is toegevoegd aan je favorieten.

De gereformeerde kerk, jrg 37, 1924-1925, no 1904, 02-04-1925

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ONJUISTE VOORSTELLINGEN. g

k

In het „Gereformeerde" Noord-Holland- b scbe Kerkblad maakt Prof. Grosheide melding van het onlangs kennelijk met zekere g bedoelingen verspreide gerucht, als zouden s al de dertig Hervormde predikanten in de c hoofdstad met hun allen nog slechts duizend I

catechisanten hebben.

Altoos netter in z'n polemiek dan velen 1 zijner geestverwanten, laat Prof. Gros- s heide niet na z'n lezers ervan op de hoogte te stellen, dat dat gerucht „gelukkig kon n worden tegengesproken ?

Maar dan komt Z.H.G. op wat, naar wij meenen, Dr. Oorthuis onlangs over deze , zaak schreef, in welk schrijven onder meer deze woorden voorkwamen:

Scheiding en Doleantie lieten ons de groote gedoopte maar onverschillige massa achter, alsof zij tegenover deze niet medeverantwoording droegen."

En dan roept Prof. G. uit:

Men moet toch maar durven!

Weef; men nu heusch niet beter ?

Kent men de geschiedenis van zijn eigen kerk zoo slecht ?

Weet men niet, dat de Hervormde kerk tot tweemalen toe belijders van de Gereformeerde waarheid uitgebannen, weggejaagd heeft? Dat ze daarentegen de onverschillige massa, met modernen en ongeloovigen behouden heeft ? En ze nog altijd behouden wil?

Daarop is ons antwoord:

Wij weten zeer veel van deze dingen; nog veel meer dan Prof. Grosheide er op het oogenblik van schijnt te weten.

Om daarvan iets te noemen: i

Wij weten, dat Christus, om Zijne Kerk ■ op aarde zuiver te houden, heeft ingesteld de Christelijke tucht.

En wij weten, al verder, dat die tucht niet is een geestelijke vivisectie op het lichaam der Kerk, maar dat ze veeleer is te vergelijken bij het werk van een hovenier, die het zwakke opkweekt, wat uit den band springt opbindt, het kromme recht buigt, het onvruchtbare voedsel toevoegt, opdat het straks vruchten moge dragen, en die alleen, als alle middelen zijn beproefd, wat onherstelbaar, verkankerd en dood blijkt afsnijdt en uitwerpt.

In één woord: een werk der medelijdende liefde en niet van hooghartig verwerpen. Een werk „tot opbouw en niet tot neder-

werping."

Maar nu weten wij nog meer.

Nu weten wij, dat er in onze Kerk een man opstond, die zichzelf geroepen achtte om Reformator te zijn.

Wien echter niet het ideaal der oude Gereformeerde landskerk voor oogen zweefde, maar die door de Amerikaansche gedachte der Vrije Kerken was bezield.

En hoe die man toen, ten einde dat ideaal te verwezenlijken, natuurlijk niet het herstel der Kerk gezocht heeft, maar op een Conflict met de Kerkbesturen heeft aangestuurd en een scheiding heeft geprovoceerd.

Ook al wist hij, van te voren, dat hij daardoor zichzelf sluiten zou buiten den breeden kring van medegedoopten, waarin hij door God den Heere gesteld was. Met andere woorden, nog eens: Wij weten, dat geen oogenblik het herstel onzer oude Hervormde Kerk gezocht is: dat het zelfs niet begeerd is, maar veeleer ongewenscht is geacht.

Dat zulks hieruit voortkwam, dat men, hoewel sprekende van „Gereformeerd", een ander kerk-ideaal najoeg dan aan de oude Gereformeerden in deze landen had voor oogen gestaan.

En dat men, door zulke idealen gedreven, er ook niet heeft tegen opgezien om de groote massa der gedoopten, buiten den weg van tucht, eenvoudig los te laten. Dat weten wij.

En als Dr. Grosheide zich over deze zaak nog eens goed bezint, dan maken wij ons sterk, dat ook voor zijn geest, iets van deze dingen weer zal boven komen.

0. A. L.

gesprek met bedoelde dame, hebben er- of kend die bewuste woorden te hebben ge- or bezigd. he

In elk geval: hij heeft nooit ronduit gezegd die woorden nooit te hebben g$- W sproken; Veeleer sprong hij daar altijd overheen en begon over de leer van den ki Doop, alsof het daarover liep.

Niettemin stelde Dr. Waterink zich zi in het publiek aan, als hadden wij hem p( schandelijk belasterd.

En nu komt Dr. Waterink op de zaak o( nog eens terug in „De Reformatie." cl

En wat hooren wij nu ? g(

Ten eerste heeft Dr. W. het over onze b( „onbeholpenheid" in het polemiseeren. er En waarin bestaat die onbeholpenheid ? d: Men hoore! ki

„Immers eerst wordt men scherp te aangevallen ■— zonder dat men een nummer van de krant, waarin men wordt di aangevallen, krijgt toegestuurd. Dan le zendt men een „ingezonden" stuk — en weer krijgt men geen bewijsnummer, ic waarin het stuk werd geplaatst. Men lx zegt, dat Ds. Lingbeek deze minder fig o k manier verklaarde in een onderschrift in h zijn blad, maar ik heb dat niet gelezen — d dus weet ik de reden niet. „Manier" is s< het in ieder geval niet.

Maar toen ik ook een en ander zeide over de kwestie in „De Reformatie 7-< kwam Ds. L. weer terug op zijn eerste stuk en op mijn ingezonden. Weer moest ik van anderen een nummer van het blad krijgen, om te zien, wat Ds. L. deed.

Zoo kunnen we aan den gang blijven.

C

Men ziet het: onze „onbeholpenheid" ^ in het polemiseeren bestaat hierin, dat wij a geen exemplaar van de bewuste nummers <3 van ons blad aan Dr. W. toezonden. c

En wat heeft Dr. W. nu nog meer? , Men hoore Dr. W. zelf, weer: z

„Ik dank er voor in naam van het ge \ reformeerd beginsel bestreden te worden ^ door iemand, die primo: over hetgeen ik zeide is ingelicht door een dame, die \ klaarblijkelijk niet kan hooren, veel ^ minder verslag geven, — die seeundo: ons c gereformeerden beschuldigt van alles en ] allerlei, waarvoor hij geen zweem van j bewijs heeft; en die tertio, een soort onbetrouwbaarheid insinueert tegen hem dien hij bestrijdt. Wanneer Ds. L. weet, i wat gereformeerd is, dan kan hij geen i tegenstelling tusschen mijn „ingezonden" ] en mijn Reformatie-artikel ontdekken'

Ik ben bereid verder op deze kwestie g in te gaan, mits Ds. L. eerst verklaart < op het punt van den doop Gods Woord en de Ger. Belijdenisschriften als basis voor < een debat te willen nemen; en indien hij mij belooft, naar goede persmanier, . zijn bladen toe te zenden aan mijn adres, < wanneer hij over mijn opvatting handelt."

; Met andere woorden: Dr. W. wik op ' zekere voorwaarden met ons een débat 3 beginnen over de beteekenis van den Doop.

Wat zullen wij daarop nu antwoorden? j le. wat onze onbeholpenheid betreft: wij 1 hebben in de jaren dat wij medewerker ï of Redacteur van ons blad waren, nagenoeg nooit nummers ontvangen van de bladen, die tegen ons polemiseerden.

Gedurig melden onze vrienden ons: t „in Kerknieuws van de N.R.Ct. staat r weer een stukje over u , maar als die vrienden zelf ons het bewuste nummer niet toezenden, leven wij voort in kindera lijke onwetendheid van wat men over ons e verhandelt.

I Ook De Heraut volgde geen andere gewoonte.

i, Dr. Schokking, onze voormalige Einde redacteur, heeft ons, toen wij nog Vragenti bus-redacteur waren, herhaaldelijk aanl. gemaand om toch een abonnement op de Heraut te nemen, daar wij anders nooit e lazen wat over ons geschreven werd. ij Tenslotte hebben wij dat ook gedaan. }s Uit een en ander maakten wij op, dat de i. oude persgewoonten op dit punt gewijzigd j. zijn en dat meenen wij nog.

Ten overvloede zij gemeld, dat wij onzen "" uitgever de vorige maal verzochten toch maar een nummer van ons blad aan Dr. Waterink toe te zenden, gelijk wij bij dezen t, onzen uitgever openlijk uitnoodigen van e- dit nummer een exemplaar te zenden aan i" Dr. J. Waterink te Amsterdam. (Straat, gracht of plein en huisnummer op te zoeken m in van Alphen's domineesboek.)

er

ie En nu: het aangeboden debat over den Doop.

re Daarop is ons antwoord: wij zijn wei zeer onbeholpen in het polemiseeren, maar ik toch niet zóó onbeholpen, dat wij de an handigheid, waarmede Dr. W. de zaak naar een ander chapiter overbrengt, niet zouden onderkennen.

d- Liep de zaak over den Christelijken doop

ONZE ONBEHOLPENHEID.

Zooals de lezer zich wellicht herinnert, hadden wij vóór eenigen tijd eene penneschermutseling met den „Gereformeerden" Dr. J. Waterink.

Dr. Waterink zou in een vergadering van Gereformeerde onderwijzers,sprekende over de opvoeding op de Christelijke school, de uitdrukking hebben gebezigd:

„Onze kinderen zijn anders dan andere kinderen."

Een onder het gehoor van Dr. Waterink verdwaalde Hervormde dame gaf daaraan openbaarheid.

Wij namen dat over. Met critiek.

Dr. Waterink zou toen, in een mond-

of over de leer van den Doop op grond van onderstelde wedergeboorte, zooals Dr. W. la; het nu ook weer voorstelt? Ai

Neen, 't liep eeniglijk hierover, dat Dr. W. zou gezegd hebben:

„Onze kinderen zijn anders dan andere al kinderen." (^f

Daarvan; daarvan alléén schreven wij : ge zulk een voorstelling schuwen wij als een __ pest."

En Dr. W.'s pogen om telkens opnieuw, ook nu weer, het debat naar een ander chapiter te verleggen, brengt ons tot de gedachte, dat Dr. W. die woorden in een ni besloten kring zich heeft laten ontvallen.. m en ze daar ook wel heeft gemeend, maar dat ze (après tout) hemzelf toch wat te kras zijn om er op de publieke markt mee h< te verschijnen.

Wat ons betreft, voor ons is dit nu juist hi de slak, waarop wij zout wenschen te leggen. w

Want dat is nu juist de afscheidings- k< idee, die al spreekt men haar in het open- „< baar ook niet zoo uit, toch leeft in de d; kringen der Gescheidenen, zelfs reeds bij het jongere geslacht, dat er in den grond door bedorven wordt: „wij zijn een ander d soort menschen dan de anderen." k

C. A. L.

Aan Dr. W. werd het betreffende nummer toegezonden. De Uitgevers, h

b

DE „STILLE OMMEGANG"

TE AMSTERDAM. h

g

Zooals de lezer zich wellicht herinnert, bestaat er een z.g. mirakel van Amsterdam. _ Omstreeks de 14e eeuw zou daar in een huis in de Kalverstraat, een gewijde ouwel aan een stervende zijn toegediend, door dien stervende zijn ingeslikt, maar weer opgegeven, daarna in het vuur zijn geworpen, maar in het vuur onverteerd J zijn gebleven, natuurlijk om te toonen dat « het het ware lichaam van Jezus Christus was. En sinds dien tijd sprak men van het z Amsterdamsch mirakel', op de plaats waar s het geschied was werd een kerk gebouwd r (de Nieuwezijdskapel), waarheen in de 1 dagen vóór de Hervorming, velen, o.a. g Keizer Maximiliaan, zijn opgekomen ter 1 bedevaart.

c

Men zou verwachten, dat zulke gewoonten 1 met de eeuwen allengs uitsleten, maar, i integendeel, in plaats van uit te slijten, i leven zij in onzen, tijd weer op. <

Zooals de nieuwsbladen ons hebben t i gemeld, is et verleden Week in Amsterdam

i een plechtige „stille ommegang" gehouden. ] In het nachtelijk uur, twee uur na mid- <

■ dernacht, heeft zich op het Spui, dat is een <

. breede straat in het hart van oud-Amster- 1 , dam, een stoet gevormd van niet minder , dan ± 40000 Roomsche mannen.

En toen is 't in optocht rondgegaan, de rozenkrans in de hand, Kalverstraat,.... ) Dam (alwaar gebeden werden gepreveld t voor het Vorstelijk Huis,.... Nieuwen• dijk,.... Martelaarsgracht,.... Prins Hendrikkade,.... Nieuwe brug (alwaar gebeï den werden opgezonden voor de varenden j op zee),.... Warmoesstraat,.... ....

r Langebrugsteeg, .... en nu wéér naar

r de Kalverstraat, (dus geheel het oude

, Amsterdam om), en dan ten besluite, met z'n allen nog eens door de stegen, die aan : weerskanten van de Nieuwe Kapel liggen, t een laatste ommegang rondom de plaats 3 der plaatsen, alwaar het groote Mirakel r zou zijn geschied.

Denkt u in, lezer: dat, wij zouden haast s zeggen spookachtige tafereel van 40.000 mannen, in het holle van den nacht, met de 3 rozenkrans in de hand, al gebeden prevelend, door de straten van het nu verlatene,

- slapende oud-Amsterdam trekkende. En

- dan, eindelijk, als een zwarte mierenhoop,

- draaiende rondom ons Hervormde bedee huis: de Nieuwe Kapel!

t De Nederlander schreef, dat vanhet zien, I. van zulk een stoet een wijding uitging. l. Dat vinden wij niet. Voor wijding zouden ,e wij liever zeggen: huivering, d Christelijken godsdienst kunnen wij in zulk een prevelend rondtrekken rondom n een heilige plaats met den besten wil niet h zien.

r. Denkt u in, dat Jezus met Zijn apostelen n zoo ware rondgetrokken!

,n Maar daar leest ge niets van!

i,n Wél lezen wij de vermaning, om, als t, men bidt, geen ijdel verhaal van woorden sn te gebruiken gelijk de Heidenen doen; en niet op de hoeken der straten te staan, maar te gaan in de binnenkamer, jn En tot de Samaritaansche, die zich druk maakte over de vraag van het bidden op el deze of op gene plaats, sprak de Heiland ar over wat anders: n.1. over het bidden in de geest en in waarheid.

ak

et Wat wij dan wèl zien in zoo'n tevoren in de kranten aangekondigden en wel Dp voorbereiden ommegang ?

Een voortzetting van wat wij in den laatsten zomer gehad hebben in het Amsterdamsche Stadion.

Een soort van Roomsche wapenschouw.

En een vertoonen, aan vriend zoowel als aan vij and: dat kunnen wij als wij willen; dat durven wij; zóóver hebben wij het gebracht in het Protestantsche Nederland!

NOG EENS: HET TOOROP-RAAM.

Naar wij vernemen is de onrust over het nieuwe kerkraam in de Utrechtsche gemeente nog steeds groot.

Dat gaat gewoonlijk zoo.

Eerste rangsquesties worden vaak over het hoofd gezien.

En van tweederangsvragen wordt de hoofdzaak gemaakt.

Men blijve nu echter indachtig aan het woord van Luther, toen hij op een in de kerk achtergebleven beeld werd gewezen: „och", sprak de Hervormer, „wat hindert dat? Ik zal 't wel wegpreeken."

Dat geldt ten slotte ook hier.

Wat gepredikt wordt in het kerkgebouw dat is tienmaal voornamer dan hoe het kerkgebouw versierd wordt.

Natuurlijk is de gemeente vrij om in den wettigen weg te zorgen, dat het laatste met het eerste in overeenstemming worde gebracht.

Maar intusschen late men zich van de hoofdzaak niet afleiden! Bovenal: men | gedrage zich waardig!

C. A. L.

GODS WOORD OF DE STEMBUS RECHTER DER GESCHILLEN?

Onlangs schreven we, dat de hoofdzaak, waarom het bij de reorganisatie gaat, is het rechtsherstel der Classicale vergaderingen. Dit is namelijk de historisch-juridische zijde der zaak. En we zien met belangstelling uit naar wat de tegenstanders van reorganisatie tegen ons historisch bewijsmateriaal te berde zullen hebben te brengen. Immers, onrecht verjaart niet. Allerminst op kerkelijk gebied.

Nu kan men de zaak echter ook nog dieper opvatten en haar bezien niet van hare historisch-juridische, maar van hare principieel-dogmatische zij de. En dan moeten we zeggen: het gaat bij de reorganisatie om de groote vraag, of Gods Woord dan wel de stembus rechter zal zijn van onze geschillen.

Zooals de zaak thans staat, bestrijden de partijen elkaar in onze Kerk op leven en dood. Men stemt elkaar dood zonder dat er gelegenheid is gegeven aan den tegenstander van beroep op Gods Woord.

Daarom zeide Gunning zoo terecht, dat in onze kerkelijke vergaderingen „de rechtskracht van Gods Woord weer moest worden hersteld."

Doch er zijn er, die een instinkt matige vrees hebben voor een beroep op Gods Woord.

Zoo zijn er velen niet alleen onder de ethischen, maar ook onder de neo-Calvinisten (de mannen van het Convent b.v.), die art. 36 verwerpen. Zij gevoelen zich met hunne afwijkende meening in zake art. 36 niet veilig tegenover het Woord.

En zoo beroept men zich dan nog liever op de stembus dan op het Woord en blijft alzoo (ook met heel z'n denken en redeneeren) in den partijstrijd bevangen. Men kan zich niet eens objectief het andere, kerkelijke standpunt indenken.

Er zijn er echter gelukkig nog vele anderen. Ook onder die beide groepen. Op hen doen wij een beroep met onze reorganisatiegedachte, die alle partijwezen breekt.

P. J. Kromsigt.

DE NEDERLANDER IN MIST GEHULD.

De Nederlander (het welbekende Zaterdagsche bijblad n.1.) heeft zich naar aanleiding van onze vraag over art. 36 in een ondoordringbaren mist gehuld.

Blijkbaar is haar haar eigen verhouding tot art. 36 nog alles behalve duidelijk (de uitvlucht, dat het Zaterdagsche blad zich niet mag bewegen in de praktische politiek, geldt hier natuurlijk niet, want het ging juist om de principieele lijnen, d.w.z. den religieuzen grondslag van heel de Christelijke politiek).

Nu gunnen we haar gaarne wat rustigen bedenktijd in haren misttoren. „Haastige spoed is zelden goed." De kwestie van art. 36 is inderdaad niet gemakkelijk en het is zeer noodig ook voor de Nederlander om haar eens van alle zijden te bezien en te bestudeere en er zich niet met „kleine kritiek" of „algemeenheden" van af te maken.

Maar, als men zelf nog geen klaarheid heeft op dit punt, — waartoe dan op de artikelen van Ds. Stigter een kritiek ge-