Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bij

stegen en sloppen, op derde en vierde verdiepingen huizende.

Wat bij de Ouderlingen en Diakenen nog

tamelijk wel liep, is daarom ieiteiijK de Predikanten reeds een wassen neus

Wnrrl F»n

En toch, hoe gebrekkig ook, er bestaat

4 . . t 'IV 1

aan toch nog altoos zefcere inaeeiing ook

zelfs voor de Predikanten.

Alleen maar voor hun hoofddienst, d

vnnr van Tiet Woord en

.Sarrampnfpn Ptt Hesta.£lf" dip

deeling bij de broeders Predikanten niet.

, i. de

in

A.msterdamsch Gymnasium,

Het Amsterdamsch Gymnasium heeft de

goede gewoonte van onze oude Latijnsche scholen gevolgd, om in het Jaarverslag niet

maar cijfers en berichten, maar ook een

stuk paedagogische studie te geven.

Het kon dit doen, omdat het beschikt over het zoo uitnemend paedagogisch talent

van een man als Dr. Woltjer, die telken jare over één der vakken van onderwijs

zijn denkbeelden in deze verslagen uiteenzet.

Onze lezers herinneren zich nog hoe

schoon het stuk over de Historie was. Welnu,

dit jaar gaf hij een niet minder schoon stuk

over de studie der natuurwetenschappen, waarvan we het volgende als .proeve _aan onze lezers voorleggen.

De natuurwetenschappen hebben het hooge standpunt, waarop zij tegenwoordig staan, voor een groot deel te danken aan de methode, die zij volgen. Nauwkeurige waarneming, experiment en inductie zijn de drie machtige factoren, die deze methode samenstellen. Bij het onderwijs is het dan ook noodzakelijk op de groote beteekenis dezer factoren uitdrukkelijk de aandacht der leerlingen te vestigen. Aan hunne waarde mag niets te kort worden gedaan, of de vruchten van het onderwijs zullen er onder lijden. Dat behoeft ons echter niet te beletten te wijzen op de eenzijdigheid, waaraan vele natuuronderzoekers zich schuldig maken, eene eenzijdigheid, waaraan ook de beoefenaars van andere wetenschappen, door de schitterende resultaten van gene verlokt, dikwijls hunne sanctie geven.

In deze eenzijdige verheffing harer methode ligt juist het gevaar dat de beoefening der natuurwetenschappen ongetwijfeld met zich brengt. Waarneming van leiten en samenvatting dezer teiten onder algemeene gezichtspunten wordt door sommigen beschouwd als het een en al der wetenschappelijke methode; de feiten, die men waarneemt, zijn lichamen in beweging, de algemeene gezichtspunten, zijn de wetten der beweging, en zoo worat de geheele wetenschap tot mechanica herleid.

Ook zonder dat deze mechanische beschouwing der dingen uitdrukkelijk als de alleen wetenschappelijke wordt voorgesteld, is er allicht eene neiging bij de leerlingen om tot die opvatting te komen, wanneer zij voortdurend in die richting geleid worden. Op de hoogere burgerscholen is dat gevaar natuurlijk veel grooter dan op de Gymnasia, omdat op de eerste de wis- en de natuurkundige wetenschappen domineeren, terwijl ds laatste aan de studie der talen den meesten tijd besteden. Maar het overwicht der natuurwetenschappen is zóó groot geworden, dat men hare methode ook op de talen en de geschiedenis gaat toepassen, ook daar van de afzonderlijk waarneembare feiten als het vaststaande uitgaat om te komen tot wetten, die dan slechts als de zuiver intellectueele samenvatting der verschijnselen onder algemeene gezichtspunten worden beschouwd, m, a. w. als subjectieve vormen van ons menschelijk denken.

Sedert de dagen van Baco van Verulam is deze methode opgekomen, natuurlijk niet de inductieve methode op zich zeil, maar die methode met hare onderstellingen en gevolgen, die tegenwoordig de eigenlijke natuurwetenschappelijke heet en waarnaar bijv. Opzoomer ook de overige wetenschappen wilde beoefend hebben. Volgens Baco «hebben de oude philosophen de natuurwetenschap bedorven, Aristoteles door zijne logica, Blato door zijne Theologie," sTot nu toe, zegt hij, is er niemand opgetreden, met zulk eenen sterken geest' en zulk een ernst bezield, dat hij besloten en zich tot taak gesteld heelt de algemeene geldende beschouwingen en begrippen van zich af te werpen en den elfen en glad geveegden geest voor de indrukken der afzonderlijke dingen open te stellen. Er is in de natuur niets dan de ondeelbare lichamen, die zuiver en individueel werkzaam zijn naar een wet; de wetenschap heeft deze wet tot grondslag : haar moet zij zoeken en vinden en uiteenzetten met het oog op het weten en handelen. Daartoe nu kan men alleen komen langs eene inductieve methode." De waarde der hypothese is door Baco nooit begrepen.

Zooals het gewoonlijk gaat, is ook hier de dwaling niet zoo in het oog springend, dat zij dadelijk wordt opgemerkt. Zij heeft een schijn van waarheid; indien de uitdrukking niet tot verkeerde gevolgtrekkingen aanleiding gaf, zouden wij willen zeggen: zij is ten deele waar. Tegenover de deductiën der scholastiek van het einde der middeleeuwen was een beroep op de concrete dingen niet ongewettigd. De waarneming heeft altoos ter toetsing van het speculatieve denken hare bijzondere en zeer groote waarde. Met de leiten moet elke wetenschap, moet ook de philosophie rekening houden; feiten moet zij opsporen, uit feiten mag zij als uit vaststaande gegevens algemeene regelen en wetten afleiden. In 't bijzonder waar het om de kennis der natuur te doen is, moet de waarneming van het feitelijk bestaande en werkende de stof geven voor het denken; bespiegelingen leiden zoo licht tot dwaling.

Maar hoezeer wij dit ook met allen nadruk verklaren, gaan wij daarom toch niet mede met Baco en zijne navolgers, die niets dan ondeelbare lichamen kennen in de natuur en van deze als den grondslag, het begin, van alle natuurwetenschap uitgaan. De idee gaat vóór de uitwerking of objectiveering der idee. Zoo opk in de wetenschap. Aanschouwing en waarneming zijn nog geen kennis; om deze te vormen is nog een subjectieve factor noodig. De zoogenoemde empirie is nog geen voldoende grondag voor de wetenschap.

Doch een betoog over den oorsprong onzer kennis zullen wij hier niet leveren. Alleen willen wij opmerken dat de inductie ten slotte altijd steunt op eene deductie, zoodat ook in dit opzicht de idee voorop gaat; ten tweede dat ook bij het experiment eerst de idee aanwezig moet zijn, waarvan men de waarh?id door het

experiment wil bewijzen; terwijl eindelijk ook de hypothese, die volgens Huxley altijd aan de ntdekking eener wet voorafgaat, eene idee is.

Voegen wij daar nu nog bij, dat de natuurwe¬

tenschap van begrippen als stof, kracht, beweging enz. als gegevens uitgaat, dan is daarmede

voldoende aangeduid, dat zij, die meenen een¬

voudig van de voorwerpen en feiten als vast¬

staande eerste elementen te kunnen uitgaan, zich misleiden; zonder het speculatieve element geeft

de empirie en net experiment geen wetenschap

Tot de voordeelen, die de beoefening der natuurwetenschappen medebrengt, wordt door velen ook dit gerekend, dat men bij deze studie

vrij is van alle dogmatisme.

't Is echter nuttig, dat de leeraar bij het onderwijs steeds in het oog houdt, en er bij gelegenheid ook op wijst, dat deze meening niet

juist is. sreaere empmscne wetenscnap moet * i_„^ i i

m weireKKiiig tui nare grondslagen aogmatiscn

zijn en mag dit dogmatisme eerst laten varen

wanneer de ondervinding haar leert, dat op deze grondslagen geen theorie meer opgebouwd kan worden, die aan de gegevens der ervaring op het "gegeven tijdstip volledig kan voldoen," zegt

Dr. Kosen berger in zijn werk over Isaak IN ewton (pag. 3). En wat nu die grondslagen betreft, daarover heerscht onder de natuurkundigen van

den eersten rang volstrekt geene eenstemmig' heid. Atomen en krachten worden door sommigen onder hen mythologische begrippen ge¬

noemd; van de begrippen oorzaak en werking

tracht men zich te ontdoen, daar zij veel over¬

eenkomst hebben met fetichisme. Een man als

Kirchhoff beschouwt het als de taak der natuur¬

wetenschappen eene, voor zoover dit mogelijk is, volledige beschrijving der natuurverschijnselen te ge/en, zonder zich om oorzaken of verklaring te bekommeren; het zoeken naar oorzaken behoort niet tot haar gebied, veel minder nog het vragen naar doeleinden; alle teleologie wordt

buitengesloten. Wij verstaan dat streven; het is de consequentie van hel empirisme; men wil

alles buitensluiten wat niet volkomen zeker is,

en die zekerheid meent men in de waarneming

te bezitten.

In zeker opzicht zouden wij er ons in verheu¬

gen, wanneer de onderzoekers zich streng hielden aan zulk een program ; wij zouden verlost worden van een tal van theorieën, die in 't minst geen redelijken grond hebben, maar toch als resultaten van wetenschap gebruikt worden ter bestrijding van het Christelijk geloof.

Dit citaat is lang, maar het mocht niet

worden afgebroken, om dat metterdaad in deze zinsneden positie is genomen.

Aan alle natuur ligt een gedachte ten

grondslag. Die gedachte was er eerst. En eerst wie die gedachte peilt, verstaat de na¬

tuur. Alleen zoo komen we weer van natuur-

empirie tot natuu^wetenschap.

Het Verslag zou overigens o. 1. wel doen,

indien het voortaan deze stukken van Prof.

Woltjer onder een afzonderlijk hoofd op¬

nam, en ze niet meer in het schoolverslag zelf inlaschte.

Dan wist ieder waarover ze liepen, en van

wiens hand ze waren, en later, als alle we¬

tenschappen doorloopen waren, konden ze in één bundel saam worden uitgegeven.

Het is verlies en schade, als zulke stuk¬

ken in een door weinigen gelezen Verslag schuil blijven. En ook de Standaard, waarin ze werden afgedrukt, gaat als elk dagblad te spoedig naar de papiermand.

Beroeping of Oproeping?

III.

Strekt nu ons betoog, om de stelling

ingang te doen vinden, dat de roeping tot den Dienst des Woords van de zijde der

kerk moet plaats grijpen, zonder dat er van de zijde der toekomende Dienaars iets

mag gedaan worden, óm te doen uitkomen, dat zij genegen en bereid zijn, om zulk

een roeping te aanvaarden ?

Stellig niet.

Dit zou zijn ons plaatsen op een onwaar,

eenzijdig en onprofijtelijk spiritualistisch standpunt.

Zoo nep de Heere zelf, maar zoo

kan de kerk niet roepen, voor ambten,

die onder ons langdurige voorbereiding

eischen.

De Heere zelf riep onmiddellijk.

Want wel waren er ook in Israël profeten¬

scholen, maar men vergist zich zeer, zoo

men waant, dat Jesaia en Jeremia, Hosea,

Joël en Amos, na in die profetenscholen

gestudeerd te hebben, en hun examen te

hebben doorgestaan, in het profetenambt waren ingezet.

Al wat, ook in verband met de dusge-

noemde opleiding, over die profetenscholen in Israël gezegd en verhandeld is, rust op

zelfmisleiding en gebrekkige kennis van wat

die profetenscholen waren en bedoelden.

Men leeft dan eerst in onze theologische scholen in, verbeeldt zich dat zoo ook de

profetenscholen waren, en zoekt dan daarna uit die profetenscholen der verbeelding con-

clusien te trekken, die passen zullen op onze hedendaagsche toestanden.

Doch daargelaten nu wat de profeten¬

scholen waren, niemand kan uit de Heilige Schrift het bewijs leveren, dat de groote profeten die ons het Woord Gods hebben

gebracht, in die scholen opgeleid en uit die scholen voortgekomen waren. Van een Amos [jblijkt vlak het tegendeel. Hij werd geroepen van achter de runderen [die hij weidde.

Wat we van de roeping van een Amos,

een Jesaia, een Jeremia, een Ezechiël. een

Daniël, een Jona lezen, geeft dan ook

veeleer den indruk, dat zij onmiddellijk

geroepen werden, d. w. z. buiten verband met alle dusgenaamde »opleiding."

Jin geneei Hetzelfde ziet p-e in het

Nieuwe Testament. Ook daar roept en beroept Jezus zijn 12, zijn 70 discipelen, en

ater zijn apostelen, onmiddellijk, zonder

dat van eenige voorbereiding of opleiding hunnerzijds blijkt, ja, zoo dat die bij allen, op den éénen Saulus na, is uitgesloten. En wel

ezen we van Paulus, dat hij op de acade¬

mie te Jeruzalem onder Gamaliël gestudeerd had, maar het is een groote fout,

hierin zijn academische ol schoolsche op-

eidmg te zien. Immers op Gamaliëls school

werd men onderwezen, niet voor het apostolaat van Jezus, maar integendeel in de vijand¬

schap tegen het Evangelie en voorden Farizee-

schen, niet voor den Evangelischen dienst opgeleid.

Die onmiddellijke roeping was onder profeten en apostelen daarom denkbaar en mogelijk, overmits Hij die riep de Schepper der personen en de Kenner der harten was. En ten andere omdat Hij die riep, door een bijzondere bedeeling des Heiligen Geestes en der openbaring zijn gezanten bekwaamde.

In de kerk daarentegen staat het zoo niet.

De kerk is geen schepper van personen,

noch kent zij de harten. En evenmin bezit de kerk het vermogen om door bijzondere verlichtingen en openbaringen op buitengewone wijze den man dien zij roept, te bekwamen voor het ambt,

Secten die desniettemin ook nu nog voor de kerk zulk een onmiddellijke roeping voorstonden, vervielen daardoor in eenzijdig spiritualisme, d. w. z. ze beeldden zich in, dat er ook nu nog een onmiddellijke bedeeling des Heiligen Geestes bestond, die

feitelijk niet meer gevonden wordt.

Al zulk drijven is dan ook nooit anders

dan op vernieling van het kerkelijk leven uitgeloopen.

Bij dien stand van zaken is het alzoo

duidelijk, dat slechts tweeërlei gebeuren kan, óf dat de kerk roept en keurt, en

daarna haar geroepenen en gekeurden

voorbereidt, of wel dat ze roept en kiest

mannen, die ze voorbereid vindt.

Beide stelsels onderscheide men wel. Bij het eerste stelsel gaat het aldus toe.

De kerk ontdekt hier of daar een man van ernst en vromen zin, en in wien zij meent gaven voor het ambt te ontdekken. Alsdan

neemt ze zulk een broeder aan, om hem

voor den Dienst gereed te maken. Ze neemt hem daartoe gedurende eenige jaren

in studie. En zijn die studiën afgeloopen,

dan plaatst zij hem in het ambt.

Dit stelsel brengt nu met zich, dat men

in den regel mannen van zekeren leeftijd in de studie zal opnemen, eenvoudig wijl op een leeftijd van 12—18 jaren niet dan zeer zelden over de gesteldheid van hart en over schuilende gaven, met eenige zekerheid te oordeelen valt. Regel zal alzoo op dat standpunt zijn, dat men het oog laat

vallen op mannen van 18—30 jaar. Dat men deze oudere personen dan met zekere overhaasting gereed maakt. Dat men bii dat

gereedmaken aan de lagere studiën weinig hecht. Die zoo spoedig doenlijk doorjaagt. Zoo snel mogelijk op de theologie aanstuurt. En ook wat de theologie aangaat, in hoofdzaak werk maakt van wat rechtstreeks dienen kan om de predikatie te doen gelukken. In den vollen zin -nopleiding"

Het stelsel van geen opleiding, maar on¬

middellijke spiritualistische roeping is het stelsel bij hen geliefd, die den oefenaar boven den prediker stellen. Het stelsel van eerst keuren en daarna zelf opleiden, is het stelsel dat ten deele aan de meeste Theolo¬

gische Scholen aanvankelijk gevolgd is, en

bijna uitsluitend gevolgd is bij de Zending.

Met name toen de Vrije kerken in Enge¬

land opkwamen, heeft men daar te lande dit stelsel van eerst keuren, en daarna zelf opleiden, en wel zoo haastig mogelijk, en uitsluitend voor het ambt opleiden, in den beginne zelfs uitsluitend gedreven.

Onze I heologische School te Kampen wor¬

telt in de gedachte van datzelfde stelsel. De kerk onderzocht ook hier te lande, of iemand geestelijken aanleg voor het ambt had, en begon met te keuren. Wie onbruikbaar bleek, keurde zij af en sloot zij uit. De geestelijk gekeurden nam ze daarentegen aan, vooral

in den beginne veelal op meer gevorderden leeftijd. En de aldus gekeurden maakte ze dan zelve voor het ambt klaar. Zoo snel mogelijk. En schier enkel rechtstreeks op het ambt aansturend. Zoo haast het kon moesten ze op proef gaan prediken.

Diep is men hier echter met op ingegaan.

Al spoedig heeft solider zin meegesproken. Zoo is het stelsel nooit principieel gedreven. Maar de grondtrekken er van vindt men nog.

Bij de Zending daarentegen was dit stelsel

principieel aanvaard.

De kerk keurde wie »Zendeling" zou wor¬

den. Wie de keuring doorstond werd als

candidaat-zendeling aangenomen Daarna

werd hij door de kerk in zeer korte jaren klaar gemaakt. En klaar gemaakt recht¬

streeks met het oog op deze bediening. Alleen wat daarvoor eisch scheen, werd hem aangebracht. En zoo niet bleek hij dat weinige in zich te hebben opgenomen, of na drie

jaren studie was hij gereed, en werd nu uit¬

gezonden.

Op enkele uitzonderingen na, zijn al onze

missionarissen op die wijze eerst gekeurd, toen klaar gemaakt, en daarna in de bediening gezet.

En juist daartegenover nu staat het Ge¬

reformeerde stelsel, dat heel anders, wel

niet ontkent, dat er ook zonder studie enkele mannen met singuliere gaven kunnen opkomen, noch ook dat de opleidingsmethode van vooraf gekeurde personen niet enkele treffelijke leeraars kan

opleveren, maar niettemin staande houdt,

dat dit alles exceptie blijft, en geen regel kan wezen; maar dat als regel geldt, dat

hier twee factoren saamwerken: i°. de lei¬

ding van Gods Voorzienig bestel, die teweegbrengt dat er mannen, voor het ambt wel toegerust, gereed staan, en 2°. dat de kerk deze gereede mannen eerst als se gereed

zijn keurt, en zoo ze bij die keur" voldoen,

hen in het ambt zet,

Ziende in het gebod, blind in

de uitkomst.

Onlangs bezigden we bovenstaande stelling. Hier komt een belangstellend lezer tegen

op, en vraagt ons, of Jezus dan niet zelf gezegd heeft, dat wie een toren bouwen wil, eerst nederzit, om te berekenen of hij de

kosten betalen kan.

Zijn stuk luidt aldus:

Hooggeachte Redacteur van de Heraut!

Reeds vroeger, maar ook nu weer in de Heraut

van 20 December '96 in uw stuk over het 2 Standpunt-Bruna" wordt door u als waarheid

voorgestaan de stelling: » Ziende in het gebod en blind in de uitkomst. Zoo moet een Christen leven." U zegt daar namelijk tegenover

us. üruna: sEn dan luidt het antwoord: Men laat deze gehoorzaamheid (om naar Christus' ordinantie te handelen) na, uitsluitend wijl men

er schadelijke gevolgen van vreest. Het zij zoo, maar wat is dit anders dan blind in het gebod

en ziende in de uitkomst. Juist het tegendeel

van wat Lrods Woord eischt.

Nu weet ik wel dat Hendrik de Cock, de eerste afgescheiden leeraar, blijkens de levensbeschrijving, die zijn zoon van hem gegeven heeft, die stelling als waarheid voorstond en verkondigde tot verdediging der alscheiding, maar ik wenschte u de vraag te mogen doen, om deze dan ook later in de Heraut beantwoord te mogen zien, of die stelling waar is en dus op Gods Woord gegrond en daarmede niet in strijd, tenminste in den zin, waarin die stelling door u opgevat wordt.

Blijkens bovenstaande aanhaling is u van overtuiging, dat het letten op de uitkomst, op mogelijke schadelijke gevolgen van hetgeen men doet, niet door den Heere geboden is.

Mijns inziens is dit in strijd met 's Heeren Woord.

Ja, Hendrik de Cock van Ulrum dacht er zoo over. Niet alleen tractement en landerijen, pastoriën en kerkgebouwen, maar ook de geheele Hervormde Kerk met al hare leden moest men maar verlaten en aan de macht van de tegenstanders der waarheid overgeven, om weêr leertucht te kunnen oefenen, want niet alleen de zuivere prediking van Gods Woord en de rechte bediening der Sacramenten, maar ook de uitoefening der leertucht behoort tot het wezen der kerk van Christus.

Sedert is die stelling tot eene overlevering onder de uitgetredene Gereformeerden geworden.

Maar goede Gereformeerden volgen geen traditiën, hoe getrouw ook overgeleverd, wanneer zij strijden met Gods Wobrd, hetwelk ons gebiedt, dat wij niet blind mogen zijn in de uitkomst, zoodat Hendrik de Cock c. s. hierin dwaalde tot groote schade van de kerk onzer vaderen.

Zoo hebben kennelijk onze Dordtsche vaderen de zaak ook beschouwd.

Sedert 1610 tot 1618 was er in de Gereformeerde kerken dezer landen volslagen gemis van leertucht. De tegenstanders der waarheid hadden de macht in handen en verdrukten de toenmaals doleerenden met verbanning, ontpoortering enz. Maar dezen gaven niet alles aan de tegenstanders der waarheid over, om maar leertucht te kunnen oefenen. Zij zagen op het gebod, maar ook op de uitkomst, en daarom ble¬

ven zij er in strijden, totdat de vijanden der waarheid machteloos waren gemaakt. Denken wij hierbij ook maar eens aan Wilhelmus a Brakel, Jacobus Koelman en Jodocus van Lodenstein, die vele bezwaren hadden tegen de Gereformeerde kerk hunner dagen wegens gemis van leer- en levenstucht, maar om de schadelijke gevolgen haar niet mochten noch dorsten verlaten.

Dit verbiedt ons de Heere in zijn Woord. Wij moeten naar Gods bevel op de uitkomst letten. Jes. 65:8,9. Alzoo zegt de Heere: Gelijk wanneer men most in een bos druiven vindt, men zegt: Verderf ze niet, want daar is een zegen in, alzoo zal Ik het om mijner knechten wil doen dat Ik ze niet allen verderve. En ik zal zaad uit Jakob voortbrengen en uit Juda eenen erfbezitter van mijne bergen"

O. von Gerlach teekent hierbij aan: >De Heere onderscheidt wijzelijk zijne knechten, den most, van de goddeloozen, de uitgeperstte schillen, die Hij verdelgt."

Zulk een bos druiven is de Hervormde kerk.

Vele zijn de slechte, bedorvene in haar, maar goede zijn er toch ook nog in. Waarom nu de geheele tros weggeworpen, zooals door zoovele Gereformeerden gedaan is, terwijl de eene zeide: Zij is de valsche kerk, en de andere zeide: Zij is een schijnkerk? Was dit dan in de jaren 1610—1618 ook het geval?

Wij mogen dat niet doen. De gevolgen zijn te schadelijk. De wil des Heeren is, dat wij haar behouden, totdat het in Zijne mogendheid ons, evenals aan onze vaderen, gelukt zal zijn, de rotte druiven er af te snijden.

De Heiland zegt (Luc. 14:28): >Want wie van u, willende eenen toren bouwen, zit niet eerst neder en overrekent de kosten."

Wij hopen, dat spoedig geen moderne candidaten meer zullen toegelaten worden tot den Heiligen dienst in de Hervormde Kerk, de Gereformeerden in haar mogen avanceeren en er dan eene vereeniging van die Kerk met de andere Gereformeerde Kerken in deze landen mag plaats vinden. Dan wordt de Vrije Universiteit ook weêr de onze.

Hoogachtend, Transisalanus. t. t.

Hier is misverstand.

We laten de nagedachtenis van Hendrik de Cock natuurlijk rusten, en bepalen ons tot de zaak.

En die komt hierop neer.

Er zijn tweeërlei dingen, waartoe ge u kunt opmaken.

Ten eerste dingen, die ge doen kunt, maar ook laten moogt, omdat ge desaangaande geen rechtstreeksch gebod van uw God hebt.

Bij al zulke dingen nu komt de stelregel, dien we gebruikten, niet te pas, geldt die niet, en kan er geen sprake van zijn.

Of ik een toren wil bouwen of niet, is een zaak die tot deze eerste rubriek behoort, want een rechtstreeksch gebod Gods, dat ik dien toren bouwen zal, ontbreekt ten eene male.

Daarom is het mijn plicht, bij zulk een bouw, vooraf te overleggen, in de uitkomst mij in te denken, en uit die voorziene uitkomst op te maken, of ik het kan doen of niet.

Maar heel anders staat het met de tweede categorie der dingen.

Deze behelst namelijk die dingen, die mij door het gebod Gods als stellige plicht zijn voorgeschreven, of ook die mij door het gebod Gods verboden zijn.

De eerste nu moet ik doen, en met de tweede moet ik breken, enkel om het gebod en op het gebod, en zonder te vragen naar de mogelijke gevolgen.

In al zulke gevallen nu geldt de aloude, echt Gereformeerde, bij onze vaderen steeds geldende stelregel, dat we alsdan te gehoorzamen hebben, ziende in het gebod en blind in de uitkomst.

En dat wel om deze reden, dat, als ge dit niet doet, gij God verdenkt van een

verkeerd gebod te hebben gegeven, alsnu in Gods plaats beoordeelen gaat wat moet of mag, en aldus uw bestel voor het bestel van uw God in de plaats schuift.

Het eenige wat we hierbij toegeven is, dat er zeker verschil bestaan kan over de vraag of in een bepaald geval een bepaald gebod van God voor ons ligt; en ook dat er soms schijnbare strijd kan bestaan tusschen twee geboden Gods die op een zelfde zaak van toepassing zijn.

Maar wat de hoofdzaak betreft, blijft het vaststaan : Als God gebiedt, dan hebt gij

te gehoorzamen.

En dan springt ge met uw God over

een muur.

Hit üe

Het van de hand van Ds. Hulsman versche¬

nen vlugschrift, waarop ook wij een volgend maal zeiven terugkomen, geeft aan het Holl. Kerkblad aanleiding tot een retrospectieve be¬

schouwing die de aandacht verdient.

W e lezen daar:

Het teeken, dat wij in dit eeschrift ootmcedi?

dankbaar erkennen, is het teeken der waarheid.

Deze brochure herinnert ons aan eene andere brochure van gelijk formaat en uiterlijk, vóór bijna 30 jaren insgelijks bij Kemink en Zoon verschenen.

waarin Dr. A. Kuyper, destijds predikant te Utrecht, uit den ethischen nevel te voorschijn tredend om

ae oeproeiae paden weer te zoeken, getuigde tegen den leugen in de kerk.

Het getuigenis in dat kerkelijk geschrift van Dr. Kuyper aangevangen, is sedert door hem als tolk van velen, die hem voorgingen en die hem volgden, met toenemende kracht voortgezet. In steeds dieperen zin, over immer breeder terrein, en in altiid

verder gaande verschijnselen werd die voortwoekerende leugen in het leven der kerk aangewezen, beleden, bestreden. En door Gods genade mag getuigd worden, dat door voortgaande bekeering tot waarheid en recht met belijdenis van onze en onzer vaderen zonde, die ons met onze schuldige broederen mede schuldig stelden, met dien leugen door velen, die vroeger achterbleven, gebroken werd. Het getuigenis bleef niet bij een conscientiekreet, maar drong tot een behandeling naar den eisch des gewetens, een handeling naar den wil van God, overeenkomstig het licht van zijn heilig Woord. Zoo

is toen de kerkelijke actie in kracht toegenomen. Zoo is de Vrije Universiteit op den vasten bodem

van Gods Woord en in den band der belijdenis van de gemeente des Heeren in ons vaderland opgericht. Zoo is de studie der heilige godgeleerdheid ernstig en biddend aangevat in principiëele

tegenstelling tegenover de valschelijk dusgenaamde wetenschap. Zoo is tegenover den leugen weer de waarheid opgericht in de belijdenis der Heilige

schriit als Gods heilig en onieilbaar Woord en m het schriftuurlijke recht en de schriftuurlijke gestalte der kerk, die pilaar en vastigheid der waarheid. Zoo is in het zoeken om op de rechte paden terug te keeren onder de beschikking van Gods Voorzienigheid de doleantie geboren tot reformatie der kerken. Zoo is het recht der geloovigen in hun optreden sinds 1834 voor de waarheid, het geloof en het leven der gemeente van Christus erkend. Zoo is het aanvankelijk herstelde leven der Gereformeerde kerken in Nederland onder den regel der kerkenorde, die de waarheid dient, tot openbaring gekomen.

Maar ook zooveel anders is daaruit geboren.

O, wat is de vijandschap losgebroken tegen die ontmaskering en bestrijding van den leugen! Helaas! zoovelen hadden dien leugen liefgekregen en stelden zich nu voor dien leugen teweer. Niet alleen bemantelden en verdedigden zij den leugen in de handhaving der gemeenschap van geloof en ongeloof op kerkelijk gebied; maar ook boden zij zich tot een borstwering ter bescherming der vermenging van leugen en waarheid in de stukken des geloofs, in de prediking, in de studie der godgeleerdheid, in de behandeling der Heilige Schrift zelfs.

Sommigen deden dit met opzet. Meerderen deden het schier onbewust, zichzelven en elkander misleidende, onder de macht van een valsch wetenschappelijk beginsel. En een groote menigte menschen van allerlei ontwikkeling deed hieraan meê eenvoudig uit vertrouwen op mannen, die men liethad en door wie men zich liet geruststellen en leiden.

Zoo is toen in^ zeer breeden kring, zonder van het uitgaande getuigenis kennis te nemen, wantrouwen en afkeer en haat gewekt tegen de Heraut en tegen alle boeken en bladen en personen, die een gelijk getuigenis gaven. In zeer breeden kring is, zonder kennis van den toestand, door vele geloovigen, die den bijbel liefhebben en door de genade onzes Heeren Jezus begeeren zalig te worden, tot de bestrijding der Gereformeerden besloten. Wat is de Vrije Universiteit bestreden! Wat is met een ijver, met eens [eendracht tot de uitwerping der Gereformeerden van ethische en irenische zijde gearbeid! Wat is het consigne over heel de linie van het leven geworden : geen gemeenschap met de Gereformeerden! Wat is er gesmaad, gelasterd! En wat zijn tal, tal van mannen en vrouwen, wier hart naar levend water dorst, door muren en grachten gescheiden van wie hen liefhebben in Christus Jezus, zonder dat zelfs het geluid van de stem der Gereformeerden meer tot hen kan doordringen of zonder dat zij het getuigenis hunner broederen ook maar in den oppervlakkigsten zin vatten. »Ben ik u een vijand geworden, u de waarheid zeggende ?" zoo mag ook hier tegenover gewaardeerde broeders gevraagd worden. Maar die vraag zelfs bereikt hen niet.

Aldus is in vele opzichten de leugen in de kerk, wat de verhouding tegenover broeders eenerzijds en tegenover vijanden der waarheid Gods anderzijds aangaat, doorgegaan. En in heel de levensverhouding dreigt die leugen zich te consolideeren. Tenware de Heere ons genadig zij!

Maar dieper en schrikkelijker dan in de uitwendige verhoudingen heeft de leugen als de kanker voortgewerkt. Nauwer is de gemeenschap der zonen Gods met Kaïns zaad in de tenten van de kinderen der menschen geworden. Zij, die zich tegenover het getuigenis, dat den leugen aangreep, aaneensloten, vormden een muur, een wacht voor de deur, opdat bepaaldelijk aan de Staats-universiteiten en in de studeerkamer, in studie en geleerd gesprek de leugen der vermenging van de waarheid Gods met de vleeschelijke wijsheid, met de moderne wetenschap, rustig en onbesproken zou kunnen voortgaan, en zonder opspraak voorzichtig den kansel kon beklimmen, tot den tijd toe dat de gedaanteverwisseling van de oude waarheid in den modernen leugen zonder aanstoot zich voor aller oog kon openbaren

O, er was een tijd iri het heidensche Rome, en er was een tijd ook in het kerkelijke Rome, dat de voorgangers lang reeds met het geloof der volgelingen gebroken hadden, maar ze hielden nog den vorm aan. Welnu, die tijd is ook achter de muren, die eendrachtig door zoo breede schare van geloovigen verdedigd zijn, aangebroken.

Een breede kring van mannen, die zich nog orthodox noemen, die uit den bijbel voorlezen, die week aan week uit den bijbel prediken, die zich nog door het volk als verkondigers der Heilige Schrift laten aanhangen, gelooven dien bijbel niet meer. Zij hebben heel dien bijbel aan de -kritiek der ongeloovige wetenschap verraden en uitgeleverd. Zij hebben dien bijbel voor de oogen der wetenschappelijke wereld in stukken gescheurd. Zij erkennen zelfs niet één der Evangeliën meer als betrouwbaar. Hun gevoelen is, dat wij niet een ejikel woord hebben, waarvan wij met zekerheid kunnen zeggen: dat heeft Jezus waarlijk gespreken. De bijbel is voor hen slechts een verzameling van onbetrouwbare en blijkbaar bedorven, opzettelijk vervrflschte overleveringen. En terwijl zij den bijbel wegwerpen met het woord: wij hebben geen gezaghebbende Schrift, wij hebben geen bjjbel, waarop iemand zich verlaten kan! dek-

Sluiten