Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

$eratit

öan öe

Hel aaten^geeht vMn daa InluMiè Van dit blad wordt veraefeera overeenkomstig de wet van se w 1881 (Staatsblad ■*. 114.|

bit blad wordt geregeld des Vrijdags aan de geabonneerde^ verzonden. Bijdragen van medewerkers, ingezonden stukken en alles wat verder den inhoud van 'U blad betreft, te adresseeren aan de E13A0ÏIE. Abonnementen en Advertentie» de ABIIIISTBATIE; Bureau: Warmsesstraat SS, ts Assisrd&r.

Inzendingen, die later dan Donderdag 's namiddags te 13 uren warden ontvangen, * nnen voor het nummer van die week niet meer sn aanmerking komen.

Zondag 5 Juni 1910. N°, 1692..

ÊSlCiaeaeatsprQs: franco aan huls, per drie m&andea f 1.20, voor België per jaar f 5.39 bij vooruitbetaling, voor bet verdere Baitenland en Ned.-ïndië per jat r f 8 bij vooruitbetaling. Afzonderlijke nummers f —J|, Abonnementen worden aangenomen door het Bureel te Amsterdam, Boekhandelaren, Postdirecteuren ens.

AêlmfësüSs 5 vais 1 tot 3 regels f IJS, voor eiken regel mesr f — Jti, Aanvragen en vermelding van liefdegaven f —,12 per «gel,

jprn ïïege,

Derde Reeks. (Zesde gedeelte).

Het Koningschap van Christus en de Wetenschap.

I.

Ons menschelijk WETEN.

En Jezus, bij hen komende, sprak tot hen, zeggende: Mij is gegeven alle macüt in hemel en op aarde.

Matth. 28 : 18.

Het Koningschap is macht. Alzoo is overal,

Waar aan Jezus macht wordt toegekend,

sprake met van zijn Leeraarsambf, noch 00k van zijn Hoogepriesterschap, maar van Jezus als Koning. Tot tienmaal toe nu Wordt ons in de Heilige Schrift op de

Heest stellige wijze betuigd, dat de macht °ver alle dingen in de hand van den Christus is gesteld. Ten eerste in Matth. 11 :27,

waar het heet: „Alle dingen zija mij overgegeven van den Vader". Ten tweede in Luk. 10 : 22, waar we lezen: „Alle dingen zijn mij van mijnen Vader overgegeven". Ten derde in Joh. 3:35, waar staat: „De ^ader heeft den Zoon lief en heeft alie ding in zijn hand gegeven." Ten vierde in Joh. 5 : 22, waar Jezus het uitspreekt: »Want ook de Vader oordeelt niemand, maar heeft al het oordeel aan den Zoon gegeven. Rechtspraak nu gaat principieel altoos van den Koning uit, en is de macht die beslissing geeft totzeifs over leven en dood. Ten vijfde 'O Joh. 13:3, waar Johannes ons zegt: „Jezus, ^etende dat de Vader hem alle dingen in de handen gegeven had." Ten zesde in Joh. 17:2, waar Jezus het Hoogepriesterlijk gebed inleidt met deze woorden; „Gelijkerwijs Gij hem macht gegeven hebt over alle vleesch". Ten zevende in Matth. 28 : i8s toen Jezus, vlak voor zijn hemelvaart, het uitsprak: „Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde." Ten achtste in 1 Cor. *5 : 17, waar de apostel zegt: „Want Hij (God) heeft alle dingen aan zijn voeten onderWorpen." Ten negende in Hebr. 2:8, waar het heet: „Alle dingen hebt Gij onderzijn voeten onderworpen."En ten tiende in Ef. 1:20, Waar ons wordt aangezegd: „En heeft hem gezet tot zijn rechterhand in den hemel, verre boven alle overheid, en macht, en kracht, en heerschappij, en alie naam die genoemd wordt in deze wereld en in de toekomende, en heeft alle dingen zijnen voeten onderworpen". Het is alsof voorgevoeld Was, hoe zelfs de Kerk van Christus zijn Koningschap in de schaduw zou stellen, en of juist daarom bijna geen waarheid in de Schrift ons zoo herhaaldelijk, en in zoo alomvattende en beslissende termen, op het hart wordt gedrukt, ais juist dit stellige feit, dat niets aan de macht van den Christus onthouden is, Want dat alle dingen, alleen God de Vader zelf uitgezonderd, hem zijn overgegeven en aan zijn voeten onderworpen zijn. Hoe zou dan de Wetenschap, een zoo ver en zoo diep in het Christendom ingrijpende en het leven zoo alzijdig beheerschende factor, aan de macht van den Christus onttrokken kunnen zijn ? Zelfs is het in dit opzicht opmerkelijk, hce 'n het Nieuwe Testament herhaaldelijk Psalm 8 : 7 op den Christus wordt toegepast. Daar toch lezen we : „Gij doet hem heerschen over de werken uwer handen en Gij hebt alles onder zrjn voet gezet. Schapen, ossen, alle die; ook mede de dieren des velds, het gevogelte des hemels, en de visschen der zee; hetgeen de paden der zee doorwandelt". Al is het toch, dat dit hier in beginsel op den mensch slaat, die door zijn kennis al deze heerschappij over de wereld der dieren uitoefent, in zijn uitnemendsten 2'n wordt toch ook dit bovenal als op den Christus toepasselijk verklaard.

Tusschen kennis en macht bestaat een °atuurlijk verband. Vaak drukt men dit uit door op den samenhang van kennen en kunnen te wijzen. De wondere werken, die Jezus deed, zijn niet alleen een machts°penbaring, maar pleiten evenzeer voor een kennis, een wetenschap, die Jezus van de geschapen dingen bezat, die ver boven ónze kennis uitgaat. Jezus' heerschappij over de »booze geesten", waarvan de slachtoffers hem om redding aanriepen, onderstelt dat deze geestenwereld voor Jezus geen onbekend gebied was. Niet, alsof we daarom bij Jezus psychiatrische studiën onderstellen, Haar toch was het evenmin de Goddelijke alwetendheid die hem op dit demonisch gebied macht schonk. Ook de booze geesten toch wierp hij uit, niet als God, maar als ltl onze natuur ingegaan. Vandaar, dat Jezus dan de macht om de booze geesten uit te werpen, ook aan zijn discipelen mededeelde. Dazen komen dan ook van hun zendingstocht door Palestina terug, al j ubelend cn dankend, dat de geesten hun onderworpen

waren. Slechts van één geyal lezen we, waarin zc den demon niet uitwerpen konden, en dan zegt Jezus hun, dat dit niet aan dien demon, maar aan henselven lag. Ook bij de genezing van ziekten onder het volk, onderstelt de macht tot genezing kennis en wetenschap van de kwaal en haar oorzaken. En neemt men de natuurwonderen, zooals de spijziging, het wandelen op zee, het stillen van den storm, het doen verdorren vaa den vijgenboom, dan gaat toch ook dit alles niet magisch toe, maar verricht Jezus dit alles met klare bewustheid, wist Jezus wat hij deed, en hield de machtsoefening steeds verband met Jezus' inzicht in de dingen, met zijn weten van de dingen,

en met de hem vanzelf eigene kennis. Nergens ontvangt ge den indruk dat Jezus een tooverstaf hanteert. Die deed opgeld bij de heidensche volken, wier Priesters, Magiërs of Goëtea werkten met natuurkrachten, waar het volk niets van af wist, en die dan 't volk door de vertoocing en de werking dier krachten bedrogen. Bij de wonderen van Jezus daarentegen ontvangt ge steeds den indruk, dat Jezus zich op elk gebied van 't leven thuis gevoelt; er zich zonder iets ook maar, dat naar het gedwongene z weemde, op

bewoog; en dat hij de groote wonderen tot stand brengt zonder eenigen ophef, als ware het de eenvoudigste, meest gewone zaak ter wereld. En zoo weinig beroept Jezus zich

daarby op de eigenscnappen van zijn God¬

delijke r-atuur, dat mj tot zijn jongeren zegt : „Indien gij gelooft, zult gij grooter dingen

doen dan deze." Voor hun geloofskracht

zou t alles zwichten. Iets wat Jezus eens zelf zoo kras uitsprak, dat hij zeide: 'Had

uw geloof maar de groeikracht van een

mostaardzaadje, ge zoudt tot dezen berg zeg¬

gen: Word opgenomen en irs de zee g

worpen, en het zou geschieden. Ge kunt

aus niet zeggen, aac er tusschen onze

wetenschap en Jezus' kennen en kunnen een

met te overbruggen klove gaapt. Hoever

beide bij den eersten oogopslag ook uiteen¬

gaan, toch blijft er verband. Jezus wist wat

iuj wist, anders dan wij wijs door weten¬

schap worden, maat toch blijven we ook bij Jezus binnen de perken van oaze menschelijke natuur, en van het weten dat aan onzen menschelijken geest gegund is.

Verliest men dit laatste uit het oog, dan ligt het voor de hand, om bij Jezus' weten aanstonds aan de Goddelijke alwetendheid te denken, maar dan viel uit Jezus' weten ook niets voor onze menschelijke wetenschap af-te leiden. En toch, zal er van Jezus' Koningschap ook op het gebied der wetenschap sprake kunnen zijn, dan is vóór alle dingen noodig, dat we voelen, hoe Jezus' weten en ons weten, hoezeer cok verschillend, in soort één zijn. Vooral de Gereformeerden legden er daarom steeds nadruk op, dat, blijkens het

iwangeuscn vernaai, Jezus weten ten eerste

een grens had, en tea andere zich ontwikkelde. Als Jezus betuigt, dat de dag van zijn wederkomst bepaald is. maar zóó dat van

die ure niemand weet, ook niet de engelen,

cn ae Aoon, maar aueen zrjn Vader, dan

belijdt Jezus op dit punt zijn onwetendheid. En als we Luk. 2 : 52 lezen, „dat Jezus toenam in wijsheid, en in grootte, en in

genade bij God en de menscken", iets wat in vs. 40 dan nog nader aldus wordt uitgelegd: „En het kindeke wies op en werd gesterkt in den geest, en vervuld met wijsheid, en de genade Gods was over hem",— dan blijkt hieruit dat er bij Jezus een ver¬

meerdering en toeneming van zijn weten

plaats greep, gelijk dit binnen ons menschelijk

kader valt. Waren er nu dingen van welke Jezus zelf verklaart, dat hij ze niet wist, en hooren we van den anderen kant, dat de wijsheid die in Jezus was, d. i. zijn weten, zich uitbreidde, — dan staan we zoo wel

bn dat niet weten als bii dat allengs zich

verrijken in weten, voor twee verschijnselen die vanzelf de alwetendheid uitsluiten. Zoo ko¬

men we dan ook noodzakelijkerwijs tot de slotsom, dat het weten in Jezus een menschelijk weten was, en zoo vinden we vanzelf het aanknoopïngspunt voor onze wetenschap in het weten van Jezus.

Juist daarom echter treft het ons te meer.

dat Jezus weten óns gewone weten zooverre te boven gs«g. Zoo lezen we i» Joh. 2 : 23—5 van Jezus eerste prediking te Jerusaiem, dat velen, ziende de teekenen die hij deed, in zijn naam geloofden, maar dat Jezus zich zeiven niet aan hea toebetrouwde, omdat hij hen allen kende, en omdat bij niet van noode had, dat iemand getuigen zou van den mensch, want hij zelf wist wat in den

mensch was. ün evenzoo lezen we in Joh. 6:64: „Want Jezus wist van den beginne,

wie ze waren die niet geloofden." Niet minder opmerkelijk is, wat we van Nathanaël lezen, als Jezus tot hem zegt: „Eer u Philippus riep, daar gij onder den vijgeboom waart, zag ik u"; iets wat Nathanaël derwijs aangreep, dat hij terstond daarop

uitriep: „Rabbi, gij zrjt de Zone Gods, gij zijt de Koning Israels." Zoo ook lezen we meer dan eens, dat als de discipelen apart gingen er» onder eikan.' ï - verhandelden, Jezus toch hun overleggingen, zonder ze beluisterd te hebben, zeer wel begreep en kende. Drie jaren vooruit lezen we, niet dat Jezus vermoedde, maar dat hrj wist wie hem verraden zou, Jezus wist vooruit dat Petrus hem in zijn lijdensnacht, eer de haan kraaide, driemalen verloochenen zou. Evenzoo wist Jezus vooruit, en kondigde het in Caesarea Philippi aan zijn jongeren aan, dat hij sterven zou aan een kruis, en dat hij, na gestorven te zijn, ten derden dage uit den dood zou verrijzen. Tezus wist vooruit.

dat hem de verheerlijking op den Tabor

wachtte, en klom daarom met zijn drie

meest geliefde jongeren dien berg op. Zoo ontvangen we, heel het Evangelie door, telkens weer den indruk, dat Jezus een hooger, een meer volkomen weten bezat, dan den mensch pleegt ten deel te vallen. Dit geeft dan zoo licht aanleiding tot de voorstelling, alsof dit alles uit Jezus' Goddelijke alwetendheid zou te verklaren zijn, en hierdoor snijdt men dan onwillekeurig; alien samenhang tusschen Jezus' weten en óns weten af. Plaatst men zich nu eenmaal op dit standpunt, dan gaat uiteraard Jezus' weten

geheel buiten oaze wetenschap om, en is het ons niet mogelijk den overgang tusschen Christus' Koningschap en onze wetenschap te vinden. Als Jezus tot den geraakte zegt: „Sta op en zondig niet meer", toont Jezus te weten, dat zijn verlamming samenhing met vroeger door hem begane zonde, hoewel Jezus hem op dat oogenblik voor het eerst ontmoette. Wij zouden alleen door navragen daar achter zija gekomen, zoo zijn ouders of vrienden ons op de hoogte hadden gebracht, maar Jezus weet het onmiddellijk, weet het zoneter uavragen, weet het uit zichzelf. Zal dit alles nu desniettemin in Jezus het karakter van menschelijk weten dragen, dan worden we voor de vraag geplaatst, of ons menschelijk weten al dan niet steeds aan onderzoek is gebonden en op navraag berust, of wel dat een onmiddellijk weten ook aan ons menschelijk weten eigen kan zijn. Dit punt moet derhalve nader worden onderzocht.

Te dezen opzichte nu zij er in de eerste plaats op gewezen, dat ia onze menschelijke natuur de aanleg schuilt voor de aanwending van een weetvermogen, dat thans niet meer als regel in den mensch gevonden wordt. Denk b. v, aan de dusgenaamde clairvoyance, of helderziendheid. Slechts bij enkele personen komt dit verschijnsel nog voor, maar het vertoont zich dan toch in hun menschelijk wezen, ea blijkt derhalve in zijn oorsprong niet vreemd aan onze natuur te zijn. Vooral door Von Swedenborg is op dit verschijnsel nogmaals de aandacht gevestigd. Zoo weet

men dat Von bwedenDorg, blijvende waar hij was, een brand waarnam, die op een afstand van dagreizen was uitgebroken, en waarvan het een dag later ingekomen bericht Von Swedenborg's waarneming als volkomen juist bevestigde. Verwant hieraan

zrjn de dusgenaamde voorgevoelens van komende gebeurtenissen, waarop reeds een man als Cicero nadruk legt. Hoewel in anderen vorm, doet zich iets soortgelijks ook bij slaapwandelaars voor. Langen tijd waande men aan de slaapwandelaars bewustzijn te moeten ontzeggen, maar hiervan is men teruggekomen. Er moge in hun wonderen slaap verandering van hun bewustzijnsvorm intreden, maar wat ze doen, kunnen ze niet bewusteloos doen. Alleen moet men ze in hun eigenaardigen bewustzijnsvorm niet storen, want in hun gewone bewustzijn kunnen ze niet doen, wat ze doen als ze in dien gewijzigden vorm met hun bewustzijn zrjn

ingegaan. Ze klimmen dan over daken,

loopen langs goten, en doen toeren, waarvan ijst wie 't aanziet, maar alles gaat met vasten tred; angst kennen ze niet, en mits men ze begaan laat, komt alles terecht. Ook hier nu schuilt natuurlijk een weten

in, een weten hoe ze den voet moeten zetten; niet een weten door begrijpen of

ais resultaat van oefening, maar een onmid¬

dellijk weten, dat hen nooit in den steek laat. Hypnotische en biologische, mits niet gesuggereerde, verschijnselen kan men hier

bijvoegen; ook ouder de vele verhalen van

gemeenschap met afgestorvenen kan niet alles als zelfbedrog worden weeseciiferd.

Dat wij zeiven zulke verschijnselen niet hebben, bewijst niet dat ze niet bij anderen

kunnen bestaan; en hoe scherp critisch men ook al wat tot dit gebied behoort, toetse, toch komt men altoos

weer tot het resultaat, dat zich nu en dan

teekenen voordoen van een gewaarwordings- en weetvermoger., dat bij verreweg de meesten niet meer werkt, maar

dat toch blijkt aan onze menschelijke natuur niet geheel vreemd te zijn. Er moge zich hier

bedrog onder mengen, het bijgeloof moge

er zich van meester hebben gemaakt, zelfs demonische werkingen mogen er zich onder

mengen, maar na aftrek van dit alles bespeurt men toch, dat er nu en dan over¬

blijfselen nawerken van een weet ver mogen, dat thans ophield een algemeen menschelijk bezit te zijn. En te waarschijnlijker is het, dat hierbij van afslijting sprake is, daar ook Adam de dieren doorzag op een wijze, die ons ontgaan is, ook al moge er in den temmer nog iets van nawerken, en zelfs

nu nog bij zeer laagstaande, weinig ontwik

kelde volken een instinctief weet-vermogen werken, dat bij hooger ontwikkelde volken

niet meer bestaat. Instinct cu, hoe ook

bezien, is altoos een weet vermogsn, dat tot

zeker doen in staat stelt.

Al nu wat op deze lijn ligt, maakt on¬

willekeurig den indruk, dat het niet aangeleerd is, maar óf aangeboren, óf ingegeven,

ea dan meest in gereeden vorm. Er komt

ook eenige ontwikkeling van het instinct voor,

maar die ontwikkeling is altoos onderge

scniKr, net onmiaaemjKe karakter van het instinctieve blijft hoofdzaak. Iets

wat nog te sterker in het oog springt

zoo ge hetgeen instinctief bij den mensch

voorkomt, vergelijkt met het dier-instinct,

Een enkele spinneweb is in dit opzicht reeds een zoo sterk sprekend getuigenis. Houdt

men de pas uit den eierzak uitgekropen spinnen terstond apart, zoodat ze nooit een webbe gezien hebben, toch spinnen en weven ze, na gegroeid te zijn, hun eigen webbijr geheel volgens model, met de grootste

zekerheid, en na het rag, uit het eigen lijf

getrokken, behoorlijk gladgemaakt te heb

ben. En daarbij spinnen ze de draden op de precies juiste afstanden, zetten op die

overlangs gespannen draden de dwarsdraden weer precies op de juiste afstanden aan, en

leveren in korten tijd een webbe af, die

zoo volmaakt in zijn afmetingen is, dat geen mensch, zonder hulp van werktuigen, enkel met de hand, zulk een kunstwerk zou kunnen afleveren. Soortgelijke instinctieve verschijnselen nu vindt ge in de dierenwereld telkens. De zwaluw met haar nest, de trekvogel met zijn onbekenden tocht, de bij met haar graat, de mier met haar voorraad¬

schuren, het verraadt alles een instinctieve

digheid die niet aangeleerd, die niet afgezien is, en die zich bij elk nieuw exemplaar van dezelfde diersoort weer even duidelijk vertoont. Toch kan men niet zeggen, dat hierin een natuurkracht werkt, die het dier slechts als werktuig gebruikt. Wel ter dege is het de spin, de bij, de mier zelf die het wil, er zich op toelegt, er zich voor inspant, het begint, 't volvoert, en als het gereed is, er zijn profijt van trekt. Dit instinct is en blijft dan ook nog steeds een onbegrepen en onverklaard iets. Want wel heeft men ook het instinct uit de Evolutie pogen te verklaren, zeggende dat het tot stand kwam door overgeërfde eigenschappen; maar wie ooit, al was het maar het spinnen van éene spinnewebbe met aandacht gevolgd heeft, ziet terstond het volstrekt onhoudbare van zulk beweren in. Zulk een webbe komt uit éea plan, naar éen gedachte, en naar vaststaande evenredigheden tusschen de takken te hangen, en zelfs de keuze van de plaats voor het web is voor elke spin van overwegend belang.

Op eenigszins verwijderden afstand van deze verschijnselen ligt wat zich als genie en kunst openbaart. Ook bij deze beiden ontmoet ge dezelfde tegenstelling tusschen het onmiddellijk eigene, en het door onderwijs of oefening aangeleerde. Genie en kunst staan dichter bij de gewone menschelijke verschijnselen, omdat ze zich meer aansluiten aan het gewone doen, en niet op eens er zijn, maar allengs ontluiken, en evenmin in zichzelf genoegzaam zijn, maar vaak hulpmiddelen niet versmaden. Maar hiervan afgezien, staat men toch ook brj het genie zoowel als bij den kunstenaar voor eea raadsel. Afstamming lost ons dit raadsel niet op, want de machtigste geesten zijn vaak geboren uit geheel onbeduidende ouders. Bij de meesten van deze mannen en vrouwen van hooger aanleg kondigde zich in hua jeugd hun hooge roeping gemeenlijk veel eerder voor anderen, daa aan hen zeiven aan. Enkelen hunner zelfs waren eerst traag in hun ontwikkeling. Maar begint bij zulk een geniaal man, of bij zulk een hoog kunstenaar, de innerlijke inspiratie eenmaal door te werken, dan is het meest als een stroom die door de dammen breekt, dan komt 't er op eens, en is er op eens, en we zien het, maar verklaren het ons niet. We zien het, maar waarom het zóo is, en hoe 't er kwam, blijft ons een raadsel. Het is dan ook begrijpelijk, dat oudtijds

de sage opkwam, dat men in deze buitengewone personen met halfgoden te doen had, of althans met fowwmenschelijke wezens. Vooral in oude tijden toen het genie zich meest in heldendaden uitte, laat zich dit licht verstaan. Een Nimrod, een Hercules waren geen genieën, die op letterkundig erf blonken, maar mannen van de daad, mannen van het type van een Napoleon; slechts met dit verschil, dat zij redders en bevrijders, waren, waar Napoleon zich met de overmacht van zrjn veelheersgaven op de volken wierp, om ze te onderdrukken. Ia zulke bevrijders nu sprak een hooge kracht, een rijke vaardigheid, een aanhoudend slagen, dat boven het menschelijke scheen uit te gaan, en vandaar de volkswaan, dat men in zulke mannen met goden of halfgoden te doen had. Ons daarentegen boezemen deze genieën op allerlei terrein, en zoo ook kunstenaars die werkelijk kunstenaars bij Godes gratie zijn, juist daarom zoo hooge belangstelling in, omdat we weten, dat ze met de hooge spanning van hun geest toch de grenzen van onze menschelijke natuur niet overschrijden, zoodat onze menschelijke natuur metterdaad blijkt de vatbaarheid en aanleg te bezitten, om zulk een hoogere geestesformatie in zich te dragen.

Verwant hiermede, zij 't al van lager orde, is de tact en de Chokma. Ook de tact moge voor oefening vatbaar zrjn, maar aanleerer» laat ze zich niet De één heeft ze, de ander mist ze; wie ze heeft bezit ze van zelf, en wie ze mist, leert ze nooit. Aan zekere vaste gewoonten moge men zich gewennen, en zekere tactische regelingen moge men overnemen, maar de eigenlijke tact in het leven, om op een gegeven oogenblik uit de vele mogelijkheden die zich aanbieden, steeds terstond en zonder aarzelen de juiste keuze te doen, is een verborgen, onmiddellijk weten, dat zich niet nader verklaren Iaat. De kundigste geleerden zrjn er veelal geheel van verstoken, terwijl een gansch gewone boerenvrouw op haar erf er soms in breeden kring door heerscht. Juist hierdoor is de tact verwant aan de Chokma, een Hebreeuwsch woord dat de Wijsheid beteekent. Ieder voelt, dat een wijs man iets heel anders is dan een geleerd man. De Wijsheid, waarvan in de Schrift gedurig sprake is, is niet geheel aangeboren, want ze wordt ook aangeleerd en breidt zich uit, maar ze onderstelt toch een gesteldheid des geestes die er zich toe leent. Die Wijsheid bedoelt een blik op het leven, die met het wezen van het leven overeenkomt, en daarom in en door het leven den juisten weg weet te vinden. Voor de verstandigen en geleerden vaak verborgen, kan ze den kinderkens geopenbaard worden. Ze drijft op zekere natuurlijke inspiratie, en houdt daarom verband met de vreeze Gods. „De vreeze des Heeren is het beginsel der Wijsheid". En wat op die manier als Wijsheid onder menschen openbaar wordt, vindt haar bron en oorsprong in de Wijsheid, die van eeuwigheid voor Gods aangezicht speelde in het Eeuwige Woord. Genie, hooge kunstgave, vaste tact, levenswijsheid, in den zin van de chokma, het ligt daarom alles op dezelfde lijn. Ook al worden ze door opvoeding en oefening ontwikkeld, toch wijzen ze op een eigen oorsprong; zijn ze verschijnselen van onmiddellijke inprenting in het gemoed, en alzoo van iets waarvoor de aanleg met en in de geboorte zelve gegeven was; doch altoos zoo, dat ze de grens van hetgeen in onze menschelijke natuur bestaanbaar is, niet overschrijden en alzoo binnen den kring van het menschelijke vallen, mits ge het menschelijke neemt in verbandjmet de hoogere inwerkingen, die de menschelijke natuur toelaat.

Zelfs de Profetie spreekt hier mede. Elk profeet spreekt zijn eigen taal. Vergelijk maar de taal van Amos, den veehoeder, met de fijn-ontwikkelde, hoogstaande taal van een Jesaia. De profeet is niet maar een op goed geluk af gekozen persoon. „Eer ik u in uwer moeders buik formeerde, heb ik u gekend", zegt de Heere. Een profeet is reeds in zijn geboorte op het profeteeren aangelegd. Hij is niet een gramophoon, die werktuigelijk de klanken opvangt, maar een van God verkorene, die de Goddelijke gemeenschap geniet, wiens gedachte, wiens zinnen en peinzen door God bewerkt wordt, en die alsnu uit wat God in zrjn gedachte werkte, in eigen taal en in eigen beeld de gedachten Gods uitspreekt. En ook hier blijkt alzoo, dat onze menschelijke natuur door haar Schepper zóó is aangelegd, dat ze de mogelijkheid in zich draagt, om vertolking van de Gedachten Gods in menschelijke taal onder menschen te doen uitgaan. Uit al welke verschijnselen dit volgt, dat men brj de beoordeeling van het weten van Jezus, gelijk hij als Zoon des menschen zich uitsprak, niet te rekenen heeft met de beperkte gaven van onze natuur, gelijk die

Sluiten