Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

: frank

dmfiinttrlt Ittrln ft

. Het RïiteursreeM van den iaiiötó van dit blad wordt verzekerd overeenkomstig de wet van 28 Juni 1881 (Staatsblad ®\ 124,.)

öit blad wordt CTAfArraU J s . ... 1. . . . i . .

Biidrft<TPr w» vryaags aan ae ge&oosmeeraen vsrzonaezu

lt hlaH V?° me°ewerkers, ingezonden stukken en alles wat verder den inhoud va» o.acl betreft, te adre«ppr«>v. asBstogip «v. a

S.SIJI dg AQMI!I!^i}iR AiBïB UftU ueiavautMig nL/uuucmcui,&u bu nayutwwv»

ïnzendimrpT £71 l"""«an: waraeessiraai se, ie amsieraa®,

feunn»n „.L i T r "an donderdag 's namiddags te 12 uren worden ontvangea, ,, 51 nummer van die week niet meer in aanmerking: komen.

Zondag 2 Februari 1908. N°. 1570.

A&öUS3SldEtSÏ)r^i!; franco aan huls, per drie maaaden ƒ 1,20, voor Belgis per jaar f 6.33 bij vooruitbetaling, voor het verdere Buitenland en Ned.-tnaiö per jasr f8 bij vooruitbetaling. Afzonderlijks nummer* ƒ —.10» Abonnementen worden aangenomen door het Bureel te Amsterdam, Boekhandelaren, Postdirecteurs.^ enz-

4d?0rt?K{iSB: van 1 tot 6 regels f 1,80, voor eiken regel meer f —.20, Aanvragen en vermelding vaa liefdegaven f —SI2 per regel.

Pta fóege.

Tweede Reeks.

XVIII.

Zoo wie nu het goed der wereld heeft, en ziet zijnen broeder gebrek hebben, en sluit zijn hart toe voor hem, hoe blijft de liefde Gods in Hem ?

de aankondiging van den engel Gabriël san Maria wordt aanstonds het Koningschap van de£ Christus op den voorgrond geplaatst, an johannes den Dooper heet 't in Zacharias «8 = »En, gij, Kindeken, zult een profeet es ^--^rhoogsten genaamd worden", maar an Jezus betuigt de engel, nog eer hij ge^>ren *s: „Deze zal groot zijn, en zal de -one des Allerhoogsten genaamd worden, en rt 0 za^ hem den troon zijns vaders David i^even, en hij zal over het huis Jacobs Koning O "u C? z^ns ^oninkrijk zal geen einde zijn

ok Jezus zal profeet zijn, maar Johannes gaat als de profeet voor Jezus uit, en Jezus erschtjnt als Koning. Jezus zal ook priester wezen, maar ook dit priesterschap treedt anvankelijk terug, en het is zijn Koninklijke ajesteit en Koninklijke roeping die, als heel in • ?ven beheerschend en al het overige ander °Pnemer'd> met uitsluiting van elk aan. ambt, door den engel aan Maria wordt komen6 de Wijzen uit het Oosten

dat naar Jerusalem met de boodschap, boren ^root Koning in Israël moetgeq . z^n> en dat ze zijn star in het verre o. 5n aan het firmament hebben gezien.

aks treedt Johannes de Dooper op, om in f , -St van het Koninkrijk der hemelen te leiden en de schare voor te bereiden p de verschijning van den Koning, die in J! f'jk den scepter zal zwaaien. Om zijn oningschap wordt Jezus geoordeeld door Yachedrin en gevoauist door Pilst'js. •maaH8 „Z1Jn- Ko^iflk%ke titel die hem ten is als Rn»'* ISTUISuwordt gespijkerd. Het en nu »Z7 *at hij 0Pva«t ten hemel Vaders En C ai 'S- aa 4 de rechterhand des Pathmós de °P

na visioen getoond "^. ^ °aS mvisi°sn Jezus, die als de v • ' ,s faet altoos weer als Heer d-t- £ ning der koningen en paard ziinÏÏ eren.' rijdend °P het witte slaat en de vijanden ,terug*

Alznr» Aa v • <JOds doet triomfeeren. aan van tr f ,0^laS eerst, de Koning van den den 00 ?a cinde' de Koning steeds op

der Pn°7?0n tredend, en zijn eere als Redvnnr:* ^'gmaker eerst uit dit Koningschap en m j-ei- aanvankelijk enkel redder

tr. "^d'Cijumeester, om eerst als zoodanig

iuiQf ^°n,mk^ke. eere °P te klimmen, maar ntl j ZÏ1 zÜa Koningschap in staat, om df>7 .rea ,r en heilaanbrenger te zijn. Niet Jw lgI?a,ker Wordt Koning. maar de Koning ^°rdt Zahgmaker, en kan alleen doorben hg Koning is, onze Zaligmaker zijn. ^■oristus is de Behouder. Hij is de Beouder des Lichaams, maar ook de ehouder der wereld. Hij is niet tot e wereld gekomen, „om de wereld j. °°rf5eIen» maar om de wereld te behoumr. ,et oordeel komt ook wel, maar het t t toeven tot de voleinding ingaat. Ware youUS terstond als Rechter verschenen, zoo plaatr°°r het werk der behoudenis geen komst 8eW[fest z}ia' ZiJ*n eerste en zijn tweede tijdsorde1 U't d*en hoofde niet enkel naar aard en 't m^ar vee' meer nog zelfs naar >s niet o ar er uiteen. Zijn eerste komst houde-v tc oordeelen, maar om te bete kou' j n tweede komst zal zijn, niet om onder, maar om te oordeelen. Dit

karakter61 bepaa?t°ed ^ te2en°vergesteld

waa-ïr. t ^ aic den eigenaardigen vorm verschij„teZUS dC Cerste maal te Bethlehem dieren „ ' e? Za^ eens evenzoo den eigenaarzal unm m ^Paien. waarin hij ten oordeel Rechter *ea . rs' a's Redder, straks als die zïïn maar.ln a'le die gestalten de Koning eindt Pr. r^Pln2 vervult en zijn taak volRechter „ le' 7etzÜ als Redder, hetzij als houdenis Jrjnefd' beide malen de Be

denis, de eerste*™' \ v.erwezenlijkt- B^ougenezen en f !"aa door wat krank is te door al wil he»tellen, de andere maal

»" te !^Se»°STliitHltra°kb'eet,eriin'

Tf»7„r ,I en te verdoen.

niet mechari^K^^ werk der Behoudenis een Trts ^ ïï' ktuigelijk, „iet als

zich verwijdert" mechc'3,n Ingeeft, en voorts smid, die een Wk helmin als een goudhet ongereede ' ^ keurgesteente, dat in zendt aan den ' herstelde en nu terugBahoudenis £raa!lgeriaaj; > «een, dat werk der gaat zelf in die0^111,3?11 t?e' D-w.z. Jezus zal, in. Hij daalt mV* die behouden neder, om haar opDerop die wereld zool aan te raken eL '" ?et zijn voet" varen ten hemel. JezUS w?er °P te

zelf van die wereld in, ea verkop ^ lev,en wereld, en onder dc kinderen der men°4en!

niet als een vreemde hemelling, niet ais een engel of gezant van boven, maar als mensch

treedt hrj onder menschen op. Niet als een nieuw geschapen mensch, die bij ons oude Adamitisch geslacht zich aandient als een mensch op zich zelf, die stichter en stamvader van een nieuw menschengeslacht zal zijn, maar als „des vleesches en des bloeds der kinderen deelachtig," met het gevallen Adamitisch geslacht eenzelfde bloed in zijn aderen dragend. Om de wereld te behouden laat hij zich in die wereld zóó opnemen, dat hij nu zelf tot die wereld behoort, deel aan haar leven heeft, en van binnenuit zijn macht op haar kan laten inwerken. En hierin juist openbaart zich zijn Koningschap. Onze koningin is koningin van Nederland, rxiaar ze is niet koningin van Java of Sumatra. Java en Sumatra zijn wingewesten, die aanhaar kroon onderworpen zijn. Maar wij zijn haar volk. Het verleden van onze vaderen is dooreengeweven met het verleden van haar vaderen. Tusschen ons en onze Koningin bestaat levensgemeenschap. Zij onze Koningin en wij haar volk. En zoo ook is het hier. De wereld is niet als wingewest aan Jezus overgegaan en, als hem vreemd, aan zijn macht onderworpen, maar hij is tot ons gekomen, tot ons leven ingegaan, onzer één geworden. Zoo is hij onze Koning en zijn wij zijn volk, en het is als onze Koning in dien engeren en organischen zin, dat hij de wereld zal behouden. Het is één leven, dat hij met ons en wij met hem gemeen hebben, en van dat leven zelf dat óns met hem en hèrn met ons gemeen is, gaat de kracht uit, die het gif uitdrijft, het kranke geneest, en van ons het ongeneeslijke zal afscheiden, om eenmaal het behouden zijn, en voor eeuwig behouden zijn, der wereld te vieren, als geen smet of rimpel haar meer ontsieren zal, en niets dat onrein of onheilig is, meer in haar zal worden gevonden, Dan eerst zal het Verlossingswerk voltooid en de Behoudenis der wereld voleind zijn. Niet deze wereld moet weg, om er een andere wereld voor in de plaats te stellen, Deze eigen, deze zelfde wereld moet blijven. Ze moet niet vernietigd, maar behouden worden. Vernieuwd, herschapen, 'tzij zoo, maar toch altoos in wezen en ordonnantie diezelfde wereld, waartoe wij behooren, waaarin wij leven, de wereld van alle voorgeslachten, de wereld die God eens schiep en zag dat ze goed was. God laat niet varen 't werk dat Zijn hand begon. Van verijdeling van het werk Gods kan geen sprake zijn. Schijnbaar moge alles verloren zijn, maar die schijn zal worden te niet gedaan. Al wat satan en zonde in de wereld inwrongen, om haar te verderven, gaat er eens uit, maar de wereld als wereld blijft Wat voorbijgaat is „deze gedaante van de wereld", niet de wereld in haar wezen. Die blijft als „nieuwe aarde onder den nieuwen hemel," en Gode zal eeuwig de glorie van zijn Scheppingswerk zijn.

Om nu die behoudenis van de wereld tot stand te brengen, heeft Jezus die wereld aangegrepen bij den mensch. Die mensch is hier op aarde de kroon der Schepping. De mensch is van deze wereld het heerschende en alles beheerschende creatuur. Er is een onbezielde natunr. Te midd«n dier onbezielde natuur komt het leven uit van de bezielde schepping in plant en dier. Maar ook hiermee is de schepping nog ni:t voleind. Het gebouw mist zijn gevel en kroonlijst nog, en de voltooiing wordt eerst bereikt, als de mensch in het paradijs verschijnt om uit Gods hand den scepter over al het geschapene te ontvangen. Zoo zijn alle deelen der schepping op deze wereld ineengevat. De onbezielde natuur dient de bezielde; de plantenwereld voedt het dierenrijk; en dierenrijk zoowel als plantenrijk zijn aan den mensch onderworpen; en eerst deze vier orden saam vormen wat men noemt het leven der wereld, en het is dat leven der wereld, dat moest behouden worden. Van daar, dat Jezus bij zijn komen tot deze aarde, haar aangrijpt in den mensch. Hij gaat tot ons menschelijk geslacht in, voegt zich in de rij der menschenkinderen, en schuift zich in dit ons menschelijk geslacht in de plaats van Adam. Was Adam de vanzelf aangewezen Koning der menschheid in het paradijs, in zijn plaats wordt Jezus nu Hoofd der mensch heid, Koning van ons geslacht. Wij menschen zijn ongelijk; de één verschilt van den ander; er zijn onder ons meerderen en er zijn minderen; van de meerderen gaat heerschappij over de minderen uit; en juist die vanzelf opkomende heerschappij schakelt ons tot één geheel saam. Die werking van mensch op mensch bepaalt zich niet tot den tijd dat we hier op deze aarde leven. Machtige geesten werken na, ook al gingen ze van ons. Juist de invloed, die van deze machtiger geesten uitgaat, • verbindt de ge-

mensch op mensch bepaalt zich niet tot

slachten, vormt volken en natiën. En is er

nu onder al deze machtige geesten een die

hun allen sn macht en geest te boven gaat, en dienvolgens hen door *-,rt geest beheerscht, nu en in volgende geslachten, dan is die ééne, allesovertreffende geest, aller Koning, de Koning der geesten, de Koning van ons geslacht, de Koning der menschheid in deze wereld, niet in naam en titel alleen, maar feitelijk, werkelijk, omdat hrj Koninklijk over allen heerscht, en aller geest aan zijne majesteit onderwerpt. Dat was oorspron kelijk Adam en dat had Adam kunnen blijven, maar hij viel uit, en toen lag alles ontredderd ter neder, juist omdat we toen een rijk zonder een Koning waren geworden. Dit duurde tot de komst van Jezus tot deze wereld en den ingang van Jezus in ons menschelijk geslacht. Immers van die ure af had de menschheid, had deze wereld weer een Koning, haar Koning, den alle geesten in macht te boven gaanden geest, waarvan vanzelf de heerschappij uitging. Dat merkte de wereld niet, daar vernam men in de Koninklijke residentiën niets van. Israël zelf verstond het niet, en ook de jongeren begrepen er van verre de beteekenis niet van. Maar feitelijk was het zoo. Van het oogenblik af dat Jezus in Maria's maagdelijken schoot ontvangen was, en Jezus als kind des menschen zijn aanzijn begon, behoorde hij tot de menschheid, was hij in ons geslacht, ea was zijns de geest, die de macht van alle andere geesten in ons geslacht, niet slechts betrekkelijk, maar volstrekt, in kracht te boven ging, en daardoor was hij onze Koning. Hij werd het niet eerst na zijn hemelvaart, maar was het van meet af, omdat de sterkte en macht van zijn geest en waarheid terstond potentieel al het andere te bovenging. Eerst na zijn hemelvaart kon dit Koningschap zich in zijn schittering naar buiten openbaren. Aanvankelijk mocht het schuiten, gelijk t«x -tAu'■ :.pfa»kvcrüaogen schuilt in het pasg . .ioren wicht. Maar de Koninklijke meerderheid moest niet nog eerst veroverd worden. Die was er van de ure zijner ontvangenis af. Dit is het mysterie van het eeuwige Zoonschap, Het Woord is vleesch geworden, God is geopenbaard in het vleesch. Er kon alzoo in ons geslacht niets creatuurlijks zijn of komen, dat boven Jezus uitging. Hij was, hij is boven allen, en zal steeds boven allen zijn. Vandaar dat zijns vanzelf, en zonder overdracht, de heerschappij en de macht over allen geest der menschen is. Er moge lijdelijk tegenstribbeling, er moge verzet, er moge tegen worsteling zijn, maar de einduitkomst moet en zal zijn heerschappij bezegelen, allen tegenstand breken, en eens moet de ure komen, dat alle knie voor hem zich buigt, en dat alle tong hem belijdt als aller Meester, Heer en Koning.

Maar tusschen Bethlehem en die voizalige einduitkomst ligt een langdurig geschiedkundig verloop, dat nu reeds twintig eeuwen aanhield, en wie weet hoelang nog doorgaan kan. Niet enkel om de behoudenis van den mensch, maar om de behoudenis van de wereld is het te doen. Ingegaan in ons menschelijk geslacht, moet Jezus alzoo, vandaar uit, ook die wereld aan zijn Koninklijke macht onderwerpen. Die wereld staat niet op zichzelf, maar staat in verband met de wereld der geesten, zoo met de heilige engelen Gods, als met de gevallen engelen die satans heirscharen vormen. Als onse Koning moet Jezus deswege ook in die geestenwereld bestellen, wat tot behoudenis van onze wereld noodig is, en hij kan dit, omdat hij tevens is der engelen Heer. Te onderscheiden is alzoo: 10. wat Jezus als Koning doet voor en in de enkele personen; 20. wat hij als Koning doet voor en in de samenleving van ons geslacht-, 3°. wat hij als Koning doet om het wereldleven buiten den mensch aan den mensch te onderwerpen; en 40. tenslotte hoe hij als Koning strijdt, om de macht van zonde en satan en dood te niet te doen. Het eerste: de toebrenging en behoudenis van de enkele personen, grijpt geestelijk het diepst in, omdat hierbij Goddelijke macht den geest in 's menschen ziel rechtstreeks omzet. Bij de enkele uitverkorenen komt het tenslotte altoos aan op persoonlijke wedergeboorte. Bekeering is niet sterk genoeg gesproken. Bekeering is de persoonlijk-bewuste uitwerking van de wedergeboorte; snaar de levensomzetting die objectief in het wonder der wedergeboorte zelve tot stand komt, is een mystiek Goddelijke daad, die elke verklaring tart. Door die wedergeboorte wordt de omgezette persoon reeds, zonder dat hij 't zelf weet, een onderdaan van Koning Jezus, en door het persoonlijk geloof ontstaat het bewust verband tusschen die wedergeboorte en de eenmaal volbrachte verzoening. Zoo wordt de onderdaan tevens de gekochte door het bloed des Lams, en

ontredderd ter neder, juist omdat we toen

den. Dit duurde tot de komst van Jezus

schoot ontvangen was, en Jezus als kind des menschen zijn aanzijn begon, behoorde

slacht, ea was zijns de geest, die de macht

onze Koning. Hij werd het niet eerst na zijn

de sterkte en macht van zijn geest en waarheid terstond potentieel al hei andere te

als zoodanig, naar ziel en lichaam, Jezus' onderdaan en eigendom.

Ook met dat lichaam moet hier worden getekend. Geschiedde er niets meer en niets verders, dan dat de afgescheiden zielen der verkorenen, na het sterven, ten hemel ingingen, zoo zouden er aan het geestenheïr om Gods troon andere geesten zijn toegevoegd, maar hetgeen God in den mensch, zoo geheel anders dan in den engel, schiep, zou niet tot zijn reeht komen. De hooge beteekenis toch van de wereld der menschen in onderscheiding van de wereld der engelen ligt juist daarin, dat in den mensch het zienlijke en het onzienlijke vereenigd is. In de onbezielde schepping is alleen het zienlijke, in de engelenwereld is alleen het onzienlijke, maar in den mensch zijn beide dooreengevlochten. Vandaar dat Jezus, om onze Koning te kunnen zijn, ook het vleesch en het bloed der kinderkens moest aannemen; niet alleen naar de zie!, maar ook naar het1 lichaam lijden moest; en in het laten vergieten van zijn bloed zijn liefde moest bezegelen. Daarin, dat het Woord vleesch is geworden, ligt het uitgangspunt voor de behoudenis van ons geslacht. De opstanding is alleen door de vleesch wording noodzakelijk en mogelijk geworden, en zelfs de hemelvaart is niets anders dan het noodzakelijk gevolg van zijn overwinning op den dood, niet enkel geestelijk, maar ook welterdege van de zijde van het lichaam. Hoe nu veel lieve vromen zich een Koningschap van Jezus denken konden, dat ook nu nog in zijn verheerlijkt lichaam triomfeert, en het zich toch niet anders voorstelden, of de afgestorvenen zouden eigenlijk alleen naar de ziel blijven voortbestaan, is, met de Schrift voor oogen, een volkomen raadsel. De vleeschwording eischt opstanding en hemelvaart en de heerschappij van Jezus aan Gods rechterhand in het verheerlijkt lichaam. En hieruit volgt weer met noodzakelijkheid, dat de verlosten door het bloed des Lams ook op hun beurt der wederopstanding deelachtig zullen worden, en dat ook hun vernederd lichaam eens door Christus aan zijn verheerlijkt lichaam gelijkvormig worde gemaakt. En dit nu ievert 't bewijs, dat het Koningschap van Christus niet tot het onzienlijke beperkt is, maar zich welterdege ook tot het zienlijke uitstrekt, en dat uit dien hoofde alle eenzijdig spiritualisme moet worden veroordeeld. Immers ons lichaam is geen vrucht van op zichzelf staande schepping. Heel het v/erk der Schepping is als éen keten, waarvan de enkele schalmen in elkaar zrjn geklonken. De mensch is, wat zijn lichaam aangaat, geschapen uit het stof der aarde. Zijn schepping sluit de reeks der afzonderlijke scheppingen af. Wat in plant en dier geschapen werd, moest vooraf gaan, om op wat in het lichaam der menschen nog zooveel rijker en zooveel edeler zou worden, heen te wijzen. En als we ook nu nog het lichaam des menschen ontleden, of de voeding, instandhouding, verzorging en genezing van dat lichaam wetenschappelijk bespieden, blijkt telkens weer, dat schier alles wat buiten den mensch in het zienlijke bestaat, zeker verband vertoont met hetgeen we in en aan het menschelijk lichaam waarnemen. Zal derhalve Jezus Koningschap zich uitstrekken over den geheelen mensch, en aan den geheelen mensch naar ziel èn lichaam voizalige heerlijkheid waarborgen, dan kunt en moogt ge den Christus op geenerlei wijs van de overige zienlijke schepping isoleeren, maar is het eisch, dat ge in uw belijdenis ook geheel de zienlijke wereld in haar samenstel aan het Koningschap van Jezus onderwerpt en er bij inlascht.

En geheel ditzelfde nu geldt everizoo van de menschelijke samenleving. Met die menschelijke samenleving is hier bedoeld niet het gezelschappelijke, maar het rijke, organische leven, dat uit de veelheid der menschen in hun onderling verband opkomt. In de Libysche woestijn doolden in de 8e eeuw tienduizenden van eenzame kluizenaars rond, die in de afzondering van het menschelijk leven hoogere heiligheid zochten. En, al zullen we ons wel wachten om de bedoeiing die hen daartoe uitdreef, uit de hoogte te veroordeelen, toch behoeft men met deze omdolende eenlingen het rijke menschelijk leven aan den Nijl slechts te vergelijken, om aanstonds te voelen, hoe de menschelijke samenstelling iets heel anders, iets veel rijkers, iets veel verheveners is, dan het laven van veie enkelingen, elk op zich zelf. Al datgene nu wat in zulk een menschelijke samenleving, in gezin en maatschappij, in landbouw, nijverheid en handel, in wetenschap en kunst, in zedelijke ontplooiing en bovenal in godsdienstige verheffing uit komt, is bij wijze van kiem door God zelf in onze menschenwereld gelegd. Hij schiep niet maar den enkelen mensch, maar een wereld van menschen, en in die wereld

van menschen schittert zijn veelvuldige wijsheid. En nu is het wel zoo, dat de zonde ook deze saamleving aangetast en haar leven vergiftigd en bedorven heeft, maar hierom geeft God den schat niet prijs, dien Hij in dien menschenwereld inschiep. Veeleer moet die menschenwereld onder zijn Verlossingsbestel, van het onreine, onheilige en satanische gezuiverd, en daarna tot hooger en rijker ontplooiing worden opgevoerd, om eerst in het eind der eeuwen op de nieuwe aarde en onder den nieuwen hemel den vollen rijkdom van de menschelijke saamleving in ongedempte heerlijkheid te doen schitteren. Maar is dit zoo, dan kan de menschen werelu in haar organische ontplooiing ook niet buiten Jezus Koningschap liggen. Dan moet Jezus Koningschap zich niet alleen tot onze ziel en ons lichaam, maar ook tot onze saamleving als menschenwereld uitstrekken. En eerst zóó opgevat, komt de uitspraak der Schrift, dat God zijn Zoon gegeven heeft, om de wereld te behouden, tot haar recht. Elke poging, om hier onder wereld alleen de zielen der verkorenen te verstaan, miskent de diepere opvatting van het Verlossingswerk, dat in de Schrift steeds op den voorgrond treedt, als heel onze menschelijke existentie omvattend, naar ziel, lichaam èn saamleving.

Doch ook hiermee is nog allerminst de uiterste grens van Jezus Koninkrijk bereikt. Onze menschenwereld is niet beperkt tot deze aarde, gelijk wij die kennen. Tot die menschenwereld behoort ook de schare der martelaren en verlosten, die nu reeds jubelen voor den Troon, en deze on?.e menschenwereld staat èn hier op aarde èn daarboven in coatact met de geestenwereld Gelijk onze menschenwereld door onze lichamelijke existentie in verband staat met geheel de zienlijke schepping, zoo ook staan we als geestelijke wezens in contact met de onzienlijke wereld der geesten, zoo heilige als onheilige. Het zou uit dien hoofde niet baten, of onze Koning ons al naar de ziel vrijmaakte, ons ook naar het lichaam verheerlijkte, en in het rijk der heerlijkheid op de nieuwe aarde onze menschelijke saamleving tot haar volkomen ontplooiing bracht, indien hij niet ook als onze Koning zijn macht deed gelden in die wereld der geesten. Zijns moet een macht zijn, om wat in die geestenwereld het op ons verderf toelegt, te weerstaan, te breken en te vernietigen, en evenzoo om wat in die geestenwereld ons genegen is, in zijn dienst te stellen, en tot de behoudenis van de wereld der menschen te doen medewerken.

Zoo eerst verkrijgt het Koningschap van Christus zijn vollen omvang. Het is een Koningschap voor de ziel, een Koningschap voor ons lichaam, en in verband hiermee voor geheel de zienlijke schepping. In de derde plaats een Koningschap, dat indringt in geheel onze menschelijke saamleving, op elk gebied en in elke bestaanswijs. En in de vierde plaats is het een Koningschap, dat heerscht in de geestenwereld, om eerst daardoor in voller en rijker zin onze wereld te behouden. De uiteenzetting hiervan zal ons in de derde reeks dezer artikelen bezighouden, tevens ons wijzend op de verplichtingen, die hieruit voor ons voortvloeien. Maar vooraf moet nog op het tweetal onderscheiden perioden gewezen worden, waarin dit Koningschap van Christus zijn macht openbaart: de periode van het geleidelijk proces waarin we nu verkeeren, en de slotperiode die, heel anders, met overmacht, het groot geding voleinden zal.

„(gtnt öe ïjumict öegeertc."

Dan zijn zij verblijd, omdat zij gestild zijn, en dat Hij ze tot de haven hunner begeerte geleid heeft. Psalm 107 : 30.

De gang door het leven is ons, vooral door Bunyan's teekening, een pelgrimsreis geworden, en in die teekeniag was de pelgrimsreis meest een tocht over land. Maar ook de gang over de groote wateren, en de vaart over zee, is als beeldspraak voor die pelgrimsreis vol zin en beduidenis. Of wat pelgrim leest in Psalm 107 de woorden: „Dan zijn ze virblijd, omdat Hij hen tot de haven hunner begeerte geleid heeft" zonder vanzelf aan het ingaan in het beter vaderland te denkeD, aan het thuiskomen in het Vaderhuis bij zijn God?

In vier machtige trekken beeldt de Psalmist in dien psalm de worsteling des levens uit: iO. De verdoolde zwerver, 20. de van vrijheid beroofde, 3°. de op het krankbed neêrgeworpene, en dan 4° wie bijna schipbreuk leed op zee. Die vier grijpt hij uit de werkelijkheid van het leven, maar houdt ze ons tevens als beeld van het geestelijk leven voor.

Eerst de nomadische zwerver, die verdwaald in de woestijn, geen pad rneer kent, van dorst

en satanische gezuiverd, en daarna tot

gevoerd, om eerst in het eind der eeuwen op de nieuwe aarde en onder

Sluiten