is toegevoegd aan je favorieten.

De gereformeerde kerk, jrg 37, 1924-1925, no 1893, 15-01-1925

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Jezus Christus, gij weet de liefdevolle gezindheid van Hem ten uwen opzichte.

Dat woord „genade" is hiermee bij lange niet uitgeput!

Dat oude grieksche woord „charis" heeft op 't Evangelie van den Kerstnacht gewacht, om zijn vollen inhoud te ontvangen. Het is in onzen Heere Jezus Christus geworden de weerspiegeling van de gezindheid Gods jegens den zondaar, want God was in Christus de wereld met zichzelven verzoenende, hunne zonden hun niet toerekenende (2 Cor. 6 : 19).

Hij vergeeft zonder rechtsaanspraken te laten gelden of schuld in aanmerking te nemen, Hij spreekt niet van werken, wet en verplichting, maar van genade, aan Christus gebonden, wijl in Hem verschenen.

Zoo werd de genade als gratie van oorspronkelijke ziels- en lichaams-gesteldheid tot vergeving, tot „pardon" d.i. genade voor. recht.

Twee momenten treden hier naar voren: de macht van den Koning om te dooden

en levend te maken en Zijn oneindige erbarming: macht en erbarming, die Hij tezamen in volle harmonie uitoefent.

En het hoogste stijgt de genade in de Majesteit, de souvereine Majesteit Gods en Zijn ondoorgrondelijke Zelfbepaling, dat door Zijn wil de zondaar gerechtvaardigd wordt: het is de wonderbare handhaving van het goddelijke Recht, wat voor ons, aarde-kinderen, ondoorzoekelijk en onnaspeurlijk is.

Geen wonder dat Johannes uitjubelde van den Eeniggeborene des Vaders, vol van genade en waarheid:

„En uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen, ook genade voor genade" (Joh. 1 : 16).

Gij weet de genade van onzen Heere Jezus Christus, uit Zijn volheid te ontvangen, genade voor genade d.w.z. zich opeenstapelende genade, de ééne voor en de andere na. En dat alles uit de vrijwillige, zich offerende armoede van den Heiland.

Het offer moet het offer wekken, het offer werkt den zegen van zelfverloochening, zichzelf eerst geven aan den Heere en daarna aan de Zijnen.

Weet gij de genade van den Heiland? Kent gij de genade van Hem bij ervaring 1 Hoe zal ik dat weten, vraagt uw hart. Als gij het offer der liefde met willige vreugde brengt, omdat gij u in Christus zoo oneindig rijk gevoelt.

Dan zingen onze harten :

Wij willen needrig Gode leven, I U volgen, waar Gij ons geleidt,

Ons u geheel ten offer geven Met nooit volbrachte dankbaarheid. En waar dat voornemen des harten is, daar stijgt onmiddellijk de bede van het hart omhoog, ziende op eigen zwakheid en onwaardigheid:

Getrouwe Leidsman! sla ons gade, Voleinder, laat door Uwe kracht Het heerlijk werk van Gods genade In ons ook eenmaal zijn volbracht. A. / R- D.

DE ACTIE VAN PROFESSOR VAN APELDOORN.

Een vorige maal schreven wij erover hoe Prof. v. Apeldoorn de leidsman is geworden van het verzet tegen het reglement op de predikantstractementen, en tevens hoe de Separatistischgezinde elementen in de Kerk van de ontevredenheid over dat Reglement pogen gebruik te maken om de Kerk te doen uiteenvallen.

Merkwaardig is de houding van De Waarheidsvriend.

Dit blad toonde zich in het eerst tegenover het bedoelde reglement niet zoo onverzoenlijk. Het kan dan ook nu niet op eens zich daartegenover stellen. Zoo begint 't dan nu een artikel, aan deze zaak gewijd, aldus:

„Het Reglement op de Predikantstractementen heeft heel wat beroering gebracht en geen wonder. Allerlei kwesties hangen er mee samen. Nu zijn er gemeenten, die weigeren en er zijn ge¬

meenten, die noodgedwongen hebben toegegeven en er zijn ook, die meer van harte zijn meegegaan. Men weet, hoe wij over deze zaak denken. Het is jammer, dat het dezen weg is uitgegaan. En met weigeren zonder meer komen we niet verder. Gemeenten worden er intusschen door verwoest; herderloos zijnde, gaat alles hollend achteruit en de gelegenheid is schoon voor allerlei dingen, die niet tot zegen zijn voor ons ker¬

kelijk leven. Wij, voor ons, zouden we willen, dat men de gemeenten niet prijs gaf aan allerlei, dat schadelijk werkt er de schadelijke gevolgen nog jaren zai doen gevoelen. Trouwens het kan zoc niet blijven bij het vóór van den een en het tegen van den ander. Het zou zoc te wenschen zijn dat, niet in een weg van obstructie, maar in een officieelen: ordelijken, wettigen weg deze zaak eens kon worden uitgemaakt — waarbij natuurlijk (dat brengt de aard van ons „eigenaardig" kerkelijk leven mee) de moeilijkheden niet zullen ontbreken."

Maar na deze inleiding komt het blad op de actie van Prof. van Apeldoorn. En dan heet het:

„Prof. van Apeldoorn, een specialiteit op dit terrein, is door de Vereeniging van protesteerende Kerkvoogdijen uitgenoodigd op verschillende plaatsen lezingen te houden over bovengenoemde aangelegenheid. Te Goes is Vrijdag j.1. de eerste vergadering geweest. En hoewel de bladen geen breed verslag hebben gegeven, is er toch van dat optreden wel een en ander bekend, 't welk ons aanleiding gaf boven dit stukje te zetten „belangrijk".

Laat men zich in deze zooveel mogelijk van groote woorden en veel breede gebaren onthouden. Dat geeft toch allemaal niets. Maar als de zaak, waarom het gaat, door mannen als prof. Van Apeldoorn nu eens kalm, maar flink kon worden aangepakt, dan zal het ons grootelijks verblijden."

Bedenk nu hierbij dat Prof. van Apeldoorn, blijkens zijn eigen woorden, verder mikt dan alleen op het Regl. op de Predikantstractementen, enz., en dan is het opmerkelijk, dat De Waarheidsvriend zich van alle afkeuring onthoudt. De zaak moet „flink aangepakt". Welke zaak bedoelt De Waarheidsvriend ?

Nu wij toch over deze zaak schrijven, willen wij hier ook vermelden wat het Ethisch orgaan „Algemeen weekblad (vroeger „Bergopwaarts") in deze heeft te zeggen. Eerst vermeldt het de adviezen, door Prof, van Apeldoorn aan verschillende kerkvoogdijen gegeven. En dan scnrijft het;

„Thans heeft Prof. v. A. een nieuwe daad gedaan en zijn bedoeling openlijk uitgesproken: op een vergadering der protesteerende kerkvoogdijen te Goes heeft hij volgens de krantenberichten met zooveel woorden gezegd dat het hem te doen is om de tegenwoordige organisatie der Hervormde Kerk te vernietigen." :,

En dan wijst het blad erop, dat de strijd om het Regl. op de predikantstractementen niet zoo'n vaart zou loopen, indien deze niet met wat anders was in verband gebracht; n.1. met de bedoeling om dezen strijd te gebruiken om de Herv. Kerk uit elkaar te rukken. Daarover schrijft het blad:

„Nu hij zijn kerkrechtelijk ideaal zoo duidelijk heeft laten zien, zullen zijne volgelingen hem wel den veldheersstaf reiken en hem tot aanvoerder proclameeren van het leger dat de synodale kerkinrichting gaat bestormen. Zijne positie en juridische kennis rechtvaardigen dat.

Dat hij die taak aanvaarde! Maar ze dan ook aanvaarde in haar vollen omvang en.den schijn late varen alsof het ging tegen het Regl. op de predikantstractementen, nu hij zelf openbaarde hoeveel hooger hij mikt. Het feit dat hij zijne veroveringsplannen blootlegde op een plaats waar ze heelemaal niet thuis hooren (in een kerkvoogden-vergadering) doet vreezen dat de vertroebelingspolitiek zal worden voortgezet. Dat zou te betreuren zijn, en van weinig veldheerstact getuigen. Op dat terrein heeft hij al teveel terrein verloren om nog op een overwinning te kunnen hopen. De Raad van Beheer zit stevig in het zadel.

Maar 't getal van hen, die de heele kerkorganisatie willen aanpakken, is groot genoeg om een machtig leger te vormen, waarmee de slag te wagen is. Dat dit leger dogmatisch niet homogeen is, behoeft geen bezwaar te zijn. Althans voorloopig niet. Dat komt straks als op de ruïnes der Herv. Kerk een nieuwe kerkgemeenschap moet worden gesticht. Dan raken de overwinnaars onderling slaags. Maar zoover zijn we nog niet.

Uit wat ik zoo hier en daar opving, vermoed ik wel, hoe velen zich de begeerde toekomst voorstellen. Als de synodale organisatie zal zijn weggevallen en de verschillende groepen zich op den grondslag van dogmatische saamhoorig-

heid zullen kunnen bijeenvoegen, dan zal er geen beletsel meer zijn, dat al wat zich „gereformeerd" noemt, in en buiten de Herv. Kerk zich constitueert in een groot kerkverband, dat dan verreweg het machtigste kerkverband in Nederland zal zijn. En dan vallen vanzelf de groote monumentale kerkgebouwen aan deze gereformeerden toe, en alle kleinere groepen wonen in kapelletjes daaromheen."

Tot dusver het „Ethische" blad.

Wij kunnen ons de bezorgdheid van den geachten redacteur begrijpen. Ook wij zouden, indien 't ging zooals hij beschrijft, dat de gewenschte oplossing der kerkelijke kwestie niet vinden.

Maar aan wien zou de schuld zijn, indien 't toch zóó mocht loopen ?

Toen twee profeten, Hoedemaker en Gunning, niet ophielden te wijzen op den onhoudbaren toestand der Kerk en riepen om reorganisatie en toen die roepstem door heel de kerk weerklank vond, toen heeft de Synode en toen hebben de mannen, die thans de Ethische leiding hebben, zich daartegen met alle kracht verzet en die beweging gesmoord.

Maar de lang opgekropte ontevredenheid moest zich een uitweg banen.

En werd de beweging tot kerk herstel door de macht van die in de Besturen zaten bedwongen, nu steekt een geheel andere beweging het hoofd omhoog; n.1. om de oude Hervormde Kerk niet te herstellen, door haar weer aan een kerkelijk leven te gewennen; maar om haar voor goed aan flarden te scheuren.

Dat komt er nu van, dat men, zich verheugende in zijn macht, voor het recht des Heeren en voor het recht der onderdrukte kerk zich doof hield!

Och, dat allen, wien het om het heil onzer oude Vaderlandsche kerk te doen is, eer het te laat zal zijn, tot beter inzicht kwamen!

C. A. L.

DE LEER DER ALGEMEENE GENADE BIJ CALVIJN EN BIJ DR. KUYPER.

Prof. Haitjema, onze mederedacteur, schreef in „Op den uitkijk" over Dr. Kuypers leer van de „gemeene gratie" en zei naar aanleiding daarvan, dat Dr. Kuyper, door die leer, oorzaak is geweest van de verwereldlijking van het Christendom, die men in onze dagen waarneemt.

Daartegen kwam Ds. Rullmann in de Utrechtsche kerkbode op. Dat veler Christendom in onzen tijd verwereldlijkt erkent hij, maar evenzeer ontkent hij, dat de leer der „gemeene gratie" daaraan schuld zou hebben. Evenmin als bijvoorbeeld het Antinomianisme is te wijten aan de leer der genade van den apostel Paulus.

De Heraut sluit zich bij dat laatste aan. Hij wijst erop, dat niet alleen Dr. Kuyper, maar ook evengoed Dr. Bavinck de leer van de gemeene gratie heeft verdedigd, en hij beweert verder, dat beide professoren het leerstuk niet als iets nieuws hebben te voorschijn gebracht, maar het hebben ontleend aan Calvijn, „die de geestelijke vader van dit dogma was, terwijl toch niemand zal beweren, dat Calvijn de verwereldlijking van het Christendom in de hand heeft gewerkt. Calvinisme en Puritanisme zijn veeleer van huis uit verwant en steeds nauw met elkander verbonden in de historie opgetreden."

Tot zoover de Heraut.

Daarachter moeten wij nu toch een vraagteeken zetten.

Zeker; Calvijn heeft ook van een genade Gods buiten de zaligmakende genade gesproken. Ook in hen, die den levenden God niet kennen en vreezen, ziet Calvijn vaak veel burgerlijk goed, en hij schrijft dat toe aan èene genade, die God hun verleent, al is dat dan ook geen zaligmakende genade, 't Is zulk een genade, die de doorwerking van de zonde tempert, en die verhoedt, dat hier op aarde reeds het leven tot een hel wordt.

Calvijn heeft dus inderdaad een leer van eene algemeene genade, als van een genade, welke God verleent aan hen, die de zaligmakende genade missen.

Ook leert Calvijn verder te onderscheiden tusschen de dingen van het natuurlijke leven en tusschen de dingen, die behooren tót het koninkrijk van Gods genade.

Maar nu komt het verschil tusschen Calvijn en Kuyper.

Calvijn kent de algemeene genade toe aan hen, die de zaligmakende genade missen. En die algemeene genade houdt hen binnen de perken, zoowel op het gebied der aardsche dingen als ook op godsdienstig gebied. In geval zij onder de prediking van Gods Woord verkeeren, houdt de algemeene genade hen door dat Woord in

mindere of meerdere mate in toom. Die algemeene genade van Calvijn werkt dus bij de onbekeerden op natuurlijk en op hooger gebied en ontslaat hen in geen enkel opzicht van den band aan het Woord.

De zaligmakende genade daarentegen kent Calvijn toe aan de ware geloovige n, en bij hen doordringt die zaligmakende

genade ook, weer, niet alleen het terrein van het hoogere leven maar ook het natuurlijke leven, zoodat zij met die algemeene genade der ongeloovigen niet van doen hebben en óók in alles zijn gebonden aan het Woord.

Dr. Kuyper daarentegen deelt het leven der geloovigen in twee deelen; een leven

op het terrein der natuurlijke dingen, voor welk terrein de algemeene genade geldt en waarop zij alleen te maken hebben met het natuurlijke licht, en een leven op het terrein van het genadekoninkrijk, op welk terrein alleen zij met het geopenbaarde Woord te doen hebben.

Wij weten wel, dat Dr. Kuyper voor de volle consequentie is teruggedeinsd en dat hij dus b.v. heeft geleerd, dat de Over¬

heid behoort tot het terrein der algemeene genade en daarom als Overheid alleen heeft te maken met het natuurlijke licht, doch dat de Overheidspersonen in hun geweten gebonden blijven aan Gods Woord.

Niettemin; aan de gemeene genade, die bij Calvijn alleen diende om de ongeloovigen in toom te houden, geeft Kuyper een eigen terrein, ook in het leven der geloovigen. Daarmee begeeft hij zich op de nietCalvinistische maar Doopersche lijn van niet alleen onderscheiding, maar scheiding te maken tusschen de natuur en de genade.

En daarmee onttrekt hij een belangrijk deel van het leven der geloovigen aan het licht van het Woord des Heeren en aan de tucht van dat Woord.

C. A. L.

HET GELOOF VAN ONTWIKKELDEN EN ONONTWIKKELDEN!

Dit staat nu wel vast, dat men in onze dagen, het gemoed rijkelijk aan het woord laat komen. Teveel! Te eenzijdig! Die goede menschen, die zich voor een 50, 60 jaren ziek gegeten hebben aan allerlei rijpe en onrijpe voortbrengselen van het verstand, zijn nu bezig zich een leverkwaal (ik spreek in figuurlijken zin) te. eten aan de producten van het gevoelsleven. Dus wil men nu bepaaldelijk langs den kant van het mystieke, het symbolische, het intaïtieve. Inderdaad een kant van het menschelijke leven, die er is; en in de vorige decenniën maar al te veel verwaarloosd werd. Wat zich nu wreekt.

Dat is de reden, dat we tegenwoordig ook weer veel meer onder ontwikkelden en geletterden hooren spreken van het geloof. Begrip, kennis, wetenschap zijn haast verouderde woorden geworden. Wie had het ooit kunnen denken ? Maar wanneer detwintigste-eeuwsche mensch het over geloof heeft, is het hem niet kwalijk te nemen, dat er nog wel eens wat in zijn voorstellingen en woorden rammelt. Zoo vast en solied als Ursinius en Olevianus zich in hun dagen (die toch ook geweldig waren!) over het geloof uitdrukten, verstaan onze tijdgenooten het wel niet. Ze zijn n.1. nog uiterst bang om een inhoud te geven aan het gelooven. Ze houden zich liefst op de vlakte. In de burgt van de een of andere kerk, de een of andere belijdenis wagen zij zich niet. Dat is te eng, te gevaarlijk. En zoo is het geloof dan een onbestemd, een vaag en mistig ding, waar je alle kanten mee uit kunt; maar dat, zoodra je het wilt grijpen, weg is, evenals een schim. Een aandoening, een stemming, een formeel iets zonder materieelen inhoud, een instrument om het leven, wat aangenamer te maken. Zóó spreekt graaf Keyserling, de filosoof van wien in den laatsten tijd meer sprake was, er in zijn reisdagboek ook over. Aldus:

„Het geloof is dus een middel om spoediger tot kennis te komen; een andere beteekenis heeft het niet. Daarom is het in beginsel onverschillig waaraan men gelooft ; of wat men gelooft, werkelijk bestaat en bestand is tegen kritiek. Onontwikkelde menschen kunnen alleen dan gelooven, indien zij overtuigd zijn dat de inhoud van hun geloof objectieve werkelijkheid beteekent; dat Krishna werkelijk een Avatar was, de Bijbel werkelijk het woord van God, en Christus in den zin der geschiedenis de menschheid van den dood heeft verlost. De ontwikkelde weet, dat gelooven in den godsdienstigen zin en voor-waar-houden in wetenschappelijken zin niets met elkaar gemeen hebben; dat het van een godsdienstig standpunt beschouwd, volkomen onverschillig is of Christus bestaan heeft of niet. En de volmaakte ontwikkelde, de