Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gebied de confessioneele eisch zich zal doen1 gelden. Gevolg waarvan onvermijdelijk' wezen zal, dat Nederland in kunstvaardigheid nog meer dan dusver bij andere volken ten achter raakt.

,,/lBanï nu 5tet u mrjn 003/'

Met het gehoor des oors heb ik U gehoord, maar nu ziet U mijn oog. Job. 42 : 5.

Uit de vele uitverkorenen heeft de Heere onze God er enkele nog weer, altoos in anderen zin, verkoren tot een bijzonderen dienst, tot een geheel buitengewone roeping.

Personen, die God gebruikt heeft om door hen op anderen te werken. Die, om dat te kunnen doen, een bijzondere lotsbedeeling van God ontvingen. En ook mannen, die in den regel dieper dan anderen moesten drinken uit den beker des lijdens.

En nu is het opmerkelijk, hoe er in de Heilige Schrift bij zulke bijzonderlijk geroepenen gedurig sprake is, dat ze niet blijven staan bij enkel gelooven in God, maar ook reeds hier op aarde komen tot een ten deele zien van God.

Of staat van Mozes niet betuigd, dat hij was als ziende den Onzienlijke, en lezen we niet evenzoo van Job, dat hij aan het einde zijner worsteling in zalige ervaring uitriep: „Met het gehoor des oors heb ik u gehoord, maar nu ziet u mijn oog".

Van Mozes wordt ons dit zien van den On , zienlijke, in Exodus 33 in geheimzinnige taal beschreven. Dat Mozes in zijn angst over Israëls ] afval bad en smeekte: „Heere, toon, toon mij uw heerlijkheid", en dat het Goddelijk antwoord ( luidde: „Zie er is een plaats bij Mij in de 1 steenrots, daar zal mijn hand u bedekken, en 1 gij zult mijn achterste deelen zien, maar mijn . aangezicht niet".

En juist zooals Mozes bad: o God, mijn , geloof is mij te weinig, toon, toon mij toch uw c heerlijkheid, zoo lezen we ook van de apostelen, ] dat ze in hun angst, toen het met Jezus naar ' Gethsemané ging, op hun beurt, bij monde van Philippus, evenzoo smeekten: „Heere, toon ons den Vader".

Van zulke worstelingen als Mozes bij de j Sinai, en de discipelen in de Opperzaal door j. worstelden, kunnen wij ons ternauwernood een j denkbeeld vormen. Oogenblikken, waarin het a scheen of de beslissing voor eeuwig tusschen 2 hemel en hel aan een spinrag hing.

En nu zien we, hoe beide malen het ziels g begeeren, het zielsverlangen opkomt om God j: te zien, en hoe beide malen aan dat hunkeren „

naar het zien van God een gedeeltelijke bevrediging wordt geschonken.

Volstrekt niet ten volle.

Het woord van Johannes blijft: „Niemand heeft ooit God gezien".

Maar wel gedeeltelijk.

Immers, bij Mozes was het een zien van „de achterste deelen", niet van het aangezicht van God; wat niet anders dan een plastische uitdrukking is voor een zien als door en in een beeld. Evenzoo hebben de discipelen in de Opperzaal niet Gods heerlijkheid met onge dekten aangezichte aanschouwd, maar ze hebben den Vader gezien in Jezus.

Philippus, ben ik zoo langen tijd met u? Die mij gezien heeft, die heeft den Vader gezien, en hoe zegt gij: toon mij den Vader. En niet anders was het bij Job.

Ook voor hem is het zien van aangezicht tot aangezicht eerst 71a zijn sterven gekomen. Maar toch werd opk hem reeds hier op aarde een ten deele zien van den Heilige gegund, toen het geloof in gedeeltelijke aanschouwing overging. Niet visionair als bij de profeten, gelijk b. v. Jesaia ons dit van zijn roeping tot profeet meldt; maar een zien in de klaarheid van een overweldigenden indruk, toen God hem zijn majesteit in het werk zijner schepping voor oogen had gesteld, en hij uitriep: „Dusver had ik wel met het gehoor des oors U gehoord, maar nu is er meer, nu is er een zielservaring van uw heilige tegenwoordigheid, nu ziet U mij71 oog."

Het verlangen om God te zien, is geen zonde, maar, integendeel, de natuurlijke aandrift van het religieus gevoel. Wel hooren we telkens in de Schrift den uitroep: Hoe zal een mensch God zien en leven? Doch dat slaat op den zondaar.

Is daarentegen de zonde eenmaal te niet gedaan, dan zal het gelooven voor elk kind van God in aa/ischouwen verwisseld worden, en zal ook aan ons de belofte vervuld worden, dat we God zullen zien van aangezicht tot aangezicht; dat we Hem zien zullen gelijk Hij is; en dat we Hem kennen zullen, gelijk we ook gekend zijn.

Heel de profetie loopt daarom uit op wat Jesaja samenvat in de Stem die roept, en die in haar roepen het Israël aanzegt, dat de tijd komt, waarvan het heeten zal: „Zie, hier is is uw God."

God zou in Messias ons Zichzelven toonen, d. i. in Hem, die heet het beeld des Onzie/ilijken Gods. En veilig mag dan ook gezegd, dat het wezen der Afgoderij, wel begrepen, niets anders is, dan de aandrift van het menschelijk hart, om God als in een beeld voor zich te zien. Een op zichzelf natuurlijke aandrift, die alleen daardoor zoo ontzettende zonde werd, dat ze dit beeld van God zelf wilde 7naken, in stee van te wachten in ootmoed, tot God zelf dit beeld van Zichzelven in zijn Zoon gaf.

Dat we in ons aardsche leven nog moeten wandelen in enkel geloof, en en nog niet komen kunnen tot aanschouwing, is om der zonde wil. En zóó zal niet de zonde zijn teniet gedaan, of het aanschouwen komt.

Toch staat er nu reeds iets tusschen het nog niet ziende geloof en de volle aanschouwing in. Nog niet het volle aanschouwen, maar het zien als in een spiegel, het zien in dien spiegel als van een zwevend beeld, wat Paulus noemt: „als in een duistere rede."

En dit ten deele zien is juist aan die mannen gegund, die God als een keurgesteente van bijzondere waardij zich geschapen had, en die Hij voorts te scherper sleep, opdat te klaarder de glans van zijn heerlijkheid uit hen aan heel de kerk, aan de kerk aller eeuwen, zou toe- , stralen.

Zulk een man was Mozes. Zulke mannen ' waren de apostelen, die om Jezus wille gedood zijn, maar die dan ook betuigen konden, dat ze 1 predikten wat ze getast, en wat ze gezien hadden van het Woord des levens.

En zulk een diamant was nu ook Job. Scherper dan één onzer door God in het lijden geslepen, maar die dan ook als een getuige Gods voor de kerk aller eeuwen staat, om het probleem des lijdens ons te verklaren.

en 1 Job is de man, in wien God ons het raadsel jk' opklaart, dat alle eeuwen bezig hield. Het g_ raadsel, hoe, als zonde Gods toorn werkt, en vroomheid de weg tot geluk is, dan toch de rechtvaardige zoo telkens in het lijden verzwolgen wordt, en de ondeugd triomfeert en geniet.

Daartoe maakt God Job eerst vroom en rijk. Dan neemt Hij hem plotseling alle weelde des > levens en de weelde van zijn hart af. En nu zendt God hem die drie vrienden, die, naar — de in den grond ware opvatting, hem het bange eb probleem op de ziel werpen: de ellende is om U de zonde; waar dus zoo diepe ellende u orerkwam, moet ook diepe zonde in u schuilen.. ~ En nu reageert Job hiertegen met zijn cons:re cientie, maar in den verkeerden weg tot hij ten en leste zijn geboorte vervloekt, en roept om ot een Rechter boven God, die tusschen hem en God zal rechten. En als Job nu in or de worsteling bezwijkt, en niet verder kan, n- dan zendt God hem eerst Elihu, en komt )d daarna zelf in een onweder tot hem, en toont hem el zijn majesteit, zooals Job die nog nimmer had :n ingedacht. God redeneert niet met Job over het probleem, maar doet niets dan hem Zijn ?e majesteit in de schepping voor oogen schildeig ren. En het beeld van die majesteit dringt in el Jobs ziel door. En nu is hij er. Nu vallen hem le de schellen van de oogen. En nu roept hij het uit: Voorheen had ik met het oor U gehoord, is maar nu is er meer, nu is er beter, nu ziet U °t mijn oog; en in dit zien is Job zalig geworden. ïr Zalig eeuwiglijk door den overweldigenden inït druk van Gods Almachtigheid.

■u Door niets dus dan door dit ééne : Ik geloof in God den Vader den Ab/iachtige, den Schepper 1 des hemels en der aarde.

il Hij heeft nu Gods tegenwoordigheid in al wat Is hem omringde, gevoeld. Hij heeft Gods eigen ij Wezen op zich voelen aandringen. Hij heeft d een gemeenschap met zijn God genoten als e nooit voorheen. In één machtigen indruk is de n majesteit des Heeren Heeren voor hem opn gegaan.

Zoo ging de Job van het tegenbetoog onder, n „Daarom verfoei ik mij in stof en assche." Maar v ook zoo leefde het kind van God in Job op. 1, Begrijpen kon hij het niet. Maar nu had hij r 't gezien.

e

s Bij oor en oog is dit het blijvend verschil.

Met het oor hooren we de dingen afzondere lijk. Het ééne na het andere. Nu Gods heiligheid, dan Gods rechtvaardigheid, daarna Gods ■J liefde. Het ééne na en naast het andere, en altoos in het afgetrokkene. Maar met het oog 1 zien we de zaak opeens, in haar geheel, en in het wezen zelf. Met het oor hooren we van Gods gerechtigheid, hooren we van Gods heerlijkheid, hooren we van Gods liefde, maar met het oog zien 1 we den heiligen, den rechtvaardigen, den genadigen God zeiven.

Daarom komt bij het Woord, dat voor het oor is, het Sacrament dat doelt op het oog. ' Het Woord geeft de prediking voor het gehoor, ' het Sacrament een teeken en zegel voor uw oog, ' dat gij het ziet. 1

: En die worsteling om van het hooren tot het i 1 zien te geraken, gaat heel het leven door. En ;

al staat het nu vast, dat het volle zien eerst ' hiernamaals komt, toch is er een ten deele zien, : dat aan Gods ingeleide kinderen reeds hier op , aarde wordt gegund.

„Wat zou mijn hart, wat zou mij7i oog op ' aarde nevens u toch lusten, niets is er daar ( ik in kan rusten."

Eerst hooren van God, dan het ritselen van t God zelf hooren, en dan nog inniger, nog zali- 1 ger in zijn heilige gemeenschap doordringen, ( en, in de stille eenzaamheid vooral, oogen- t blikken kennen, dat Gods heilige tegenwoordig- c heid zoo klaar en zoo overweldigend op ons t aandringt, dat we onzen God in ons bidvertrek bij ons voelen, en dat het is of Hij de hand J op ons legt, en ons zegent. *

God niet in de gedachten alleen, maar wezen- c lijk, in zijn alomtegenwoordigheid bij ons, en r ook zijn Heilige Geest in ons, en de presentie li des Heeren Heeren voor onze ziele bekend.

Zelfs mag men zeggen, dat ook in de ver- c gadering der geloovigen het hoogste punt der v stichting dan eerst bereikt wordt, als Gods kin- 1 deren, die daar saam zijn, ten slotte den prediker vergeten, en elkander vergeten, en het is of Gods heilige tegenwoordigheid in het midden der Gemeente bekend wordt. e

Neen, nog niet het zien, dat eerst in de k eeuwigheid komt, nog niet het zien van aan- e gezicht tot aangezicht, maar toch iets er van, h dat het der Gemeente wordt, zooals het Mozes p werd: een zien van den Onzienlijke.

—, h

Op herhaald en dringend verzoek zullen z de drie artikelenreeksen over de Gemeene ® Gratie, die haar voltooiing naderen, in afzonderlijken druk verkrijgbaar worden gesteld.

Het geheele werk zal bestaan uit drie octavodeelen, waarvan de prijs ƒ 18.— zal Z( bedragen. q

Voor de Abonnenten van de Heraut w wordt intusschen de gelegenheid openge- 0 steld, zich dit werk voor den halven prijs, z' d. i. voor ƒ9, aan te schaffen, mits men zich ^ vóór den ien Mei e. k. aanmelde aan de d Redactie van de Heraut, Bureel Warmoes- n straat, no. 96, te Amsterdam.

Het inteekeningsbiljet op de vierde blad- z' zijde moet hiertoe uitgeknipt, ingevuld en geteekend, franco worden opgezonden. [j Bij die inteekening kan men zijn ver- d langen te kennen geven, om het werk, P zoodra het afgedrukt is, na afbetaling in eens, in zijn geheel te ontvangen. Of wel ( men kan gedurende drie jaren bij de st abonnementsgelden voor elk kwartaal vijf- d: en-zeventig cents voegen. In dit laatste r( geval ontvangt men na afloop van elke vier kwartalen één deel.

Zij, die geabonneerd zijn bij een boek- lj: verkooper of bij een brievengaarder, moeten ui den naam van dien boekverkooper of van °1 dien brievengaarder opgeven. ef

De toezending der deelen geschiedt p franco. st

De inteekening staat alleen voor het ge- ei heele werk open.

Afzonderlijke stukken zijn niet verkrijgbaar.

De boekhandel geniet 10 pCt. rabat. w<

P. S. Ons werd gevraagd, of wie saam een ex. van de Heraut lezen, elk een exemplaar van het werk tegen den halven prijs konden ontvangen. Hierop zij geantwoord, dat wie dit verlangt, het aan kan vragen, en dat alsdan over elke aanvrage zal worden beschikt. Gemakshalve willen we echter na reeds bepalen, dat, desverlangd, elk abonnent op de Heraut twee exemplaren tegen den halven prijs bekomen kan.

Amsterdam, 15 Maart 1901. Vernieuwde waarschuwing-.

Sinds jaren is er onzerzijds op aangedrongen, om de „kerkelijke quaestie" op te lossen, eer het te laat was.

Ons standpunt daarbij was dit, dat vroeg of laat deze quaestie van radicale zijde toch zou worden aangevat, en dan tot oplossing zou komen in eenen voor alle kerken min gewenschten weg. Op grond waarvan het ons geraden scheen, dat alle kerken zelve medewerkten, om, eer het zoover kwam, dat probleem op te lossen op een wijze die met de waardigheid en de historische rechten der kerken strookte.

In dien zin heeft dan ook het antirevo-

111 Hnnaïrf* nrno-rnm \nn

gesproken in zijn artikel 20, dat aldus luidt:

Zij verklaart dat noch voor het rijk in Europa, noch voor de Indien, door de overheid eene staatskerk van wat vorm of naam ook, mag worden in stand gehouden of ingevoerd; dat het den staat niet toekomt, zich met de inwendige aangelegenheden der kerkgenootschappen in te laten; en dat, ter bevordering van een meer dan dusgenaamde scheiding tusschen staat en kerk, de verplichting, uit art. 168 der grondwet voor de overheid voortvloeiende, na uitbetaling aan de rechthebbenden van het rechtens verschuldigde, dient te worden opgeheven.

Haar eerste vrucht droeg dit artikel in de Commissie der Grondwetsherziening, waarin de heeren De Geer en De Savornin Lohman eenerzijds, en de heer Beelaerts van Blokland anderzijds een nota over dit vraagstuk indienden; de eerste strekkende, om bij de afrekening alleen datgene in kapitaal uit te keeren, wat naar historisch recht verschuldigd zou blijken; de tweede eischende, dat de bestaande tractementen en emolumenten als grondslag van berekening zouden worden genomen; maar beide hierin overeenkomende, dat ze rieden de ïaak af te doen.

Sinds rustte dit vraagstuk. Grondwetsherziening is hier noodig, en grondwetsherziening is niet mogelijk, tenzij :wee derden der Staten-Generaal er zich bij :indstemming voor verklaren.

Daar nu de Liberalen dit vraagstuk /an de baan schoven, de Roomschen het rit hun program weglieten, en velen ook in ie Hervormde kerk zich er tegen verzet- ï en, was het duidelijk, dat het niets gaf, J >f een kleine minderheid er al voor pleitte. , ets waar bij kwam, dat met meer nadruk ( iog dan vroeger, niet van de zijde der 1 cerken, maar in rechten, de vraag opdook, 1 >f op goede rechtsgronden zou zijn uit te 2 naken, aan welk rechtssubject de uitbeta- 1 ing zou moeten geschieden. §

We geven dan ook toe, dat het antwoord j >p deze vraag uiterst ingewikkeld is; iets vaarbij komt, dat de Gereformeerde ker:en er beslist de voorkeur aan geven, niets , en deze te ontvangen. i

Thans echter, nu men van socialistische r n radicale zijde op den ouden eisch terug:omt, treedt de zaak een nieu,w stadium in, n herneemt onze vroegere waarschuwing laar kracht, die we steeds tot alle kerken c ;ericht hebben, om het goede getij niet te c iten verloopen, nu nog een gunstige op- 1 Dssing te verkrijgen zou zijn. v

We leven snel, en te laat zou men het A ich berouwen, zoo aan de kerken ten slotte z en oplossing werd opgedrongen, die wezen- ® jke rechten miskende. ®

c

Een werk des Vredes.

g

Wij hadden er de voorkeur aan gegeven, z

00 de samenspreking over de opleidings- £ uaestie aanvankelijk geheel binnenskamers z 'are gebleven. In den regel pleegt dan t ok de theorie van de kraamkamer op 8 ulk een conferentie te worden toegepast.

Nu echter de altoos nieuwsgierige, altoos aar kanalen vindende, en altoos alles aanurvende pers, reeds begonnen is, uit wat ^ ïen dan de kraamkamer noemt, te klappen,

1 het veiliger, de deur maar geheel open te stten. z

Ziehier dan wat geschied is. 0

Kort nadat in ons blad op de wensche- d jkheid van nieuw overleg gewezen was, is e zaak aanstonds ter sprake gekomen op het rofessoren-gezelschap der Vrije Universi:it. Het denkbeeld vond hier onverwijld q ïstemming, en leidde tot het plan, om ti óór de a.s. Paaschvacantie, wanneer het zi :ilstaan der lessen gedoogen zou twee of ii rie dagen achtereen aan zulk een confe- " :ntie te wijden, zulk een conferentie voor v : slaan. ^

Men begreep intusschen, dat het daar- w aor gewenscht was, in een reeks van steltigen de voorstelling van de feiten en het n' itgangspunt voor zulk een samenspreking V; p te maken, opdat zulk een bespreking m ;n geregeld verloop kon hebben. z£

In het professoren-gezelschap van 1 en 15 h' ebr. is toen een concept voor zulk een reeks ellingen ingediend, uitvoerig besproken, 1 ten slotte gearresteerd.

Deze stellingen zijn van dezen inhoud: Z1r

I.

in

Tijdens de pogingen, van 1888—1892 aange- of :nd, om tot eenheid van kerkelijk leven te to

geraken, zijn de onderhandelingen gevoerd tusschen, en is de vereeniging ten slotte tot stand gekomen van, twee groepen van Kerken, in zielenaantal niet veel uiteenloopend, die beide, elk voor zich, classicaal en synodaal georganiseerd waren, en genaamd de ééne: De Christelijke Gereformeerde Kerk, de andere: De Nederduitsche Gereformeerde Kerken.

Elk van deze beide groepen volgde voor de opleiding tot den Dienst des Woords eene eigene methode: de Nederduitsche Gereformeerde Kerken de Universitaire, de Christelijke Gereformeerde Kerk de Seminaristische methode.

De Christelijke Gereformeerde Kerk was daartoe in het bezit van eene Theologische School, gevestigd te Kampen; de Ned. Geref. Kerken stonden in officieel verband met de Vrije Universiteit te Amsterdam; terwijl beide groepen zoomin den weg van Art. VIII der Kerkenordening, als den toegang tot den Dienst door vrije studie hadden afgesneden.

Beide inrichtingen werden naar den eisch van de methode, die zij volgden, onderhouden: de Theologische School te Kampen, naar eisch der Seminaristische methode van opleiding, door de Kerken als georganiseerd instituut; de Theologische faculteit te Amsterdam, naar eisch der Universitaire methode van opleiding, door de Kerk in hare organische levensuiting.

II.

Bij de onderhandelingen over de vereeniging van deze twee groepen van Kerken is aanstonds ingezien, welk bezwaar er school in deze tweeërlei methode van opleiding, en zijn voorstellen ontworpen, die strekten om de Universitaire methode van opleiding voor de twee te vereenigen groepen in te voeren, met behoud van de Seminaristische methode voor de practische vorming. Zie de Concept-Acte van December 1888.

Deze voorstellen droegen de eenstemmige goedkeuring weg van de Voorloopige Synode der Ned. Geref. Kerken (te Utrecht, in Januari 1889, Acta, artt. 123 en 129), en werden in de Synode der Christ. Geref. Kerk (te Kam pen in Januari 1889) door eene aanzienlijke minderheid gesteund. De meerderheid die deze voorstellen verwierp, bedroeg 23, de minderheid die ze aanvaardde 17 stemmen (Acta, art. 269; waar echter in het besluit der Synode twee volzinnen abusievelijk zijn weggelaten, volgens latere officieele mededeeling in de Memorie van toelichting^ in 1889 bij den uitgever Donner te Leiden verschenen).

III.

Toen nu in 1892 de vereeniging tot stand kwam, is omtrent de me hode van opleiding sen compromis tusschen de onderscheidene Kerken gesloten.

Dat compromis bestond hierin, dat beide groepen van Kerken hare methode van oplei

J: ..1 1 ry• • t , \

aing ciACiiu Neigen, uie aan cie semma-

ristische opleiding de voorkeur gaven, door de bepaling, dat de vereenigde Kerken een Seminarie, althans voor de eigenlijke Theologische opleiding, in stand zouden houden; zij die de Universitaire opleiding als eisch van het Gere 'ormeerde beginsel handhaafden, door het aanvaarden door de gezamenlijke Kerken van het verband, dat dusver tusschen haar en de Vrije Universiteit bestaan had. Ook de aanzienlijke i ninderheid, die in de Christ. Geref. Kerk de 1 Universitaire methode van opleiding voorstond, egde zich bij dit accoord neer.

IV. ! In 1893 is eene poging aangewend, om, met '

jehoud van beide inrichtingen, meerdere een 1

leid in de opleiding te brengen, met name door 1

>eide inrichtingen te vestigen in eenzelfde plaats, 1

le hoogleeraren van beide inrichtingen in de t

ipleiding te doen samenwerken, en de benoe 1 tiing van hoogleeraren om en om te doen

ilaats hebben. Toen deze poging mislukte, s

ijn beide inrichtingen afgescheiden van elkaar e

ilijven voortbestaan, en is zoowel de Theolo c

ische School als het verband van de institu r

lire Kerken met de Vrije Universiteit gehand >

aafd. i

Desgelijks is gehandeld in 1896, toen een c

nder voorstel in zake de opleiding, dat de be- 1

inselen der Seminaristische methode tot de r

iterste consequentie doorvoerde, door de groote I

leerderheid der Kerken niet werd aangenomen, t

V. 1

In 1,899 's door Prof. Bavinck nogmaals eene ;

oging aangewend, om meerdere eenheid in de v

pleiding te brengen, en daartoe voorgesteld, [■

at de Theologische School met de Vrije a

Jniversiteit in eenzelfde plaats zou gevestigd j

rorden, dat de Theologische hoogleeraren der c

rrije Universiteit bij de Theologische School e

□uden overgaan, dat deze Theologische School z

eheel van de institutaire Kerken zou uitgaan, v

n dat deze van de Kerken uitgaande School. ^

nder den naam van Theologische faculteit, aan j,

e Vrije Universiteit zou worden verbonden. a Toen ook deze poging mislukte, hebben de

ezamenlijke Kerken te Groningen in 1899 nog jt

ïaals den bestaanden toestand bevestigd, eener 1T

jds de Theologische School, en in haar de j(

eminaristische opleiding, gehandhaafd, en ander e, jds de Universitaire opleiding, door het ver-

and met de Vrije Universiteit, bestendigd, 0

;lijk dit bestond. „

VL d

De thans bestaande toestand is derhalve deze, 0 at nog altoos vele Kerken vasthouden aan de 0: eminaristische opleiding, en zich hiervoor door d

e gezamenlijke Kerken de Theologische School w

en gewaarborgd, terwijl vele andere Kerken ui

isthouden aan de Universitaire opleiding, en al

ch daarvoor door de gezamenlijke Kerken het v;

ficiëele verband met, en de erkenning van, ui

2 Vrije Universiteit verzekerd zien. v;

VII. G

te

Het in 1892 aangegane accoord legt op de ïzamenlijke Kerken de zedelijke verplichting, v( n noch de Universitaire, noch de Seminaris sche methode van opleiding te niet te doen, lolang niet zij, die eene dezer twee methoden re de vereenigde Kerken inbrachten, tot het ^ zicht zijn gekomen, dat de andere methode zc >orkeur verdient, en uit vrije overtuiging in (j,: :t opgeven van het aangegane accoord be 1 > iiligen. _

De Kerken, die de Universitaire methode m opleiding de juiste achten, mogen wel alle of iddelen aanwenden, om de andere Kerken so in de juistheid dezer methode te overtuigen, fn aar mogen nimmer, zoolang dit niet genoeg- wc am gelukt is, de Theol. School willen op- vc :ffen. En evenzoo mogen de Kerken, die aan : Seminaristische methode van opleiding voor:ur geven, wel alle middelen aanwenden om : anderen van de profijtelijkhe d dezer methode gil overtuigen, maar zij mogen nimmer, zoolang dii hierin niet genoegzaam geslaagd zijn aan an Universitaire opleiding het recht van bestaan de vereenigde Kerken betwisten, of aan het sta ïciëele verband met de Vrije Universiteit to< rnen. en

VIII.

Alle samenspreking, die strekken zal, om het schadelijke dat in tweeërlei opleiding ligt, — t. w. 1. de verspilling van financiëele kracht, 2. de verspilling van wetenschappelijke kracht, en 3. het gevaar voor het verdeelen der Kerken in twee theologische richtingen, — op te heffen ot te temperen, moet, om vruchtbaar te zijn, uitgaan van een helder inzicht in het verschillend standpunt, dat eenerzijds door de voorstanders der Universitaire, en anderzijds door de voorstanders der Seminaristische lich* ting wordt ingenomen.

Gelukt het daarbij elkander te overtuigen) dan kan voortaan ééne wijze van opleiding ge' kozen worden. Gelukt dat niet, dan moeten

beide bestendigd blijven, en kan er alleen sprake

zijn van combinatie van beide inrichtingen en methoden.

IX.

Noch het woord Seminaristisch, noch het woord Universitair mag hier in een zin, vreemd aan het hangend geding, worden genomen.

_ Seminarium is óók wel de naam voor kerkelijke opleidingsscholen, die de kweekelingen i>1 ee7i gesticht■ doen inwonen, maar zoo hier te lande als in het buitenland wordt dit woord evenzoo gebezigd, waar van zulk, samenwonen geen oogenblik sprake is. Ook ligt deze nevenbeteekenis volstrekt niet in het woord. Onder Seminaristische opleiding wordt hier derhalve uitsluitend verstaan zulk eene opleiding, die door geïnstitueerde kerken in door haarzelve gestichte, bestuurde en onderhouden theologische vakscholen wordt gegeven.

Evenmin mag Universitaire opleiding worden genomen in een zin, alsof het onverschillig ware, van welke beginselen het Universitaire onderwijs uitging. De Universiteit, die hier in het geding komt, rust voor al haar onderwijs op de Gereformeerde beginselen, en is opgericht

. 111 tegenstelling met bestaande Universiteiten,

ri die in naam neutraal zijn, maar feitelijk uitgaan

n van het humanitaire standpunt. Onder Univer-

1 sitaire opleiding is alzoo hier uitsluitend te

® verstaan eene opleiding, gegeven aan eene

. Universiteit, die uit de Kerk als organisme is opgekomen.

e X.

is Het verschil van beginsel, dat tot de tegen' n stelling tusschen Universitaire en Seminaristische e opleiding voert, vloeit voort uit verschil van overtuiging omtrent de verhouding, waarin het leven der herschepping staat tot het door de ^ zonde ontheiligde scheppingsleven. a Eenerzijds verstaat men die verhouding zóó, g dat het leven der herschepping of der palingenesie, wel ook buiten de institutaire Kerk "invloed e oefent, maar zelf in de kerk als instituut besloten • is. Dat dientengevolge het instituut der Kerk al de Kerk is; dat de Theologie, als van het e instituut der Kerk uitgaande, buiten het ~ organisme der wetenschap ligt, en, de wetenschap e aan de wereld overlatende, geene andere roeping e heeft, dan om de door de institutaire Kerk beleden waarheid in stand te houden, voort te planten en te verdedigen. De inleiding in de ( Theologie en de opleiding tot het ambt kan ; in dit stelsel alleen door de Kerk als instituut ; gegeven worden, en de daarvoor geschikte a kweekelingen zijn alleen diegenen, van wie wordt aangenomen, dat zij persoonlijk bekeerd zijn, en van Gods wege roeping tot het ambt ontvingen. Het bestaan van eene Gemeene grat e, die het scheppingsleven in stand houdt, wordt op dit standpunt wel niet ontkend, maar blijft buiten betrekking met het leven dat r voortkomt uit de particuliere genade. Het is , het standpunt van het consequente dualisme ; tusschen het leven der institutaire Kerk, en het

leven buiten die Kerk.

1 Anderzijds verstaat men deze verhouding , aldus, dat wel het beginsel der palingenesie een geheel ander is dan het beginsel waaruit de wereld thans onder de Gemeene gratie leeft, maar zoo, dat toch de palingenesie altoos hersch pping blijve, en alzoo nooit anders dan in het geschapene werke, en als een zuurdeesem de drie maten meels heeft te doordringenDienvolgens wordt hier de tegenstelling genomen, : niet als eene tegenstelling tusschen de institutaire Kerk en al wat buiten haar ligt, maar als tegenstelling tusschen dat deel van het menschelijke leven, dat wel, en dat deel dat niet door den zuutdeesem der palingenesie doortrokken is. Op dit standpunt is de institutaire Kerk op verra na niet al de kerk, maar slechts hare institutaire uiting, die, van Christus' wege met ambten voorzien, eeniglijk ten doel heeft de predicatie van het Evangelie, de bediening der Sacramenten, de tucht over belijdenis en wandel, en voorts den dienst der Barmhartigheid, voorzoover die ambtelijk in Christus' naam bediend wordt. Buiten dit instituut der Kerk ligt dan het breede veld der Kerk als organisme, bestaande uit de geloovigen met inbegrip van alle krachten der palingenesie, die in en door hen de kerstening ook van het menschelijke leven, in de personen, in de gezinnen, in de maatschappij, in de wetenschap enz. onder ons te weeg brengen. Aldus opgevat is de Theologie een integreerend deel van de door de geloovigen gekerstende wetenschap; heeft de Kerk als organisme de roeping om geheel de wetenschap met den zuurdeesem van het Evangelie te doortrekken; en heeft de Theologie de roeping om voor deze Christelijke wetenschap in volk'1 omvang de leidsvrouw te wezen op het stuk der grondbeginselen. Dienvolgens komt de wetenschappelijke beoefening der Theologie niet uit de Kerk als instituut, maar uit de Kerk als organisme op, en zulks niet ais het doen van enkele particulieren, maar als noodzakelijke uiting van de liefde voor de wetenschap en van de wetenschappelijke krachten, die het God belieft in het „lichaam der geloovigen" te geven. Hare plaats is uit dien hoofde niet in de Kerk als instituut, maar, in organisch verband met de overige wetenschappen, in de Kerk als organisme en nader in de UniversiteitZij, die wetenschappelijke vorming en voorbereiding voor den Dienst des Woords zoeken, hebben in dit verband hunne opleiding aan zoodanige Universiteit te zoeken die rust op de door de institutaire Kerk beleden beginselen. De toegang tot deze vorming staat voor allen open, en eerst als zij zich bij de institutaire Kerk aanmelden, om hn ambt te zoeken, oordeelt de institutaire Kerk geheel vrij en souverein over hnnne roeping van Gods wege, over hun belijdenis en wandel, en over hun wetenschappelijk gehalte en hunne geschiktheid voor den ambtelijken dienst.

XI.

De twee in Art. X uiteengezette overtuigingen vormen eene principiëele tegenstelling, die over en weer de consequentiën van het andere standpunt uitsluit.

Dit belet intusschen niet, dat op beide standpunten afwijkingen van den regel worden toegelaten, voor zoover die door de ervaring en de noodzakelijkheid geeischt worden.

Sluiten