is toegevoegd aan je favorieten.

De gereformeerde kerk, jrg 37, 1924-1925, no 1880, 16-10-1924

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

37e JAARGANG. OCT. 1924—OCT. 1925

No. 1880

DONDERDAG 16 OCTOBER 1924

Ou Kerk

Onder redactie van het Comité ter verspreiding der beginselen van de Contessioneele Vereeniging

Ds. C. A. LINGBEEK te Reitsum (Eindredacteur); Ds. H. BAKKER te Amsterdam; Ds. J. W. GROOT ENZERINK te Leiden; Prof. Dr.Th.L.HAITJEMA te Groningen; Dr. P. J. KROMSIGT te Amsterdam; Dr. J. Ch. KROMSIGT te Oostwold; Dr. H. SCHOKKING te 's-Gravenhage;

Ds. A. B. TE WINKEL te 's-Gravenhage.

:: Dit blad verschijnt wekelijks. "

Alles wat de redactie aangaat en de boeken ter recensie zende men aan Ds. C. A. LINGBEEK te Reitsum, en alle berichten omtrent „Kerknieuws" aan Ds. J. JELLEMA te Wageningen. Voor advertentiën en alles wat de administratie betreft wende men zich tot de Uitgevers.

Uitgevers: H. VEENMAN & ZONEN

wageningen POSTREKENING 12940 TELEFOON 184

Abonnementsprijs f 5.— per jaar. Afzonderlijke nummers 10 cents. Prijs der advertentiën: Van 1—10 regels f 2 —, elke regel meer 20 cents. Boekannonces 10 cents per regel. Bewijsnummers è 10 cents. Abonnementen worden bij ieder nummer aangenomen, doch kunnen alléén eindigen bij het einde van den jaargang, September van ieder jaar,

INHOUD: Een droeve stemming. — De Waarheidsvriend en Rome. — Drie October en onze historie. — Een moderne stem over de leertucht in onze kerk. — Tucht. — Het gevaar van het Doopersche standpunt voor onze Hervormde Kerk. — De kunst van hooren, I. — Vragenbus. — Ons Blad. — Leestafel. Kerk en School. — Advertentiën.

EEN DROEVE STEMMING.

De adem onzer neuzen, de gezalfde des Heeren, is gevangen in hunne groeven, van welken wij zeiden: Wij zullen onder zijne schaduw leven onder de heidenen. Klaagliederen van Jeremia 4 : 20.

Niet zonder eenige hope hadden de geloovigen in Juda Matthanja tot den troon

zien komen.

Was hij niet een zoon van Josia, wiens nagedachtenis nog altijd bij hen in groote

eere stond ?

En was er geen aanleiding voor het vermoeden, dat dezelfde geest, die den vader had bezield, ook in den zoon zou worden

gevonden ?

Had hij niet zelf er toe medegewerkt, dat hij onder den naam „Zedekia" de regeering had aanvaard?

En lag niet in deze naamskeuze als het ware een belofte opgesloten?

Het mocht toch worden verwacht dat een, die zelf begeerd had als koning te heeten „des Heeren gerechtigheid, nu ook vervuld zou zijn van het verlangen om zijn volk te leiden in de wegen van rechtvaardigheid en heiligheid.

En zoo ontbrak de hope niet, dat hij een plaats zou innemen in de rij der koningen, die uit liefde voor den levenden God hadden geijverd voor Diens eere.

Want weliswaar was hij geen vrij man, doordien hij, door Babels koning op den troon gezet, aan dezen den eed van trouw had moeten zweren; doch dit behoefde voor hem geen beletsel te zijn om bij de regeering van zijn volk in alles rekening te houden met de wet van denlevenden God.

En zoo hadden de geloovigen in Juda gezegd: „onder zijne schaduw zullen wij leven onder de heidenen," daarmede de hoop uitsprekende, dat onder zijn regeering, al was het dan in afhankelijkheid van Babels koning, het volk der Joden als het volk Gods een eigen bestaan zou hebben in het midden van de volkeren der aarde.

Zoolang toch een nakomeling van David op den troon zat en deze zich in handel en wandel openbaarde als een „gezalfde des Heeren", was er aanleiding om te vertrouwen, dat de Heilige Israëls zou gedenken aan de beloften, eens aan Isai's zoon gegeven.

En aldus hadden Juda's vromen Zedekia aanvankelijk beschouwd als „den adem hunner neuzen", dat is als dengene, die voor het bestaan van hun volk zou zijn wat de adem is voor ons lichamelijk bestaan.

Doch hun hoop was niet vervuld.

Zedekia was niet bestand geweest tegen den druk, die door een machtige partij in het land op hem was uitgeoefend.

Onder de aanzienlijken waren er namelijk niet weinigen—en dezen vonden een grooten aanhang onder het volk — die het herstel van de vrijheid niet zochten in den weg van wederkeer tot Goden van onderwerping aan Diens tuchtroede, maar in dien van

trouwbreuk en van opstand tegen den koning van Babel.

En deze groep rustte niet, voordat Zedekia was als een willoos werktuig in hunne hand.

Jeremia mocht doen wat hij kon om dit te voorkomen, het was alles te vergeefs.

De krachtigste waarschuwingen, in den Naam des Heeren geuit, werden in den wind geslagen.

En de koning eindigde met te bezwijken voor den drang van de opstandspartij: hij viel van den koning van Babel af.

Doch niet lang daarna lag Jeruzalem in puin en was de tempel in de asch gelegd.

En Zedekia, nog voordat Jezuzalem was gevallen der stad ontvlucht, heeft tot zijn dood toe, van het licht zijner oogeh beroofd, in den kerker moeten zuchten!

Was het wonder, dat Jeremia en de weinige overgebleven getrouwen met hem over dezen uitgang in rouwe waren gedompeld en het in weemoed beweenden, dat hun koning in den vreemde in het gevangenhuis zat ?

Was hij hun niet als de gezalfde des Heeren de drager geweest van de heilsbeloften Gods ?

En nu — nu lag zijn kroon vertreden in het slijk, was hij zelf der diepste verachting ter prooi.

Ach, het is zoo goed te begrijpen, dat klacht na klacht kwam over de lippen van allen, die treurden over de breuke huns volks.

De naastbij zijnde toekomst was hun zoo donker.

De eerstvolgende jaren leken hun zoo ontzaglijk zwaar.

Want ja, het. ontbrak weliswaar niet aan beloften van een lichtend verschiet; doch dat verschiet was nog zoo ver weg; en wat het heden van dit verschiet scheidde was als een dal der beproeving, gehuld in zwarte duisternis.

Een stemming, als over Jeremia en de getrouwen met hem is gekomen na den val van Zedekia, is intusschen geen zeldzaamheid in het leven der kinderen Gods.

Zij is te vinden bij de discipelen van den Heere Jezus, nadat hun Meester is gestorven aan het kruis.

Of is er niet een groote overeenkomst tusschen de klacht: „De gezalfde des Heeren, van wien wij zeiden: onder zijne schaduw zullen wij leven onder de heidenen, is gevangen in de groeven zijner vijanden en het woord van de Emmaüsgangers: „Onze overpriesters en schriftgeleerden hebben Jezus den Nazarener gekruisigd. En wij — wij hoopten, dat hij degene was, die Israël verlossen zou" ?

Doch zoo zal die stemming er telkens zijn, wanneer de werkelijkheid van het heden in strijd schijnt met de toezeggingen des Heeren en — in spijt van alle beloften Gods — de naaste toekomst zich donker laat aanzien.

Verwonderen zal het dus wel niet, dat ook in den tegenwoordigen tijd die stemming niet ontbre >kt.

Sinds toch Jezus Christus aan zijn kruis de verzoening heeft uitgewerkt en als de Koning dei eere is ingegaan in zijn geducht paleis, mag zijn gemeente van hem getuigen: onder zijne schaduw zullen wij leven in het midden van de wereld.

Want hij is opgevaren in den hooge om te waken over zijn duurgekochte kerk en voor die kerk te zorgen met al de macht, die hij in hemel en op aarde heeft ontvangen.

Doch schijnt het nu in onzen veelbev, oge-n tijd niet menigmalen, alsof de machten, die vijandig staan tegenover den Christus Gods, hem gevangen kunnen zetten in hunne groeven ? alsof alles er op uit is om de kerk van haren invloed te berooven en haar de plaats te ontnemen, waarop zij door God is gesteld ?

Velen vinden er behagen in de kerk van machteloosheid te betichten en haar sarrend toe te roepen, dat zij al haren invloed heeft verspeeld.

Velen beelden zich in het recht te hebben om op grond van wat zij waarnemen te besluiten, dat er van een Godsbestuur niet meer kan worden gesproken en dat het dwaasheid is. nog langer te gelooven, dat er een Gezalfde des Heeren zou zijn, die als koning regeert.

Waarlijk in menig opzicht is het heden donker en — al ontbreken de lichtpunten niet — de naaste toekomst ziet er al evenmin helder uit.

Doch, al is dit zoo en al ware alles nog veel donkerder dan het is, daarom ma g bij de geloovigen de genoemde stemming niet de overhand hebben — behoeft dit althans niet zoo te zijn.

Want, al schijnt het ons soms toe, dat Jezus Christus wordt belemmerd in de uitoefening zijner heerschappij, te zijner tijd zal hij toonen, dat er van een belemmering geen sprake is, dat hij te midden van alles is en blijft de koning der koningen, gelijk hij daartoe door den Vader is gesteld.

Er zij dus een donker heden en misschien een nog donkerder toekomst, achter al dit donkere ligt ten slotte toch voor den geloovige een verschiet, dat baadt in het volle licht.

Want evenals voor den Heiland zeiven de dienstknechtsgestalte voorafging aan het bekleed worden met de hoogste eere, zoo zal voor zijn kerk het getooid worden met het volle bruidssieraad eerst op de lijdensgestalte volgen.

En daarom, al dringen allerlei machten op haar aan, al schijnt het soms dat zij ten doode is opgeschreven —- het staat onomstootelijk vast, dat zij hier onder de schaduw van haar verheerlijkt Hoofd blijft leven om eens te leven in de afstraling zijner volle heerlijkheid.

Spannum. Van Meee.

DE WAARHEIDSVRIEND EN ROME.

Onlangs hebben wij, naar aanleiding van het Eucharistisch Congres, vermeld hoe in het jaar 1578 de Roomsche monniken met de Roomsche stadsregeerders op een tweetal schuiten de stad Amsterdam waren uitgevoerd.

Natuurlijk vermeldden wij dat niet om daarmee in het licht te stellen hoe hard onze vaderen die Roomschen hadden behandeld én hoe hard ook wij ze dus thans moeten zien te behandelen. Uitdrukkelijk zeiden wij erbij, dat dien heeren geen hair van het hoofd was gekrenkt. Wanneer men dan ook vergelijkt de behandeling, die ze jarenlang in deze zelfde stad hadden aangedaan aan de Gereformeerden, die op het bloedigst waren vervolgd-geweest, mét hoê zij zelf er nu afkwamen, door met een hoeratje de stad te worden uitgezet, dan moet men zeggen: die behandeling was wel zoo clemeïit mogelijk.

De Roomsche heeren zelf hadden nooit zoo iets durven wachten. Zij „beefden als een riet, toen zij daar als haring in den ton" op de schuiten stonden. Dat kwam van het onruste .geweten!

Maar wat maakt na de Waarheidsvriend ervan ?

Hij stelt 't aan zijn lezers voor alsof wij alle Roomschen als haring in een ton wilden pakken; is over dien harington niet uitgepraat en maakt er bijkans zoo'n soort van folter werktuig van; haalt er zelf bij dat iemand gesproken heeft van een kei, die moest worden geworpen door het nieuwe Maria-raam in het Hervormde Kerkgebouw te Utrecht en jammert dan luide, dat wij, Confessioneelen, blijkbaar na de Hervorming nog niets hebben geleerd.

Welzeker, is ons antwoord: wij hebben van onze Amsterdamsche voorvaderen in 1578 een goed voorbeeld van een zachtmoedige behandeling der Roomschen ontvangen, en wij zouden daarin in onzen tijd nog iets verder willen gaan.

Zooals onzen lezers wellicht bekend is, heeft onze voormalige hoofdredacteur, Dr. Hoedemaker, het steeds afgekeurd, dat in de 17de en 18de eeuw, onder libertijnsche invloeden, zooals hij schreef, de Roomsche burgers van zoovele staatsambten waren uitgesloten.

Dat wij in de dagen van het eucharistisch Congres te Amsterdam die geschiedenis van 1578 aanhaalden, geschiedde dan ook niet (zooals de Waarheidsvriend het aan zijn lezers voorstelt) om daarmede te zeggen: zoo iets hards moesten wij ook nu doen.

Neen, wij wilden hierop wijzen, dat in 1578 de Roomsche burgers vrij in de stad zijn gebleven, maar dat toch de Roomsche overheerschende invloed toen was gefnuikt. Dat echter nu, in onze dagen, die overheerschende invloed opnieuw aan Rome dreigde terug te komen. Gelijk dan ook één der Roomsche sprekers op het Congres het zelf met dankbaarheid heeft erkend; toen hij gewaagde van „het eereherstel", dat Rome thans in de goede Amstelstad had mogen verkrijgen.

Dit moge dienen tot weerlegging van de verkeerde voorstelling der zaak, door De Waarheidsvriend.

Maar hoe komt de Waarheidsvriend er toch bij om onze meening zoo verkeerd voor te stellen?

Om dat te begrijpen lette men hierop:

Thans toont De Waarheidsvriend zich diep verontwaardigd over dien kei door het Mariaraam, hoewel die kei nog maar alleen in de verbeelding bestaat; misschien nog wel op de hei ligt.

Goed; wij kunnen begrijpen, dat De Waarheidsvriend van zulke daden van geweld niet wil weten en het dus reeds op de zenuwen krijgt, als hij er maar van hoort.

Maar, toen het plan werd gemaakt om het Mariaraam een plaats te geven in het Hervormde bedehuis te Utrecht, toen kwam de schrijver in de Waarheidsvriend daarover in het geheel niet op stelten.

Toen zweeg hij als een mof.

Dat toont ons onwederlegbaar naar welken kant de sympathieën van dezen zich voor ultra-gereformeerd houdenden schrijver uitgaan.

En dat verklaart ook de verkeerde voorstelling, die hij gaf van ons stukje.

van folter werktuig van; haalt er zelf bij dat iemand gesproken heeft van een kei, die moest worden geworpen door het nieuwe

te Utrecht en jammert dan luide, dat wij,

DRIE OCTOBER EN ONZE HISTORIE.

Het feest van Leidens ontzet is weer gevierd. Daartoe behoorde ook de feestrede, door onzen historicus Prof. Blok in de Pieterskerk te Leiden gehouden. Prof. Blok wees in die rede onder andere op „de ruwheid der bandelooze geuzen voor wier geweld de Roomschen de vlucht moesten nemen," en herinnerde verder eraan, hoe „de telkens voorkomende mishandelingen van priesters haar hoogtepunt vonden in den gruwelijken moord, door Lumey en de zijnen op de Breestraat gepleegd, op den nog wel door den Prins beschermden braven en geleerden prior Musius."