Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het is niets dan de toepassing van het Onze Vader. Daarin toch heet het: „Ooze Vader die v; in de hemelen zijt, vergeef ons onze schulden, u gelijk wij vergeven onze schuldenaren." En dit E strenge woord van Jezus gaat daarom zoo diep, E omdat het niet de vraag is, of ge zegt, dat ge h van harte vergeeft, maar of onze hemelsche v Vader, die in ons hart leest met zijn Goddelijk u oog, ziet, dat ge metterdaad geheel en volkomen vergeven hebt, vergeven van harte. zi

b SI

En waarom noemden we dit een bang woord? g Waarlijk niet omdat 't zoo hoog ernstig is, want C ernst op zichzelf stemt niet bang. Neen, bang is dit woord, omdat ge onder de menschen * verkeerend, en hoorend hoe de een over den ander spreekt, zelfs onder Christenen, zoo telkens den indruk ontvangt, dat ze elkaar niet zetten kunnen, allerlei tegen elkaar hebben, grief na ^ grief tegen elkander weten op te sommen, en ^ dit niet zelden doen met een bitterheid en scherpheid van taal en toon, waaruit een ieder merkt, hoe er heel wat anders dan vergevens- e gezindheid in het hart kookt en gist. En als c ge dan, na zulk een uitstalling van allerlei grie- c ven gehoord te hebben, thuis het Evangelie weer opslaat en daar leest: „Alzoo zal mijn t hemelsche Vader doen aan een iegelijk die { niet van harte vergeeft", ja, dan wordt het u soms bang te moede bij de vraag, wat er bij zoo bitter gestemde zielen van hun eeuwige zaligheid moet terecht komen. En dit te meer nog, c zoo ge de hand ook in eigen boezem steekt, en scherp onderzoekt, hoe daar de gemoedsstemming is jegens wie u gegriefd of gedeerd heeft. t i

Hiermee is niet gezegd, dat er onder Christe- < nen, als er een bepaald kwaad voorviel en 2 schuld ward beleden, niet gedurig vergeven wordt. Dit komt telkens, dit komt in ieder ^ gezin en in eiken kring voor. En dan heet 't bijgelegd en uit de wereld. Maar Jezus ^ neemt dasr geen genoegen meê. Integendeel, '• hij legt er zoo vollen nadruk op, dat het niet de ! vraag is cf zulk een grief uit de wereld, maar i of ze uit het hart is, en zóó uit uw hart dat < er geen enkel zaadkorrelken van het booze ( onkruid i» een voege of plooi van dat hart is ■ achtergeble /en, zoodat het weer opkomen van ( de grief ondenkbaar is en afgesneden.

Zonder nu over eens anders hart te kunnen of te mogen oordeelen, kunt ge toch niet ver- ! helen, dat ge o, zoo dikwijls uit allerlei gesprekken en uitlatingen den indruk krijgt, dat het zóo in meer dan éen hart, zelfs van wie met u belijdt en dien ge lief hebt, nog volstrekt niet staat. Dat veeleer, ook al is er voor het uitwendige vergeven, een booze plek in het hart bleef, waaruit nog telkens gif-ige dampen van bitterheid opstegen, en dat er dan o, zoo weinig noodig is, om het op oud ijs weer te laten aanvriezen.

Dit kom : daar vandaan, dat er zooveel zondig vergeven is. Lang niet alle vergeven is vroom. Zoo is er een luchthartig vergeven, omdat men hem die beleedigde, tè ver beneden zich acht om het zich aan te trekken. Er is een vergeven als men eerst den beleediger zeer diep in 't schuldbekennen vernederd heeft, en ia die schuldbekentenis half zijn wraak heeft gekoeld. Of ook m:n vergeeft, om te toonen hoe gees telijk hoog men staat, zoodat men niet 13 als die anderen, die altoos boos op elkaar blijven. Dat heet dan alles vergeven, maar het is geen vergeven, het is al prikkel van het hooge eigen ik, om alzoo dat eigen ik sieren met het kleed der vroomheid. Het is een vergeven waar de heilige God tegen toornt, en dat uw schuld voor God niet tempert maar verhoogt.

Den maatstaf, om als ge vergeeft, uw vergeven te keuren of 't echt is, hebt ge. Jezus zelf gaf u dien in 't Onze Vader. Gij zult den broeder vergeven, zooals God u vergeeft. En nu leert de Schrift u omstandig, dat God u zóó vergeeft, dat Hij al uw zonden achter Zijn rug werpt, ze zóó in de diepte der zee doet zinken, dat Hij ze niet meer gedenkt, en u aanziet als hadt ge -nooit zonde gehad of gedaan, ja, dat Hij u na ontvangen vergiffenis als een van Zijn lieve kinderen aanneemt, en u omringt met een liefde, die alle menschelijke ver bondenheid en verkleefdheid verre te boven gaat. God vergeeft u niet, om nu voortaan van u af te zijn, maar om u naar Zich toe te trekken en u door zijn genade te verteederen. In het hart van uw God blijft na de vergiffenis geen zweem van toorn over, maar heeft elke opwelling van toorn plaats gemaakt voor loutere liefde.

En zoo nu zult ook gij den broeder vergeven. Vergeven niet enkel de kleine dingen waarin hij tegen u zondigde, maar ook de misdaden, die hij tegen u beging. Hebt ge vergeven, dan moet ge al wat ge tegen uw broeder hadt, in de diepte der zee hebben geworpen, ge moogt er niet meer aan denken, hij moet u zijn als iemand die nooit iets tegen u misdaan had. En in plaats van nog heimelijk boos op hem te blijven, zult ge hem met uw liefde omringen, hem naar u toe trekken, en hem met uw broederliefde verkwikken.

En als ge nu vraagt, of ge ook onder Christenen er veel van merkt, dat er zóo innig, zóo van heeler harte vergeven wordt, durft ge dan roemen, zoo wat uzelven als wat anderen betreft, dat dit oprechte en ten volle vergeven onder ons schering en inslag is ?

Het is zoo, niet ieders karakter en temperament staat hierin gelijk. Het van harte vergeven kost den een veel meer dan den ander. Er zijn rancuneuze naturen, die, als ze gegriefd zijn, er haast niet overheen kunnen komen, terwijl anderen, minder aantrekkelijk van aard, vlot en gemakkelijk over hun grieven heenglijden. Toch laat Jezus hier geen uitzondering toe. Hij zegt zoo met nadruk: „een iegelijk zijnen broeder van harte vergeven zijn misdaden". Wie op dit punt een moeielijk karakter heeft, is er dus niet van af, met zich op zijn geprikkelde en overprikkelde natuur te beroepen. Ook die rancuneuze natuur wortelt in het eigen ik, en wie er meê behept is, wordt door Jezus opgeroepen om een dubbelen strijd te strijden, eerst tegen zijn natuur, en dan tegen zijn haatdragendheid Wie dan toch overwint, zal een te glansrijker kroon verwerven. Maar overwonnen moet er worden. Maar wie niet vergeeft, en niet van harte vergeeft, verbeurt zijn vergiffenis van schuld

bij zijn God.

Ta sterker nog. Het van harte vergeven van den 'broeder moet niet eea dankoffer zijn, omdat God u vergeeft. Neen, heel anders. Ge moet zoo diep van uw eigen doemwaardigheid voor uw God overtuigd zijn, dat het feit der verzoening en het feit dat God u redt van het verderf en roept ten eeuwigen leven, een geheel andere gesteldheid in uw hart teweeg brengt, zoodat het eigen ik weggaat, en God zelf, de Albarmhartige, in uw hart den toon aangeeft en heerschen gaat, zoodat het vergeven van den broeder in u een van zelfsheid wordt,

Niet van harte te kunnen vergeven, is een é< vast kenteeken, dat uw eigen ik nog altoos aan k uw God de heerschappij in uw hart betwist. Het zeker bewijs, dat uw hart niet goed staat. Dat ge de volle genade van uw God nog niet hebt ingedronken, en dat ge er nog van verre geen denkbeeld van hebt, wat uw God v u heeft of althans wil vergeven.

En daarom blijft de uitspraak van Jezus zoo bang en zoo onrustwekkend: Zoo gij uw broeder niet van harte vergeeft, zal mijn hemel sche Vader u aan de pijners overleveren, totdat f, gij zult betaald hebben al uw schuld aan uw g God." 1

i

- t c

Amsterdam, 19 November 1909, ]

De Zendingstentoonstelling, die eerst te £ Utrecht en daarna te Amsterdam gehouden ^ werd, heeft een uitnemenden indruk gemaakt, t werd op beide plaatsen zeer druk bezocht en droeg zeker niet weinig er toe bij om , den arbeid onzer Zending in Indie beter te 1 doen waardeeren. '

Om een duidelijk beeld van onze Zending t te geven, had het Comité in een der zalen £ tal van grafische voorstellingen laten aan- ' brengen, waarvan afdrukken in briefkaart- j formaat verkrijgbaar zijn gesteld. Een dier , afbeeldingen toont bijv. hoe de gemeenten t en scholen, door de Zending gesticht op ] Nieuw Guinea en te Boeroe (afd. Masareta), 1 het arbeidsveld der Utrechtsche Zendingsvereeniging, wier gouden jubileum dezer 1 dagen werd gevierd, in deze halve eeuw zijn gegroeid.

Van meer belang zrjn echter nog de J fiaantieele statistieken, waaruit blijkt, hoe- ( veel door de verschillende Zendingsgenoot , schappen e. a. voor de Zending jaarlijks ] gegeven wordt. Onze Gereformeerde Kerken maken daarbij zeker een gunstigen indruk, 1 want ze staan feitelijk bovenaan. De totaal ; ontvangst van heel Nederland bedraagt rond f 450.000 en de Gereformeerde Kerken : deelen hierin voor een kwart gedeelte. We ' zeggen dit niet om te roemen, alsof de ; offervaardigheid onzer Kerken reeds het ' hoogste peil zou bereikt hebben. Vergelijking met wat in het buitenland door sommige Kerken voor de Zending wordt bijeen gebracht, stemt eer tot verootmoediging. Maar wel omdat uit deze cijfers blijkt, dat het kerkelijk karakter dat onze Zending draagt, zeker niet weinig er toe heeft bijgedragen, om de belangstelling in de Zending te verhoogen. Zendingsgenootschappen, nog afgezien van alle andere bezwaren, hebben altoos dit nadeel, dat ze slechts in een bepaalden kring sympathie wekken. Alleen de kerkelijke zending wekt het plichtsbesef bij alle leden der Kerk op.

Het is dan ook niet geheel juist, wat Ds. Dijkstra, onze volijverige Zendingsdeputaat, in het jongste Zendingsblad schrijft, dat we proportioneel genomen niet zooveel hooger staan dan de Hervormde Kerk. Zelfs al rekent men de inkomsten van alle i andere Zendingsgenootschappen ten bate : van de Hervormde Kerk (wat zeker niet juist is) dan wordt de verhouding nog deze, : dat de Hervormde Kerk drie vierde, de Gereformeerde Kerken éen vierde opbrengen. Nu telt de Hervormde Kerk ongeveer zeven l maal zooveel leden als onze Kerken, zoodat 1 elk lid onzer Kerken minstens tweemaal 1 zooveel voor de Zending geeft als een lid 1 der Hervormde Kerk. Voorts mag om 1 billijk te zijn, hierbij zeker niet uit het oog E worden verloren, dat de leden onzer Ker1 ken geheel uit eigen middelen te zorgen hebben voor predikantstractementen, kerkgebouwen, pastoriën enz. terwijl de leden . der Hervormde Kerk hiervoor zoo goed ! als niets hebben op te brengen. Indien 1 men dan ook een statistiek opmaakte van : wat de leden onzer Kerken jaarlijks bij-

• dragen voor Kerk, Armen, Scholen, Zen" ding, Universiteit, Stichtingen van Barm1 hartigheid enz. dan zou men tot een r totaalcijfer komen, dat te meer bewondering

afdwingt voor de offervaardigheid onzer j betrekkelijke kleine groep van Gereformeerde Kerken, wanneer men bedenkt, dat 1 het „niet vele rijken en niet vele aanzien1 lijken" van haar, evenals van de gemeente t te Corinthe in Paulus' dagen geldt. Al 3 waardeeren we de goede bedoeling van

• Ds. Dijkstra, om ons volk tot nog meer 0 krachtsinspanning te prikkelen, toch deed

zijn: „proportioneel niet zooveel hooger dan de Hervormde Kerk" onze Kerken _ onrecht aan.

□ Maar al zijn we dankbaar, dat onze a Gereformeerde Kerken naar verhouding t, het meeste voor de Zending geven, er is r zeker wel oorzaak voor ons volk om zich te schamen, wanneer men op een dezer grafische tabellen ziet, hoe weinig Nederland in vergelijking met andere landen voor de a Zending doet. In Engeland wordt per hoofd 60 r ets., in de Vereenigde Staten 30 ets. en in d Noorwegen dat niet één kolonie bezit, 24 1, ets. gegeven, terwijl Nederland, dat onder li de koloniale Mogendheden nog altoos de ~ tweede plaats inneemt, eerst daarna volgt " met 15 ets. per hoofd. En deze cijfers ^ worden nog beschamender, wanneer een ;r ander dezer grafische voorstellingen u toont, e dat Nederland per jaar 59 millioen gulden e voor gedistilleerd, 42 millioen voor bier en n wijn, 65 millioen voor tabak — alles weelde :- artikelen — uitgeeft, maar voor de Zending st nog geen half millioen over heeft, wanneer

men de regeeringssubsidie er af trekt. [" Nu zijn deze cijfers wel niet geheel juist, :Q want de vervaardiger dezer tabellen heeft alleen gerekend met de Protestantsche Zending en blijkbaar totaal vergeten, dat ook n de Roomsche Kerk Zending in Indie drijft, 1- maar zelfs al worden daardoor de cijfers te in werkelijkheid gunstiger voor ons land, d toch doet niet af aan het feit, dat Nederland met zijn rijk koloniaal bezit op zen5 dingsgebied nog zeer veel ten achter is bij t andere protestantsche natiën. We trekken [g jaarlijks uit Indië. honderd millioen; dat ft is onze winst. En we geven voor de n Zending in Indië, neem het cijfer zeer hoog, nog geen vol millioen uit. Dat is nog niet

een procent. J-igt aaarin niet een aan- s klacht voor de consciëntie van ons volk? n

R

Een opziener onzer kerken zendt ons het ^ | volgende schrijven: v

e

Mijnheer de Redakteur ! z

In een tijd levende, waarin ook in de Gere- c formeerde kerken van ons land verschillend c geoordeeld wordt over de toepassing der kerke- r lijke tucht ook onder de leden der gemeente, € is het mij eene behoefte door middel van uw blad een deugdelijk advies te mogen ontvangen over de opvatting tucht in algemsenen zin. Het wordt, helaas, veelal begrepen dat wanneer er door een kerkeraad tucht wordt uitgeoefend, i dit is eene straf, doch m.i. is het nog altijd c een middel waardoor het afgedoolde lid weder s tot de goede gemeenschap kan worden gebracht, i Bij de vragen die door den predikant gesteld L worden bij het doen van openbare belijdenis behoort ook: Indien het kwam te gebeuren, ( wat God genadiglijk verhoede, dat ge u kwaamt te misgaan aan leer of leven, dat ge u zult onderwerpen aan de kerkelijke discipline. Hier op wordt dan steeds volmondig geantwoord: Ja; * doch de praktijk brengt menigmaal aan het s licht, wanneer de tucht wordt uitgeoefend, de 1 menschen zich steeds verzetten en de zonde ( trachten te vergoelijken, zoodat daardoor meer- ( malen ook bij ambtsbroeders de tucht minder , krachtig wordt in haar uitvoering. (

En wanneer ik hierover een ad»ie3 wensch , te ontvangen, dan heb ik in de eerste plaats j wel alle zonden, zoowel openbare als bizondere, op het oog, maar inzonderheid zou onderge- 1 teekende gaarne inlichtingen verlangen, hoe ! een kerkeraad moet handelen, wanneer een lid der gemeente gekomen is in een staat dat hij niet meer aan zijne fiaantieele verplichtingen kan voldoen, zoodat faillissement volgen moet? Het komt in den tegenwoordigen tijd menigmaal voor, dat wanneer iemand in bovengenoemde omstandigheden komt, dat hij dan heengaat, en eerst probeert een accoord aan te gaan met zijne schuldeischers, en aanbiedt 25 of meer procenten te zullen betalen. In vele gevallen wordt door de schuldeischers hiermede genoegen genomen, om daardoor nog eenigszins gedekt te zijn, tenminste nog beter als wanneer ' faillissement volgde. Ik vraag evenwel, zijn : beide gevallen ook te rangschikken onder . overtreding van het achtste gebod ?

Men kan verschillende factoren in rekening ■ brengen die voor verzachtende omstandigheden \ kunnen pleiten als daar zijn: voortdurende ' ziekte in het gezin, wanbetaling, gemis aan zaakkennis, minder goede tijdsomstandigheden, ' en dan geef ik dit ook direct toe: wanneer > bewezen kan worden, het is geheel buiten mijne , schuld, pleit hiervoor clementie.

i Toch komt het mij voor, dat er soms op , dergelijke manier te veel verkeerds wordt ge ; daan.

Indien iemand ziet, mijne zaak is niet meer . te houden, zou het dan ook roeping zijn, wan neer hij gezond en krachtig is, een anderen werkkring te zoeken?

Worden ook de levenseischen niet te hoog opgevoerd, wanneer kwade tijden aanbreken,

• dat achteruitgang een noodzakelijk gevolg moet : worden ?

: Ik weet en voel, dat het een breed en moeit lijk terrein is, om daarover een juist oordeel voor alle gevallen aan te geven. Toch zou ik I wenschen dat er door uwe redaktie, of door predikanten die dit lezen, eens een advies kon

• gegeven worden, dat, kon het zijn, ook op dii 1 terrein eens sprak tot de consciënties der men

schen. Ik geloof dat ook op dit gebied, voor namelijk begrip schulden maken de banden in onze kerken losser worden, en men algemeen in dat geval zeer oppervlakkig leeft. y Hopende bevedigd te kunnen worden, teekent I met dank voor de plaatsing. 1 Uw Dw. Dr.

Een Opziener.

1

i De vraag, hier aan de orde gesteld, is

I wei voor al onze kerken van belang, en a daarom hebben we niet alleen aan den

- schrijver gaarne een plaats gegund, maar

- willen we ook openlijk hierop een antwoord

- geven.

a In dezen opziener nu valt zeker te prijzen, g dat hij met de handhaving der tucht ernst r wil maken. Ook heeft hij volkomen gelijk, '- dat er gevallen van faillissement kunnen ,t voorkomen, waarbij metterdaad zonde gei- pleegd wordt tegen het VlIIste gebod en e waarbij kerkelijke censuur niet mag uit-

II blijven. Maar evenzeer staat vast, dat dit n lang niet van elk faillissement kan gezegd :r worden. Zooals de wet op het faillissement d bij ons geregeld is, is het uiterst gemak:r kelijk iemand, die op een gegeven oogenblik n aan zijn fiaantieele verplichtingen niet

voldoen kan, failliet te laten verklaren. ;e Reeds dit feit moet de Kerken tot groote g voorzichtigheid manen. Daarom kan er ook voor een faillissement geen algemeene regel gegeven worden. Elk geval moet afzonderlijk worden beoordeeld, om vast te stellen, of r- de gefailleerde metterdaad zelf schuld heeft e of niet. Het kan toch zijn, gelijk de inzeno der zelf opmerkt, dat allerlei omstandign heden, geheel buiten toedoen van den 4 betrokkene, het failliet hebben veroorzaakt. :r In zulke gevallen, die maar al te vaak ie voorkomen, past het veeleer met den gefail;t leerde medelijden te hebben, dan dat de :s Kerk over hem censuur zou uitoefenen, n Maar ook waar men grond heeft om het t, failliet aan eigen schuld toe te schrijven, n moet toch wel onderscheid worden gemaakt, hoever deze schuld gaat. Er kan schuld wezen door onvoorzichtigheid, waarbij echter elk boos opzet is uitgesloten. Men kan te ix lichtvaardig crediet hebben verleend, vertrouwd hebben op onzekere inkomsten, die zijn uitgebleven, zijn zaak te hoog hebben willen opvoeren, enz. In zulke gevallen kan 1- de Kerkeraad zeker oorzaak vinden tot k berisping en vermaning, maar zonder daar't, om tot censuur over te gaan. Want censuur i's wordt alleen geoefend over ergerlijke zonde, i, zooals ons Avondmaalsformulier het noemt, r- Daaronder valt nu zeker wat mengewoon1- lijk noemt een frauduleus faillissement, ij waarbij vooraf opzettelijk bedrog is gein pleegd; wanneer men bijv., wetende, dat men toch niet betalen kan, onder allerlei voorwendsels geld heeft opgenomen en dus ^ metterdaad zich schuldig heeft gemaakt it'aan wat onze Catechismus noemt „booze

een aanons volk ?

stukken en aanslagen, waarmede wij onzes c naasten goed aan ons denken te brengen", n Maar de Kerkeraad zal dit in elk afzonderlijk li geval hebben te onderzoeken, en dit onder- ( zoek zal zeker niet gemakkelijk wezen. Waat om dit te beoordeelen, zal men in vele gevallen een deskundige noodig hebben \ en door inzage van alle stukken zich de { zekerheid moeten verschaffen, of er metter- t daad fraude is gepleegd. Het best zal men t daarom wel doen met de uitspraak van den rechter af te wachten, die veel beter dan eert kerkelijk college de mate van schuld ( kan vaststellen. <

Natuurlijk neemt dit niet weg, dat de j Kerkeraad, wanneer een faillissement in de I gemeente groote ergernis heeft gegeven, < ook al meent de Kerkeraad dat van recht- i streekschc schuld geen sprake is, toch den | betrokkene kan aanraden zich van het 1 Avondmaal een tijdlang te onthouden. Dit ! geschiedt dan echter niet bij wijze van • censuur, maar alleen om aanstoot te voorkomen.

Met deze algemeene regelen meenen we i te kunnen volstaan. Geldt reeds bij ons ; strafrecht de regel, dat de wet zoo weinig mogelijk de mate der straf vaststelt, omdat de rechter eik geval afzonderlijk te beoordeelen heeft, zoo geldt dit nog in veel sterkere mate op het gebied der kerkelijke censuur. Men kan hier wel in het algemeen zekere regelen geven, maar de toepassing hangt van zooveel omstandigheden af, dat elk geval afzonderlijk beoordeeld moet worden.

Een dogmatisch geschil? VIII.

Ni het getuigenis onzer beste Theologen uit den bloeitijd onzer Theologie te hebben aangehaald, zal er wel geen twijfel zijn overgebleven, dat onze Kerken ten opzichte van het artikel nedergedaald ter helle steeds een zeer ruim standpunt hebben ingenomen. Mits men aan dat artikel maar geen beteekenis hechtte, die in strijd was met de Heilige Schrift of die afweek van de analogia fidei, werd hier zeer groote vrijheid van opvatting toegelaten. Zeker, wie onder ons een plaatselijke nederdaling ter helle leeren wilde, zooals de Roomsche en de Luthersche Kerk doet, zou daarmede in strijd komen met de belijdenis der Gereformeerde Kerken en moeilijk als rechtzinnig in de leer op dit punt erkend kunnen worden. Maar of men overigens dat geloofsartikel wil verstaan van Christus' begrafenis en verkeer in den staat des doods, dan wel de aanduiding er in ziet van de helsche smarten, die Christus voor ons aan het kruis gedragen heeft, doet aan de zuiverheid van iemands belijdenis niets af of toe. Beide opvattingen zijn evenzeer „orthodox", indien we dit zoo uit mogen drukken, in de Gereformeerde Kerken en mogen dus over en weer niet voor kettertch worden uitgekreten.

Al huldigt onze Nederlandsche Kerk in haar Catechismus het gevoelen van Calvijn, toch geschiedt dit zeker niet exclusief in dien zin, alsof een andere verklaring onge! oorloofd wezen zou. Dat dit nooit de be1 doeling onzer Kerken is geweest, blijkt daat uit, dat ze anders wel niet ge: aarüeld zouden hebben de talrijke hoogleeraren, die een andere verklaring aan dit artikel gaven, deswege tot verantwoording te roepen. Dat ze dit nimmer hebben gedaan, maar veeleer die hoogleeraren, zooals s de schrijvers van de Synopsis, met groote 1 hoogachting en waardeering voor hun arbeid 1 hebben begroet, legt wel de sterkste ger tuigenis af, dat ze van een dogmatische afwijking hier geen spoor zelfs hebben ontdekt.

Bovendien, was hier metterdaad een t dogmatisch geschil, dan zou zeker niemand, die bij dit geloofsartikel van onzen Heidel1 berger afweek, in goede conscientie onze

- belijdenisschriften kunnen onderteekenen. 1 Plicht was dan om terstond een gra vamen

- in te dienen tegen vraag 44 van onzen t Catechismus en niet te rusten, voordat een

Generale Synode onzer Kerken over dit gravamen uitspraak had gedaan. Ondertee-

- kening der belijdenisschriften met dereser{ vatio mentalis d. i. onder stilzwijgend voort behoud, dat men met eenig leerstuk der . Kerk het niet eens is, is nooit geoorloofd, e Werd dat toegestaan, dan was de band i aan onze Confessie principieel doorgesneden en zou voor elke ketterij de poort zijn opengezet. Wie de belijdenis onzer Kerken

f onderteekent, kan en mag dit niet anders t doen, dan omdat hij die belijdenis inover-

- eenstemming acht met Gods Woord.

Zoo en niet anders staat het ook bij a vraag 44 van onzen Catechismus. Wat onze Kerk hier belijdt en uitspreekt — afgescheiden van de historische vraag, of dit met het artikel nedergedaald ter helle bee doeid is — is zeker een wezenlijk en fun1. damenteel stuk van ons Christelijk geloof, t waarvan we geen titel of jota willen prijsi, geven. Wie niet met onzen Heidelberger t, belijdt en van ganscher harte belijdt, dat d „mijn Heere Jezus Christus door zijnonuitr sprekelijke benauwdheid, smarten, verschrike king en helsche kwelling, in welke hij in ■- zijn gansche lijden maar inzonderheid aan e het kruis verzonken was, mij van de helsche n benauwdheid en pijn verlost heeft," doet n aan het borgtochtelijk lijden van Christus it tekort en rooft ons in onze bangste aan•- vechtingen den troost onzer ziel. Die ber lijdenis is niet een particuliere opvatting van Calvijn of van onzen Heidelbergschen t. Catechismus, die even goed vervangen kan ,- worden door de belijdenis, dat Christus na t, zijn sterven in het graf of in de macht des :- doods is geweest, maar is de eenparige ,t belijdenis van al onze Gereformeerde Kerken :i en wordt bovendien door Gods Woord ons s zoo uitdrukkelijk geleerd, dat elke twijfel :t hieraan ongeoorloofd is. Indien dan ook e achter het verzet tegen de verklaring, door

nzen Catechismus van het geloofsarilKe edergedaald ter helle gegeven, de be< °e" ing en toeleg school, om dit stuk va" Christus' borgtochtelijk lijden weg te redeleeren, en te ontkennen, dat Christus wef' ;elijk en metterdaad de helsche smarte11 roor ons gedragen had, dan zouden we jeen oogenblik aarzelen, om hiertegen als :en zeer bedenkelijke ketterij te prote®" eeren. Onze Kerken zuilen daarom g°RtJ loen, wanneer ze bij de toelating tot den Dienst des Woords en de onderzoeking' iie daaraan voorafgaat, bemerken, dat de :andidaat een andere opvatting van d» Geloofsartikel heeft, op dit pur.t wel toe :e zien. Vrijheid moet aan ieder gelate»i jp historische en exegetische gronden d» ïrtikel zelf te verstaan van Christus begrafenis, verkeer onder de heerschappij ^eS doods, of hoe men deze woorden ook ver' «laren wil, mits vaststa, dat deze andere verklaring maar niets te kort doe aan de volmondige en hartelijke instemming m®r svat onze Kerk op grond van Gods Woord in het antwoord op vraag 44 belijdt. Daarop rileen komt het aan, en v/ie het daarmede van harte eens is, kan met een goede en geruste conscientie onzen Catechismus ofl' derteekenen, ook al hecht hij voor zichzel aan de uitdrukking nedergedaald ter heUe een andere beteekenis.

De diepere vraag, waarom het hier toch gaat, is deze, of Christus voor ons alleen den tijdelijken dood, d. w. z- "e scheiding van ziel en lichaam gedragel1 heeft, maar ook den eeuwigen dood, diefl God als straf over de zonde bepaald had» of wil men liever, of het lijden alleen Christus' lichaam gold dan wel ook de ziel.

De Roomsche Kerk ontkent dit laatst feitelijk, want ze laat alleen nadruk vaü^ op Christus' lichamelijk lijden, maar van een eigenlijk zielelijden van ChristuS niet weten. Wel erkent Rome in haat Catechismus, dat Christus ook naar de ziel ge" leden heeft, maar ze voegt er terstond aa« toe, dat dit alleen geldt voor het lagere dee van Christus' ziel, d. w. z. van Christus anima sensitiva, zijn gevoelsziel, en van het hoogere deel van Christus' ziel, ® anima rationalis of redelijke ziel. Wat Rom® hiermee bedoelt, is duidelijk. Er kan va» een lichamelijk lijden geen sprake wezeO> wanneer de ziel dat niet meevoelt. Zoodra door narcose bewusteloosheid intreedt, gaa alle gevoel van pijn weg en kan de pijnlijks^ operatie verricht worden, zonder dat dc patiënt zelf het merkt. In dien zin nu erken Rome zeker, dat Christus aan het kru,s het lichaamslijden gevoeld heeft en dat d angst en benauwdheid voor het lijden ree1d vooraf in Gethsemané hem met schrik hee» vervuld. Maar dat lijden der ziel was ee<* mede-lijden met het lichaam, maar n*e' een rechtstreeksch lijden van Christus' z'e' doordat ze het branden van den t0°r Gods tegen de zonde voor ons gedrag^ heeft. Want volgens de Roomsche Theol°^ gie heeft Christus' ziel gedurende den ge' heelen staat zijner vernedering toch alt°0^ gehad de beatifica visio Dei, het aanschouwen van het aangezicht Gods, waarin d zaligheid gelegen is. In Christus' eigenlijk ziel was daarom, zelfs te midden van he^ bitterste lijden, altoos vrede, geluk, ?a''C heid. Een zielelijden in eigenlijken zin hee Christus zelfs in Gethsemané en aan he kruis voor ons niet gedragen.

Zoo valt bij Rome alle nadruk op hf zichtbare, tastbare, lichamelijke lijden, d geeselslagen in Pilatus rechtzaal, de wonde van de doornenkroon, het slaan der nag^ door zijn handen en voeten, de speerwon in zijn zijde. Maar dat achter dit zichtbaf en tastbare lijden nog' een zoo veel bang en schrikkelijker zieMijden schuilt, dat ^ Gethsemané Christus klagen deed : mijn z' is ontroerd tot den dood toe en aan h ■ kruis de smartkreet hem ontperste: ^ God, mijn God, waarom hebt gij mij vi.jt laten ? — dat erkent Rome feitelijk niet. ^ nu hangt daarmee saam, dat volgens het rantsoen, de losprijs bestaan heeft Christus' bloed In physieken zin genoP1^ Rome gaat daarbij zelfs zoover, dat v°lg^g de verklaring van Paus Clemens VI, w ftj verklaring als dogma door Rome aanva^j is, het vergieten van ook maar ééndrupPj bloed door Christus voldoende zou geVVf. r zijn voor de verlossing van heel het mensc ^ lijk geslacht propter unionem ad Verbum, wege de vereeniging van dat bloed met Goddelijke natuur.

Hiertegen nu protesteert de Gere'. t meerde Kerk en volkomen terecht. ^ ^ al is het volkomen waar, dat wegens persoonlijke vereeniging van de men'f. lijke natuur met de Goddelijke, het Ui van den Middelaar een oneindige wa» > heeft ontvangen, waardoor het ge' tegen alle zonde van het menschelij*' ^(1) slacht, toch mag men daarom niet ze£^ldat één druppel bloed van Christus doende zou zijn om ons met God te ^ zoenen. Reeds op zichzelf is zulk ^ zeggen in strijd met de liefde Gods; waarom zou de Vader, die den Zoon ^ had, zoo bang en bitter lijden over gebracht hebben, indien met zoo *le losprijs aan het recht Gods voldaan kunnen worden ? Bovendien, de Schrift .aj) ons het tegendeel: bij elk onderdee1^^ Christus' lijden wordt ons telkens betuigd, dat de Christus ook dit moest, dat het niet gemist kon jgjiopdat de raad Gods zou vervuld En nu is het wel waar, dat de Schrift ^ uitdrukkingen gebruikt als dat het van Christus ons reinigt van alle zonde maar dit is dan een verkorte uitdr" ' ti» om heel het lijden van Christus na ^ t« en lichaam aan het kruis geleden, a duiden. .

Niet alleen dus naar het lichaam uitstorting van zijn bloed, maar 00 q0Ós de ziel, door het dragen van den vlot \e&&' tegen de zonde, heeft Christus S vle^st Zelfs is dit zielelijden nog bitterder jjev dan het lijden van het lichaam,

M . ■ . 1 , trel

Sluiten