is toegevoegd aan je favorieten.

De gereformeerde kerk, jrg 37, 1924-1925, no 1905, 09-04-1925

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

over deze dingen uitspreke. Want de zielen tobben er mee. Dat zij de zielen niet ophonde, maar hen leere, vermane en vertrooste uit de volheid der Schriften. Amsterdam. H. Bakker.

buitenland.

frankrijk. Teruggang van de Roomsche Kerk in Frankrijk. Een Amerikaansch Roomsch geestelijke omschrijft, na een langdurig verblijf in Frankrijk, in een theologisch tijdschrift van zijn vaderland de slotsom zijner daar opgedane ervaringen aldus: „Frankrijk als geheel kan eigenlijk niet meer een Katholiek land genoemd worden, maar moet met veel meer recht als ongeloovig en ontkerstend worden beschouwd", daar van de totaalbevolking van 38 millioen zielen slechts ongeveer 4 millioen „goede, daadwerkelijke Katholieken",zijn, en onder dezen ternauwernood 400.000 mannen behooren. „De beste parochie van Frankrijk telt 150.000 zielen, en hiervan vervullen nog geen 3000 hun plicht als echtc Katholieken .... De biechtstoelen staan leeg... De eenige macht, die zou kunnen helpen, is de Kerk, daar er evenwel maar weinig goede Katholieken zijn, en deze bovendien nog politiek verdeeld zijn en de politiek stellen boven de religie, wordt niets bereikt.... Er gebeurt niets tegen de verbreiding van het atheïsme en van de in Frankrijk zoo veelverbreide zedeloosheid.... De Roomsche kloosterorden zijn uit het land verwezen en mogen alleen nog maar in het geheim onderwijs geven. Deze misstand zou daardoor alleen kunnen verdwijnen, dat de geestelijkheid in de kerken godsdienstonderwijs gaf) maar dit is geenszins het geval. Gepredikt wordt er bijna niet, behalve bij buitengewone aanleidingen, en dan wordt nog meer over' patriotismt* ge preekt dan over Katholieke geloofswaarheden Een andere ernstige misstand

is het gebrek aan eenige Katholieke organi-

SaAldus luidt het bericht in de Bayerische Kurier. Het ziet er inderdaad in Frankrijk voor Rome niet gunstig uit; deze verzuchtingen van een Roomsch geestelijke bevestigen het. Het eenige middel, waarbij de Republiek zal gebaat zijn, is de getrouwe verkondiging van het Woord Gods.

dttitschland. De strijd tegen den zelfmoord. Onlangs heeft het Centraalcomité voor Inwendige Zending en van den Duitschen Caritasbond een samenkomst belegd waar verschillende vertegenwoordigers op het gebied der jeugdzorg aanwezig waren. Hier kwam de leider van het kerkstatistiekwezen in Duitschlands Kerkenbond, Prof. D Schneider, te Berlijn, voor den dag met een aangrijpend beeld van de psychologie en statistiek van den zelfmoord. Het volgende is daaraan ontleend: Het hoogtepunt van het aantal zelfmoorden vormt het] aai 1913 met 15.564 zelfmoorden - ^-5 ,°P 100.000 inwoners. Daarentegen daalt e cijfer in de inflatie jaren 1922 en 13.276. Weer een bewijs dat oeconomisch nood niet de laatste en eenige oorzaak van de levensmoeheid kan zijn. Het veV. sproken parallelisme tusschen broodprijs en zelfmoordcijfer laat zich door de s a is tiek niet aantoonen. Opmerkelijk is, dat onder de dagen der week de Maandag en Dinsdag door de meeste zelfmoorden worden gekenmerkt. Bovenaan onder de statistiek der zelfmoorden staan tot 19_2 Thüringen en Saksen; thans zijn hiervoor in de plaats gekomen Brunswijk en Hamburg, terwijl Berlijn, dat in de publieke opinie doorgaat voor een stad, waar het bijzonder treurig op dit gebied is gesteld, eerst in de vijfde of zesde plaats komt. Het Oosten van Duitschland wijst een lager cijfer aan dan het Westen.

Getallen als de bovengenoemde doen een blik slaan in de donkere afgronden der menschheid; ze herinneren ons tevens waarin het eenig remedie ligt tegen „de droefheid der wereld, die den dood werkt , ook in den vorm van zelfmoord.

Verscherpte strafbepalingen tegen den meisjeshandel. Gevangenisstraf van hoogstens 15 jaar! In verband met de laatste opzienbarende berichten over het transport van 3700 Duitsche meisjes binnen den tijd van een half jaar naar het buitenland deelt het Duitsche-nationale comité tot bestrijding van den meisjeshandel mee, dat deze berichten welgeschikt zijn om het publiek te misleiden. Het nu opnieuw verbreide bericht deed al meer dan vier jaar geleden de ronde in de pers, he is voor het toen aangeduide tijdsbestek sterk overdreven. Sindsdien is het intusschen tengevolge van een georganiseerd samenwerken van alle organisaties, die m het Duitsch centraal-comité zijn aaneengesloten, gelukt, om den internationalen meis¬

jeshandel in de laatste jaren te verminderen. Toch bestaat thans nog evengoed als vroeger ernstig gevaar, in 't bijzonder voor de vele meisjes, die zich door in- en uitlandsche agenten als onderwijzeressen, dienstboden, danseressen, kellnerinnen en dergelijke voor het buitenland laten aanwerven, en daar in de omgeving, waarin zij gebracht worden, meestal te gronde gaan. Ook bestaat nog steeds een uitgebreide internationale meisjeshandel die helaas niet weinig slachtoffers eischt. De uiterste waakzaamheid is daarom bij voortduring geboden. Zooals bekend is komt in het ontwerp voor het nieuwe strafwetboek een verscherpte betraffing van den meisjeshandel voor met gevangenisstraf van ten hoogste 15 jaren.

engeland. Al verder op tueg naar Rome. In de laatst gehouden kerkvergadering van de High Church werd ook behandeld het opnemen van tal van heiligen in den kalender van het Gommon Prayer Book, het officieele gebedenboek der Engelsche Kerk en besloten, dat aan den aartsbisschop verzocht zou worden een commissie te benoemen^ om historische onderzoekingen te doen, ten einde vast te stellen welke namen in den kalender een plaats verdienen; waarop hun keuze moet gegrond zijn, en onder welken vorm de invoering dient plaats te hebben. Aan haar rapport moeten aanbevelingen aan de Engelsche Kerk worden toegevoegd. Verder zal een commissie worden aangewezen, om juridisch te onderzoeken en in oorkonden uiteen te zetten de verdiensten van die heiligen, die voor den kalender in aanmerking komen.

In de tweede plaats werd beraadslaagd over de wederinvoering van het sacramentsfeest en voor den Donderdag na Trinitatis (d.w.z. den Zondag na Pinksteren) een godsdienstoefening ingesteld tot gedachtenis aan het H. Sacrament; in elk geval moet de viering van het feest niet verplichtend gesteld worden. Wèl deed zich tegenspraak gelden tegen dit plan. Een bisschop richtte tot de vergadering de vraag, waarom eigenlijk de reformatie ooit had plaats gehad; hij stelde op den voorgrond, dat de zeer verflauwde grenslijn tusschen Rome en de Engelsche Kerk daardoor nog meer zou uitgewischt worden, terwijl daarentegen de kloof tusschen deze en de Engelsche Vrije Kerken erdoor zou vergroot worden. Maar bij de eindstemming verkregen de ingediende voorstellen toch de noodige meerderheid.

Commentaar is hierbij overbodig. Het gebeurde beteekent onmiskenbaar dat men weer een station verder voorbij is op den weg, die naar Rome voert.

Zuid-west-afrika. Een bejaarde „aannemeling e". Aan het Rijnsche zendingsstation Bethanië, zoo deelt de Ref. Kirchenzeitung mede, verscheen een 96jarige vrouw met het verzoek tot de openbare belijdenis te worden toegelaten: zij had heel haar leven doorgebracht „vèr van Gods Woord", maar was plotseling aangegrepen door vurig verlangen naar God. Het was voor den zendeling iets heel bijzonders te bemerken hoe de in haar jeugd van buiten geleerde teksten en verzen in de zoo hoogbejaarde vrouw weelwaren wakker geworden en hoe zij door haar oprechte heilbegeerigheid velen in de gemeente beschaamde. (Ps. 92 : 15a.) 's-Gr. D' B'

VRAGENBUS.

In hoever is er buiten de Kerk geen zaligheid ?

De heer A. K. te 's-Gr. vraagt:

In art. 29 onzer belijdenis is sprake van Secten. Waar nu de belijdenis verder leert, t.w. in art. 28, dat „buiten de Kerk geen zaligheid is," moet men daar nu aannemen, dat allen, die tot de secten behooren, derhalve verloren gaan ? En daar volgens Groen van Prinsterer de Hervormde Kerk de ware is, zijn dus ook alle niet-Hervormden verloren ?

Verder vraagt inzender: wat was in deze het gevoelen der Vaderen?

Antwoord. Dit is een moeilijke vraag. Vooral hierom, omdat de belijdenisartikelen omtrent de Kerk maar niet in het afgetrokkene zijn opgesteld, zonder met de feitelijke toestanden in de dagen der Hervormers te rekenen, maar integendeel juist met het oog op de toenmalige toestanden zijn geschreven.

Daardoor is het licht mogelijk, dat wij b.v. op al onze tegenwoordige secten zonder onderscheid gaan toepassen, wat de belijdenis eigenlijk alleen schreef met het oog op die secten, die in de dagen der Hervormers gevonden werden. En aan den anderen kant,°wanneer wij dat niet doen, wordt het voor'ons weer moeilijk om wat in de belijdenis geschreven werd met het oog op

geheel andere toestanden dan waarin wij nu leven, recht toe te passen op de omstandigheden, waaronder wij thans verkeeren.

Toch willen wij trachten hieromtrent althans éénig licht te verspreiden.

De belijdenis spreekt, b.v. in de artikelen 30 en 31, van de Kerk, zooals zij door opzieners en armverzorg erswordt geregeerd en zooals in haar de tucht gehandhaafd behoort te worden, enz. Blijkbaar heeft de belijdenis daar dus het oog op de georganiseerde Kerk van Christus.

Nu geloofden onze Vaderen zeer zeker, dat onze Hervormde of wat hetzelfde wil zeggen: Gereformeerde Kerk, de wettige openbaring was van het onzichtbare lichaam des Heeren in ons vaderland. Christus had hier eeuwen geleden zijn Kerk geplant en onze voormalige Heidensche voorouders daarin een plaats geschonken en diezelfde Kerk had hij in de dagen der Hervorming gereformeerd of iZervormd. De daarna opnieuw in ons vaderland gestichte Roomsche Kerken waren dus niet de voortzetting van de oude Kerk in deze landen, maar min of meer te beschouwen als scheurkerken daartegenover.

In diezelfde lijn van gedachten ligt, dat wij nu ook nog, in onzen tijd, onze Hervormde Kerk van Nederland, beschouwen als de wettige openbaring van het lichaam van Christus in ons vaderland en dat wij, hoewel wij moeten erkennen, dat aan het webwezen dézer Kerk in onzen tijd zeer veel ontbreekt, toch geen vrijmoedigheid voor God zouden vinden om haar te verlaten, maar zoo iets veeleer zouden beschouwen als etn „uithouwen van eigen bakken, gebroken bakken, die geen water houden."

Nu moeten wij er echter verder op wijzen, dat de belijdenis in artikel 28 leert, dat het de roeping der geloovigen is zich af te scheiden van hen, die van de Kerk niet zijn en zich te voegen bij die heilige vergadering.

„Dit onderstelt", zoo teekent Dr. Hoedemaker daarbij aan, dat er eene gemeenschap van geloovigen bestaat, ook wanneer zij nog niet tot de vaste formatie is gekomen." Immers: er zijn geloovigen, die zich nog moeten aansluiten bij deze vergadering of Kerk.

„Met andere woorden, de bedoeling is, dat er ook nog een onzichtbar eK.evhis%oovalt misschien de lezer ons in de rede.

Wij antwoorden: neen, dat is de bedoeling niet. Zeker, de Kerk is in zeker opzicht onzichtbaar, voor zoover zij aan tijd noch plaats is gebonden, maar wij hebben 't nu over de zichtbare verschijning van de Kerk des Heeren. En dan wilde Hoedemaker ons er op wijzen, dat de Kerk zichtbaar kan verschijnen, ook al ontbreekt 't haar nog aan alle organisatie, al heeft zij b.v. nog geen ambtsdragers. Dit is natuurlijk geen gewenschte toestand, op den duur ook geen geoorloofde toestand, want Christus heeft niet voor niet in Zijn Woord ons voorgeschreven wat tot de „geestelijke politie" van Zijne Kerk op aarde behoort. Niettemin is het toch een bestaanbare toestand. Overal, waar twee of drie in 's Heeren naam vergaderen, daar reeds is naar de belofte, de Heere zelf in het midden. Daar reeds wordt de Kerk zichtbaar, al zijn er ook geen ambtsdragers bij. En toen de apostel Paulus op zijn reizen in de steden van Griekenland door zijne prediking als middel, de lieden doopte in den Naam des Heeren, was de Kerk des Heeren, aldaar zeker openbaar, ook al waren er nog geen opzieners over die Kerk aangesteld en al waren er nog geen regeeringshandelingen door die opzieners verricht.

Met andere woorden: le. de Kerk bestaat als onzichtbare Kerk-, 2e. de Kerk wordt duidelijk openbaar, wanneer zij optreedt-als een georganiseerde, door dienaren en ouderlingen geregeerde Kerk, maar 3e. de Kerk, zelfs de zichtbare Kerk, kan ook nog buiten de wettige organisatie gevonden worden.

Nu zeggen wij geenszins, dat alle Secten van onzen tijd mogen beschouwd worden als in dien genoemden toestand te verkeeren. Integendeel, wij gelooven, dat er, evenals in de dagen van de opstelling onzer belijdenis, ook in onze dagen nog Secten worden gevonden, die niet tot de Kerk van Christus mogen worden gerekend.

Wij zouden niet gaarne op ons nemen een lijstje saam te stellen van alle Secten, die niet alleen niet behooren tot de wettige georganiseerde Kerk, maar ook die geheel en al buiten de Kerk van Christus moeten worden gerekend. Evenmin zouden wij gaarne een lijstje opstellen van zulke secten, die, hoewel zij niet tot de wettige zichtbare openbaring van de Kerk des Heeren behooren, toch daarom nog niet geheel als buiten gemeenschap met Christus en Zijn Kerk mogen worden beschouwd.

Toch gelooven wij, dat er in onzen tijd

secten van die tweeërlei soort bestaan. Er zijn secten, wier aanhangers wij als zoodanig buiten de Kerk van onzen Heere Jezus Christus meenen te moeten rekenen. Ik denk hier als voorbeeld aan de Secte der Mormonen met hunne alleen in naam en in schijn Christelijke leeringen.

Maar er zijn ook Secten, wier aanhangers wij niet met vrijmoedigheid het deelgenootschap aan Christus en Zijn Kerk zouden ontzeggen, al betreuren wij het en achten wij het tot groote schade, dat zij zich aan de wettige openbaring van het lichaam des Heeren onttrekken.

Als zoodanig zouden wij als voorbeeld kunnen noemen de secTe der Darbysten.

Uit hetgeen wij hierboven schreven blijkt, dat wij dat gezegde, dat er buiten de Kerk geen zaligheid is, wel hartelijk beamen, want het geloof is immers door het gehoor en het gehoor door het Woord Gods, en het geloof wordt immers versterkt door het gebruik der Heilige Sacramenten. Hoe zou men dan zaligheid vinden, buiten de Kerk, waarin die weldaden worden gevonden ? Nochtans, geenszins bedoelen wij dat zóó, dat er nu, buiten onze Nederlandsche Hervormde Kerk, in Nederland ten minste geen zaligheid zou zijn te vinden.

Wij zagen 't immers: daar is ook nog een deel van Christus' Kerk buiten de wettige georganiseerde. Helaas, Helaas! hoe is de Kerk des Heeren verscheurd in onze dagen! Dat nu mogen wij betreuren; wij mogen het afwijzen, wanneer men van sommige zijden zulke wantoestanden met een nergens in de H. Schrift gevonden leer der pluriformiteit tracht te bemantelen. Maar wij mogen toch de waarheid niet voorbijzien, dat er, door den jammerlijken toestand van verval en verscheuring waarin de Kerk van Christus is geraakt, óók een aanzienlijk deel der .Kerk van Christus is geraakt buiten onze historisch gewordene Hervormde Kerk.

Vraagt nu inzender hoe onze Vaderen in deze dachten, dan moeten wij daaromtrent voor ditmaal kort zijn. Zooals de lezer wellicht weet, beschouwden onze Gereformeerde voorouders meestal den Paus van Rome al , den Anti-Christ uit de Openbaring van Johannes.

Men zou zich echter zeer vergissen, als men dat zóó zou opvatten, alsof de Vaderen daarmee bedoelden alle Roomschen en alle Roomsche gemeenten en alle Roomsche gemeentedienaren, zonder meer, buiten de Kerk van Christus te plaatsen en hun alle deelgenootschap aan de Kerk te ontzeggen. Alleen dit willen wij hier noemen: Er bestaat een briefwisseling tusschen den Kerkhervormer Calvijn en den Roomschen kardinaal Sadoletus. Daarin wordt ook het stuk van de Kerk besproken.

En dan schrijft Calvijn letterlijk aan Sadoletus :

„Maar," zoo zegt gij gewis, „wat is het in u toch een laatdunkendheid, om te meenen dat de Kerk van Christus alleen bij u gevonden wordt en dat gij die aan de geheele overige wereld wilt ontnemen! Maar dan antwoord ik: wij willen niet ontkennen, o Sadoletus, dat de kerken, waarover gij regeert, Christenkerken zijn, maar.... den Roomschen Paus, met de geheele kudde zijner valsche bisschoppen, die daarin de eerste plaats der herders hebben ingenomen, die zijn bij ons niet dan wreede wolven." —

Dergelijke uitspraken der vaderen omtrent de Roomsche gemeenten vindt gij bij Dr. Hoedemaker, De Kerk etc., blz. 49 en volgende.

C. A. L.

CONFESSIONEELE VEREENIGING.

Hoofdbestuur.

Zou ik alle afdeelingsbesturen nog wel eens vriendelijk mogen verzoeken hun jaarverslag ten spoedigste te willen inzenden bij den Secretaris der Provinciale Commissie, waartoe zij behooren, en de andere, die rechtstreeks onder het Hoofdbestuur ressorteeren, aan mij. Zal ik 't jaarverslag kunnen gereed krijgen, dan wordt 't hoog tijd, dat alles binnen komt.

Ds. Groot Enzerink, Secretaris.

Leiden, Witte singel 106.

ONS BLAD.

Van Ds. G. P. v. I, te G. mocht ik uit diens catechisatiebus ontvangen f 2 50 voor de uitgave van „de Gereformeerde Kerk , terwijl ik van Ds. F. C. W. te B. uit de catechisatiebus van R. f 5.— ontving voor Bijzondere leerstoelen. Hiervoor

hartelijk dank.

Ds. Groot Enzerink, Penn. v. h. Comité. Leiden, Gironummer 45132.