekking wilt afleiden af te wachten, willen we aanstonds voor »de kerke Gods" hier den naam van > Israël" invullen,

alzoo toegeven, dat heel de historie der

dat heel de mystieke kerk van Christus niet in overdrachtelijken, maar in antitypischen zin, wezenlijk Israël is, en dat om dit »Israël" zich heel de menschheid, en al de historie

der volkeren beweegt. — Maar dan komt de

naam Israël hier ook niet meer in zijn typische, maar in zijn antitypische beteekenis voor. Dan is met dien naam niet bedoeld dat ééne kleine volkje, dat in Palestina huisde, maar het > lichaam der uitverkorenen uit alle geslachten der aarde van den aanbeginne der wereld tot den einde toe, onder

Christus als het Hoofd vergaderd, in hem

ingelijfd, en aan hem als Davids Zoon naar

het vleesch, dezen antitypischen naam van Israël ontleenende". Dan blijft dus de regel doorgaan, dat het volk van Jakob door God geschapen en verrijkt werd, om voor andere volkeren d. i. om voor de volkeren der wereld, het medicijn des eeuwigen levens te bereiden. En dan ligt hierbij het mystieke alleen daarin, dat deze »balsem van Gilead", die voor heel de wereld in Palaestina bereid werd, niet is

een medicijn, dat uitwendig wordt toege¬

diend, maar een medicijn, dat tot in den wortel des levens indringt, en alleen werkt door %vedergeboorte en geloof.

en

wereld door > Israël" wordt beheerscht. Ook hiermede echter vordert ge voor uwjoodsch particularisme niets. Als er in Jeremia 33 : 22

staat: » Gelijk het heir des hemels niet ge

teld en het zand der zee niet gemeten kan worden, alzoo zal Ik vermenigvuldigen het zaad van mijnen knecht David en de Levieten die Mii dienen", kan en mag dit niet

verstaan in dynastieken of hiërarchischen zin. Het wil niet zeggen, dat het vorstenhuis van David als historische dynastie genomen in millioenen en nogmaals millioenen

prinsen en prinsessen zou uitbreken, noch j ook dat de stam van Levi de halve wereld bevolken zou. Klaarlijk is de beteekenis dezer profetie deze, dat uit David de Christus zou geboren worden, en dat alle uitverkorenen Christus ingelijfd en, als zijn broeders, het eeuwige zaad van David zouden zijn. Alsmede dat, gelijk de Levieten onder het vleeschelijk Israël weinige waren geweest, zoo onder het geestelijk Israël de ambtsdragers Christi in ontelbare menigte zouden uitbreken.

Hier voelt ge alzoo den typischen band. Feitelijk is de Christus uit de lendenen Davids, zooveel het vleesch aangaat, voortgekomen. Het is, om het nu eens kras uit te drukken, Davids vleesch en bloed dat de Zone Gods uit Maria aannam, dat na het kruis in het graf ging, dat uit den dood werd opgewekt, in Christus ten hemel voer, en nu eeuwiglijk in den hemel zijn menschelijke natuur dient. Ook als de Christus op de wolken wederkomt, zal hij wederkeeren in dit Davidische vleesch, en als zoodanig zal aller oog hem zien. Door de wedergeboorte en de inlijving in het mystieke

Lichaam des Heeren hebben voorts metterdaad alle uitverkorenen hieraan deel. Men

kan zeggen: Door ons zijn broeders niet maar te noemen, maar te maken, maakt Davids groote Zoon, ons evenzoo tot meer dan aangenomen »zonen Davids". Zoo

wordt metterdaad de profetie vervuld, dat het ïzaad van David vermenigvuldigd wordt,

het heir des hemels en het zand der

zee." En in dien zin nu is het onloochenbaar,

Hoe volstrekt niet particularistisch, maar Goddelijk-universeel de Openbaring is, voelt ge dan ook terstond, als ge b.v. Psalm 97 opslaat: »De Heere, zoo heet het daar, d. i. Jehova, onze Verbondsgod, de Heere regeert", en er volgt dan: >de aarde verheuge zich, dat vele eilanden (aldus worden de volke¬

ren ten westen van Palaestina genoemd) zich

verblijden." >Zijne bliksemen verlichten de wereld, het aardrijk ziet ze en het beeft. De bergen smelten als was voor het aanschijn des Heeren der gansche aarde. De hemelen ver¬

kondigen zijn gerechtigheid, en alle volken zien zijn eere. Buigt u neder voor Hem, alle

gij goden". »Gij, Heere, zij t de Allerhoogste

over de ge nee le aarde . Voorat gaat in rsalm 96: »Zingt den Heere, gij gansche aarde. Vertelt onder de Heidenen zijn eere, onder alle volken zijne wonderen. Geeft den Heere, gij geslachten der volken, geeft den Heere eere en sterkte. Aanbidt den Heere in de heerlijkheid zijns Heiligdoms, g ij gansche aarde. Zegt onder de heidenen: De Heere regeert; ook zal de wereld bevestigd worden; zij zal niet wankelen. Hij zal de volken richten in rechtmatigheid. Hij zal de wereld richten met gerechtigheid en de volken met zijne waarheid." En neemt ge den Psalm die op Psalm 97 volgt, ook daar heet het weer: »Hij heeft zijn gerechtigheid geopenbaard voor de oogen der heidenen-, al de einden der aarde hebben gezien het heil onzes Gods.

De zee bruise met hare volheid, de wereld

met degenen die daarin wonen. Want Hij komt om de aarde te richten; Hij zal de wereld richten in gerechtigheid, en de volken in alle rechtmatigheid." En zoo is het heel den Psalmbundel door. Altoos naar den grondtoon, »dat er geen sprake of geen oord is,

waar zijn stem niet wordt gehoord." Het is

in Sem dat de lente des Heeren wordt ongericht, maar opdat Taphet er in zou

4 o ' » -

wonen.

of van God was het in zijn Voorzienigheid geleid, God had hem het leven gegeven, en al de haren des hoofds ook van dat kleine wicht in Elam geteld.

Alle voorstelling alsof God de Heere, dan jawel ook met die volken in het groot gerekend had, zooals wij dat doen bij een historisch overzicht, maar alsof het diep ingaande en in alles doordringende van Gods bestel alleen bij Israël te verheerlijken ware, vervalt hiermede vanzelf. Neen, door al die eeuwen dat Israël van Mozes' dagen af tot op den Pinksterdag van de heidenen was afgezonderd, is het werk Gods onder de volken van dag tot dag en van nacht tot nacht doorgegaan onder elke natie, in elke stad of dorp der volkeren, in al hun huisgezinnen, in elk persoon, tot zelfs bij slaaf en zuigeling. Zijn bemoeiing met de volkeren was dus geene oppervlakkige bemoeiing, maar een gansch aanbiddelijk, groot en machtig werk, doorgaande tot in het kleinste en in het allergeringste toe. Meer nog, dat was zoo, niet alleen wijl God geen deel van zijn schepping aan zichzelf overlaten kan, maar het was zoo van eeuwigheid bepaald in den Raad zijns welbehagens, en in het eeuwig Besluit van zijn Goddelijken wil. In dat Besluit was elk volk, was elke natie, en in die natie en in dat volk elk geslacht en elk persoon opgenomen, met heel hun levensloop, en met al wat het leven hun baren zou. God, zijn Besluit uitvoerende, kan dus niet van de volken afzien, om enkel op Israël zijn bemoeiing saam te trekken. Zijn Besluit droeg in zich het lot der gansche menschheid, niet enkel in groote afmetingen, maar tot in het kleinste en bijzonderste, en, al duizelt het ons bij het in¬

denken, zelfs heeft al die eeuwen door

onder al die volken geen zwaluw haar nest in de schuur gebouwd, of is geen lelie des velds uit hun akker opgeschoten, of God heeft die zwaluw haar plek aangewezen en God heeft die lelie bekleed. Zoover is het er vandaan,

dat de volkeren al die eeuwen lang slechts menschelijke vulstof waren, kaf opdat Israël

zou bloeien.

Zoo ontvangt ge dus in het minst niet den indruk van een wereld die er niet toe doet, met in die wereld enkel dat ééne kleine volkje der Joden, waartoe de be¬

moeiing des Heeren zich dan beperken zoude,

maar, geheel anders, van een God, die zijn

wereld zoekt, wiens heerlijkheid over de

gansche aarde uitgaat, en die op deze aarde

de volken, alle geslachten van de volken en de heidenen, of wilt ge >de eilandenleidt

met zijn Voorzienig bestel, om al wat Hij

m dit menschelijk leven schiep, op te roe¬

pen tot het brengen van de offerande van lof en aanbidding, en ze te weiden met zijn

waarheid en zijn oordeelen.

Bij nader indenken zal dan ook een ieder grif en zonder voorbehoud toestemmen, dat

het ondenkbaar zou zijn, de Voorzienigheid

Gods al die eeuwen door tot Israël te beperken. De Voorzienigheid Gods gaat over alle ding. En als Jezus ons leert, hoe in dat

Voorzienig bestel des Heeren zelfs het muschke, dat voor twee penningen verkocht wordt, en de bloem des velds, die straks verdort is begrepen, dan spreekt het toch vanzelf, dat er geen volk zoo klein of

geen natie zoo nietig, in wa.t eeuw ook.

op deze aarde heeft bestaan, of God

de Heere heeft over dat volk en heeft over die natie geregeerd en ze in stand gehouden. Ja, zelfs bij de volken en natiën

moogt ge hierbij niet staan blijven. Ook

onder die volkeren is er geen huisgezin

en in zulk een huisgezin geen man of geen

kindeke gevveesr, aat met voorwerp was

van Gods Voorzienig bestel en zorge,

a ,1 «™ ■*-» «

Noem ze dan ocytuen 01 .barbaren, noem

ze Elam of Joktan, er is onder al deze

geslachten geen slaaf of geen kindeke aan

de moederborst geweest,'al die eeuwen door

ne

en

de

verder uitstrekkend, maar meer gespannen, voller, dieper indringend.

In dien zin kon Paulus, gelijk ons later blijken zal, dan ook zeggen, dat God de heidenen had verlaten en overgegeven, en dat Hij Israël had gehuwd.

Wel moet uiteraard ook hier onderschei¬

den worden tusschen Gods algemeene, zijn

bijzondere, en zijn bijzonderste Voorzienig¬

heid, maar dat onderscheid raakt niet den

omvang der bemoeiing, maar uitsluitend de nauwere of minder nauwe betrekking, die tusschen het creatuur en zijn God bestaat. Gods Voorzienig bestel over

een dier is even wijd in omvang als zijn

bestel over een menschenkind. Ook de visch ademt nooit één enkel uur door de

kieuwen, zonder dat God aan die kieuwen de

ucht toevoert. De jonge leeuw gaat uit om

zijn spijs van liod te zoeken. Jin hoe on¬

gelooflijk snel met name het ongedierte, en vooral de bacillen ook voorttelen, nooit wordt één enkel insect of één enkele bacte-

tot aanzijn geroepen, of God doet het God weet het. Wat ontvang betreft is Voorzienigheid Gods over alle creatuur

gelijk, omdat ze voor alle creatuur volstrekt, alles in zich besluitend, en volkomen is. Er kan dus van groot of klein, kan dus van

min of meer geen sprake zijn, eenvoudig wijl Gods mogendheid en alomtegenwoordigheid alles draagt en in stand houdt, en er niets is op de aarde, of in de zee, of in de lucht, dat zich zonder zijn wil zou kunnen roeren of bewegen. Dit geldt voor minsch en engel, voor dier en plant, voor stof die

vloeit en stof die vast is. God draagt het al.

Maar wel is er onderscheid in de nauwere

of minder nauwe betrekking, waarin God de onderscheidene creaturen tot Zichzelven heeft gesteld, en onder dit opzicht gaat een star boven een dorre woestenij, de lelie boven

het gras de3 velds, de leeuw boven den sjakal, het kleinste menschelijk wicht boven

den koning der woestijn in het dierenrijk. En zoo ook de minste in het Koninkrijk der

hemelen boven den beste in Israël, en Israël in de eeuwen zijner afzondering boven alle toenmalige volkeren. >Allerbijzon-

derst" noemt daarom onze Gereformeerde belijdenis, die zoree Gods over zijn uit¬

verkorenen, en onder die allerbijzonder¬

ste zorge voor zijn uitverkorenen, eert

en loof: zij als in nóg hoogeren zin en het allerbijzonderste in de zorge van den Vader voor zijn eengeboren Zoon, toen Hij hem

gaf aan de wereld, om die wereld te red¬

den. Deze zeer bijzondere zorge is niet wijder

van omvang, maar dieper, inniger, teeder-

der, omdat ze hier zich uitstrekt over het geestelijk leven, van hart tot hart gaat, en eeuwige gelukzaligheid vooruitgrijpt. En zoo nu verstaan, dan ja zeer zeker, was de zorge van God voor Israël in die eeuwen

een andere dan die voor de volken, niet een breedere, maar een warmere zorge, niet

grooter maar rijker, niet in omvang zich

Nu toont u intusschen de Schrift volstrekt niet heel het terrein van Gods Voorzienig bestel. Doel der Schrift is u. te laten zien, hoe God Adam schiep, hoe Adam viel, hoe toen uit dien gevallen Adam de Christus is geboren, en hoe door dien Christus God zijn menschheid in >de vergadering der volmaakt rechtvaardigen" terug erlangt. Dat en dat alleen is de juiste lijn, die door heel de Schrift doorloopt, en omdat nu die lijn van Abraham tot op Christus niet door de volken maar door Israël gaat, daarom en daarom alleen, trekt de Schrift zich voor die eeuwen van de volken op Israël terug. Toch niet zoo, of telkens wordt er als het ware een breede stralenbundel van verblindend kalklicht, ook op die volkeren geworpen, en ziet ge hoe inmiddels ook het leven dier volkeren doorgaat, en zich voortbeweegt als een stroom, die straks op het van God gewilde punt uitloopt, om den stroom des hoogeren levens uit Israël in zich op te nemen.

We zagen dit reeds van de volkeren in Kanaan in de dagen der aartsvaders. Want gewisselijk is het bij die historie het Schriftverhaal, om Abraham, en om Israël dat te komen stond, en om den Christus die geboren zou worden te doen; maar inmiddels komt toch telkens uit, hoe God onderwijl ook onder die volkeren zijn werk voortzet. Gij ziet Hem volk na volk uit Abraham en Izak tusschen de reeds aanwezige

volkeren inschuiven. Ge hoort van de volken in het Zoutdal, die door Kedor Laomer en

zijn Elamieten hard gedrukt, en straks door Abraham verlost en bevrijd worden. Ge

verneemt van een Abimelech, die God nog kent, en aan wien God zich zelfs in den droom openbaart. Bovenal in Melchizedech

treedt een vorst en priester voor u, die,

uit de Heidenen opkomend, nochtans bestemd was, om in Jeruzalem, lang eer David er troonde, beelddrager van den Christus te zijn. Dan werpt zich die stra-

enbundel van het witte gloeilicht plot¬

seling op Egypte, en ge merkt hoe daar

een hoog ontwikkeld volk leeft, meer dan eenig volk uit die dagen in alle kunst en

wijsheid ervaren, wat in Babyion begonnen

was, rijker ontplooiend, en gereed om aan Mozes »de wijsheid der Egyptenaren" en

daardoor de gegevens voor Israël als volk

over te leveren, üe ziet hoe Ciod de Heere

doende is, om door Jozef zijn knecht het

volk van Egypte van den hongerdood te

redden. Ge hoort van wondere droomen die God aan den koning van Egypte droo¬

men liet, en van het uitleggend licht, dat Hii voor Farao tot recht verstand dier

droomen verordende.

En zoo gaat het heel de historie door.

Telkens wordt ge j uit Israël naar de volkeren

verolaatst. en ontwaart ge in het midden

dier volkeren een rijke bezigheid, en een God die zich met deze volkeren inlaat, en ze ge¬

bruikt als zijn instrument, of ze neerwerpt onder zijn oordeelen. Het sterkst komt dat wel uit in Jona's zending naar Ninevé. Jona is de profeet van wien ge onder Israël niets verneemt. Ge ontvangt veeleer den indruk alsof hij uitsluitend met het oog op Ninevé door God verwekt was. Hij wordt bestemd

en besteld, om naar die heidensche stad te gaan, om aan die stad der volkeren de roepstem tot bekeering te brengen, en waar Israël zoo telkens zijn profeten doodde en

steenigde, ziet ge, o, wonder, heel Ninevé, zijn vorst vooraan, zich op de roep¬

stem van Jona bekeeren. ü-en leit zoo opmerkelijk, dat Jezus zelf er nog de aandacht op vestigt, Israël tot beschaming. Niet

natuurlijk, alsof heel JNineve nu ten eeuwigen leven bekeerd was. Er is hier alleen sprake van een aflaten van sprekende en roepende zonden, en een terugkeer tot den ernst des

levens. Maar het feit blijft dan toch, dat een afgezant van Jehova in het heidensche

Ninevé gehoor vindt; iets wat ondenkbaar ware, indien God de Heere niet in het hart van vorst en volk gewerkt had.—Naast Ninivé stelde de Heere de koningin van Scheba, een vorstin uit Arabië, die naar Jeruzalem

toog om de wijsheid van Salomo te hooren

Hier ontwaart ge dus op eenmaal, hoe in

het hart van Arabië, waar eerst alles don-

kpr scheen, een koninklijk bestaat, dat tot

rijke ontwikkeling was gekomen, en hoe over dat koninkrijk een vrouw regeerde, die

wel verre van in heerschzucht en zingenot

ouder te gaan, een hart van God had ont¬

vangen voor de hoogere dingen des levens,

in wier hart God het s?af. om van verre af

naar Jeruzalem te trekken, en schat na schat

aan Salomo's voeten neder te leggen, voor wat ze uit Salomo's mond van de wijsheid van Jehova vernemen mocht. Tevens toont u dit, hoe God de Heere de kenuisse, of

althans het gerucht van zijn waarheid ook onder de volkeren had doen uitgaan, en hoe

men zelfs in het verre Scheba van het licht door God aan Salomo geschonken, af wist. Kores is een even sprekend voorbeeld. Lange

jaren nog eer Oyrus over rerzie koning

zal worden, wordt de naam dien hij dragen zal, en het rijk waarover hij zal heerschen, en de groote regeeringsdaad waartoe hij komen zal, reeds door God aan zijn profeet, en door dien profeet aan het volk van Israël geopenbaard. Met die profetie van Kores hangt het groote feit samen, dat het machtige volk van Babyion eerlang door de bergvolken uit het zuidoosten zou worden aangevallen en vernietigd. En als straks de ure van God bepaald [gekomen is, dan is Kores er, hij regeert over Perzië, hij vernietigt het rijk van Babyion, en God geeft hem in het harte, om Israël vrij te laten uitgaan. En ónder dat alles en óm dat alles noemt God dien heidenschen koning met den eerenaam van »mijn gezalfde", en roept hem toe: »Ik zal voor uw aangezicht henen gaan en Ik zal de koperen deuren voor u verbreken, en Ik zal u geven de schatten die verborgen zijn, opdat gij weten moogt, dat Ik de Heere ben, die u bij uwen naam roept."

Niet zoo scherp belijnd, maar toch even doorzichtig is, wat de Schrift ons meldt van Damascus en Naaman den Syriër; van Tyrus, waaruit Hiram kwam met de gereede kunst om 's Heeren tempel te bouwen; van de weduwe in wier huis God wonderen deed; van het rijk van Belsasar omtrent wien Daniël profeteerde; van het rijk van Ahasveros, waarvan ons Esthers geschiedenis bericht; om nu van de kleinere volken die Israël inslokte niet te gewagen. Zoo is het heel Israëls historie door één doorgaande bemoeiing van Israëls God met de volkeren buiten Israël, en wel strekt de vermelding hiervan in hoofdzaak, om de lotgevallen van Israël toe te lichten, maar er blijkt dan toch gedurig, hoe die volkeren, wel verre van in onbeduidendheid te zijn weggezonken, veeleer een zeer aanmerkelijke rol spelen, tot alzijdige rijke ontwikkeling van macht en inzicht zijn gekomen, en hoe gedurig het woord bewaarheid wordt, dat God het hart van alle deze koningen en volkeren in zijn hand hield en > leidde als waterbeken". En nadert eindelijk de ure dat Israël zijn heilige roeping in den' Christus zal voleinden, dan vindt ge op dat oogenblik de Roiheinen door God besteld om over Israël te heerschen ; ge verneemt van een keizer te Rome aan wien God het in het hart gaf, om een beschrijving te doen uitgaan, waardoor Maria naar Bethlehem trekt ; en, is de Christus geboren, dan heeft God door zijn sterren in het firmament de geboorte van het Wonder der wereld reeds aan de Wijzen in het Oosten verkondigd, en die wijzen komen uit het land der zon naar Bethlehem

in Juda, om goud en wierook en mirre aan de voeten van het Kindeke neder

te leggen. God had aan de Wijzen in

het oosten zijn sterren leeren verstaan, door

die sterren hen onderwezen, en die onder-

wijzinge Gods onder de volkeren, dient als

instrument voor den God Israëls om zijn

lieven Zoon bij zijn komst in de wereld te

verheerlijken.

55

3fn een toaï0cljonrbEn üulöeï'

Wie loon ontvangt, die ontvangt dat loon in een doorgeboorden buidel.

Haggaï 1 :6.

Werk dat niet beklijft, mat niet maar doelloos af, doch is, erger nog, wegwerping van tijd en kracht, een verspelen van zijn roeping.

Er kleeft aan dat doelloos zich afmatten iets van den vloek. Herlees maar watinDeut. 28 van dien vloek u wordt voorgeteekend, en het is altoos weer een moeite zonder eind die tot niets nut, een lijden eindeloos, maar zonder dat er vrucht uit rijpen kan.

Moeite en arbeid, verdriet en smarte al om niet.

Van dat benauwende waarmede dat eindeloos doellooze u tergt en tot vertwijfeling brengt, wisten zelfs de Heidenen reeds te verhalen, en ook tot u drong wel het verhaal door, hoe de Grieken vanouds zich de üanaïeden voorstelden als gestraft met het nimmer eindigend scheppen van water in een vat zonder bodem, of ook een Sisyphus zich dachten als gedoemd, om een zwaren steen altoos weer tegen een berg op te kruien, die even dikwijls naar beneden kantelde, en dan telkens opnieuw naar boven moest gerold.

En diezelfde gedachte nu spreekt Haggaï, de profeet des Heeren, uit, als hij Israël aan zich

Sluiten