is toegevoegd aan je favorieten.

De gereformeerde kerk, jrg 37, 1924-1925, no 1922, 06-08-1925

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

37e JAARGANG» OCT. 1924-OCT. 1925

No. 1922

DONDERDAG 6 AUGUSTUS 1925

ÜG (stawfowtMttiU Kwk

Onder redactie van het Comité ter verspreiding der beginselen van de Confessioneele Vereeniging

Ds. C. A. LINGBEEK te Reitsum (Eindredacteur); Ds. H. BAKKER te Amsterdam; Ds. J. W.^GROOT ENZERINK.te ^den; Prof, Dr. Th. L. HAITJEMA te Groningen; Dr. P. J. KROMSIGT te Amsterdam; Dr. J. Ch. KROMSIGT te Oostwold; Dr. H. SCHOKKING

te VGravenhage; Ds. A. B. TE WINKEL te 's-Gravenhage.

~ Dit bUd .„sobijat wekelijks. » uitgevers: H. VEENMAN & ZONEN I

Alles wat de redactie aangaat en de boeken ter recensie zenae men aan WArirwiwrcw cents. Boekannonces 10 cents per regel. Bewijsnummers a 10 cents.

Ds.C.A.LING BEEK te Reitsum,en alle berichten omtrent „Kerknieuws -1 Abonnementen worden bij ieder nummer aangenomen, doch kunnen

aan H. VEENMAN Sr., Law. alleé 2e te Wagenmgen. V oor a ver .en poSTREKENING 129«> TELEFOON 184 alléén eindigen bij het einde van den jaargang, September van ieder jaar. alles wat de administratie betreft wende men zien tot ae uitgevers. ——————————————■—————™*

:: Dit blad verschijnt wekelijks. ::

Alles wat de redactie aangaat en de boeken ter recensie zende men aan Ds.C.A.LING BEEK te Reitsum,en alle berichten omtrent „Kerknieuws aan H. VEENMAN Sr., Law. alleé 2e te Wageningen. Voor advert. en alles wat de administratie betreft wende men zich tot de Uitgevers.

Uitgevers: H. VEENMAN & ZONEN

wageningen POSTREKENING 12940 TELEFOON 184

Abonnementsprijs f 5.— per )aar. Afzonderlijke nummers 10 cents. Prijs der advertentiën: Van 1—10 regels f 2.—, elke regel meer 20 cents. Boekannonces 10 cents per regel. Bewijsnummers a 10 cents. Abonnementen worden bij ieder nummer aangenomen, doch kunnen alléén eindigen bij het einde van den jaargang, September van ieder jaar.

INHOUD: God is liefde, I. - Twee komkommers. — Naar Rome. — Het Concilie van Nicaea. — Jubileum Ds. H. van Eyck van Heslinga te Berlikum. — Brieven uit de Synode, III. — Vragenbus. — Leestafel. — Ons blad. — Kerk en School. — Advertentiën.

GOD IS LIEFDE.

I.

Onlangs (den 5den Juli) was het 1600 jaar geleden, dat door Constantijn den Groote het concilie van Nicaea werd bijeen-

GOD IS LIEFDE.

I.

Onlangs (den 5den Juli) was het 1600 jaar geleden, dat door Constantijn den Groote het concilie van Nicaea werd bijeengeroepen, dat beslissend is geweest voor de vaststelling van het leerstuk der drieeenheid, dat wel de grondslag genoemd mag

i 1 i ni • J. ] TTn+ rrrn n

wdïden van neei net unnswjxiuom.

de eerste wereldkerkvergadering en het is wel hoogst merkwaardig, dat daar temidden van allerlei vreemde, geheel wereldsche invloeden nochtans door Gods voorziening bestel de dogmatische grondslag is gelegd voor heel de Christelijke Kerk, en voor heel onze Christelijke theologie.

Wanneer men zich verdiept in de zoo boeiende geschiedenis van dien grooten Godsgetuige Athanasius, te Nicaea nog maar 28 jaar, moet ons weer opnieuw treffen, wat we telkens kunnen opmerken bij de bestudeering der kerkgeschiedenis, hoe toch eigenlijk alle groote mannen, alle baanbrekers in Christus' Kerk mannen zijn geweest van een groot gemoed. Bij Augustinus vinden we beide: een groot verstand en een groot gemoed, maar de drijfkracht was toch ongetwijfeld zijn groote gemoed. Doch inzonderheid valt dit op bij Athanasius. Want er waren te Nicaea ongetwijfeld mannen, die zijn meerderen waren m verstand en schoolsche geleerdheid (ik denk b.v. aan Eusebius van Caesarea), maar Athanasius heeft het pleit gewonnen door de kracht van zijn geloof, de vurigheid van zijn gemoed en zijn eenvoudig, onwan e baar vasthouden aan het klare Getuigenis Gods. aan de H. Schrift. Harnack, onze groote dogmenhistoricus, zegt van hem. „Zijn karakter en zijn leven zijn hier de hoofdzaak." Inderdaad, zoo is het. En dat moet wel iedereen opvallen, die het leven en den strijd (want zijn lange leven (297373), was een strijdersleven) van Athanasius wat nauwkeuriger bestudeert. Athanasius was één van die mannen met het

groote, bewogene gemoed en daarom heeft

hij als een middel in Gods hand ook groote dingen mogen doen in de wereld. Hij behoorde tot de ontroerden van geest.

Maar nu rijst onwillekeurig de vraag: hoe !•,£»+ da,t, a.a.n die ontroerden van

iVUllIU ïiv/i/ uv v-" 5 — —

geest meestal zulk een groot werk wordt toebedeeld hier op aarde ? En daarop zouden we dit willen antwoorden: Is het niet hierom, omdat God, de hooge God van hemel en aarde, zelf is de Bewogene bij uitnemendheid? Ja, waarlijk, Hij, die zegt: Ik de Heere, wordt niet veranderd, daarom 'zilt gij. o, kinderen Jacobs, niet verteerd " Hii'is tevens de Bewogene bij uitnemendheid. En dat komt omdat God Liefde is. Want liefde, ja, liefde, dat is de groote bewogenheid. Daarom spreekt de bijbel ook zoo treffend, als om het alles saam te vatten, niet slechts van Gods Vaderliefde, maar ook van Zijne Moederliefde in dat aangrijpende woord: „Kan ook een vrouw haar zuigeling vergeten dat zij zich niet ontferme over den zoon baars schoots. Ofschoon deze vergaten, zoo zal ik

u toch niet vergeten, spreekt de Heere"

(Jes. 49 : 15).

„Liefde," zoo heeft eens Marie Corelli gezegd, „is de spil van het heelal.' En inderdaad, zóó is het in den hoogsten zin, een zin veel rijker en veel hooger, dan zij het in haar pantheïstisch wereldsysteem bedoelde. Welnu, laat ons bij deze dingen a.ls nabetrachting van de herdenking van

het concilie van Nicaea eens met elkander stilstaan en met elkander opslaan, wat ge vindt in 1 Joh. 4 : 8 en 10:

Die niet liefheeft, die heeft God niet gekend, want God is liefde.

Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat God ons liefgehad heeft en Zijn Zoon gegeven heeft tot een verzoening voor onze zonden.

Wij beluisteren in onzen tekst: 1° eèn woord van ernstige zelfbeproeving, 2° een woord van namelooze vertroosting.

Allereerst dan een woord van ernstige zelfbeproeving: ,,Die niet liefheeft, zoo lezen we hier, „die heeft God niet gekend, want God is liefde." Hoe eenvoudig staat dat daar; wij gevoelen er allen aanstonds de diepe waarheid van, we moeten aanstonds zeggen: „ja, zoo is het." Maar — als wij nu ons eigen leven en hefc löVfcn dei wereld om ons heen daaraan eens gaan toetsen, hoe voelen wij dan pas, welk een ontzaglijk, welk een aangrijpend woord dit eenvoudige woord van Joh. eigenlijk is.

Die niet liefheeft, die heeft God niet gekend, want God is liefde." Welk een ontzaglijke toetssteen wordt ons hier in handen gegeven voor ons aller leven! O, dat wij er dan maar ernst mee maken voor onszelf en voor de wereld om ons heen.

O, wie, die deze eenvoudige woorden zoo leest en maar even diep en ernstig op zich laat inwerken, voelt zich niet beschaamd! „Die niet leefheeft, die heeft God met gekend " Hoe weinig waarachtige liefde is er vaak in ons leven, liefde niet tegenover hen, die ons sympathiek zijn, met wie we eens geestes zijn, maar ten opzichte van hen, met wie we verschillen, van me we op eene of andere wijze ver verwijderd zijn, en dan — „liefde tot onze vijanden . Ach, als wij ons waarlijk toetsen aan Woord, bepaaldelijk aan die groo e we van Christus, de wet der liefde, °® weinig blijft er over! En als er al iets g vonden wordt, dan mogen we er God voor danken en dan weten we ook wel, dat het „geen vrucht is van onzen eigen akker .

En o, als wij dan voorts het oog slaan op de wereld om ons heen, hoe weinig heerscht daar de liefde. Wat al haat en nijd „„ en viiaridsehaD! Doode-

tul |CllUClöV;lUiUAv.i- vy** ■ -J x

lijlce concurrentie in het maatschappelijke

leven en oorlog in het leven der volken

rondom, dat is veelal net Degiusei, overal doorwerkt telkens weer opnieuw, hoe men ook overlegt en spreekt en confereert om een andere orde van zaken daar te stellen. En zoo wordt dan allerwege dat droeve woord van den apostel bevestigd, waarin hij teekent den staat van den natuurlijken mensch: „Want ook wij waren eertijds onwijs, dwalende, menigerlei begeerlijkheden dienende, hatelijk zijnde en elkander hatende." Ontzettend! En toch, r\a annsffil .Tohannes bluft het ons toe-

roepen zoo eenvoudig en tevens zoo vol

diepen ernst: „Die niet liefheeft, die heeft

God niet gekend, want God is liefde. Hoe beschamend, maar ook hoe lokkend tegelijk! Want, niet waar, hier wordt ons

dan toch ook als 't ware een uitzicht geëffend- 't Is alsof de apostel ons toe wil roepen: „Zie maar af van uzelven, maar zie op God alleen, op wat Hij is en wat Hij doet. God is Liefde."

En zoo komen we dan als van zelf tot dat tweede: een woord van nameloozen troost, dat ons nu in vs. 10 tegenklinkt: rlp lififrle. niet dat wii God lief¬

gehad hebben, maar dat God ons liefgehad heeft en Zijnen Zoon gezonden heeft tot een verzoening voor onze zonden.

Hier worden we nu gezet op den rechten grondslag, van waaruit alleen ware liefde mogelijk is. Het moet niet van ons komen, maar het moet van God komen, want wij hebben door onze zonde onzen weg ten eenenmale verdorven.

Zeker, God had den mensch wel goed gemaakten daarom blijft de mensch ook schuldig, diep schuldig óók tegenover dat gebod: „Het God lief bovenal en uw naaste als uzelven." God had den mensch naar Zijn evenbeeld gemaakt en zoo heerschte dan ook in hem de geestelijke wet der liefde, zoo lang hij aan Zijn God vasthield in geloof. Maar de mensch is goddelooslijk van Zijn God afgeweken ; hij heeft het oor te luisteren gelegd naar den leugen van Satan, dien leugenaar en menschenmoorder van den beginne, hij heeft Satan meer geloofd dan God, en toen is hij gevallen, en : ijn val was groot. En zoo is het dan ai duisternis geworden daarbinnen, voor de lichtende liefde kwam donkere haat en vijandschap. Nochtans, de Heere was lankmoedig en gaf ook dien gevallen mensch nog niet over aan zijn verderf. Temidden des toorns gedacht God des ontfermens, ja, Hij openbaarde zelfs aan dien vijandigen mensch nog Zijne wondere liefde. Want Gods wegen zijn hooger dan onze wegen en Gods gedachten zijn hooger dan onze gedachten. En het dwaze Gods is wijzer dan de menschen en het zwakke Gods is sterker dan de menschen. En zoo gaat dan nu nog dit wondervolle, dit blijde evangelie heel de wereld door: „Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Gods ons liefgehad heeft en Zijn Zoon gezonden heeft tot een verzoening voor onze zonden." Ja, voorwaar, want God is Liefde. Hij, die hooge God van hemel en aarde, Hij is de Bewogene bij uitnemendheid.

Met mijn zwaren val bewogen

Bood Gods liefde mij de hand.

Ja, zoo riep Hij, deze Hooge en Heerlijke, het dan niet alleen uit: „Wendt u naar Mij toe, o alle gij einden der aarde en wordt behouden," maar Hij toonde het ook metterdaad: „Zoo waarachtig als Ik leve, spreekt de Heere, Ik heb geen lust in den dood des goddeloozen, maar daarin dat de goddelooze zich bekeere van zijn weg en leve." Ja, God, die Hooge en Heerlijke, die in de eeuwigheid woont en wiens naam heilig is, zond ons Zijn goddelijk hart, Hij zond ons Zijn eigen, Zijn eeniggeboren Zoon, God uit God van eeuwigheid geboren. Hij zond ons niet slechts iets, maar alles, want God is liefde.

En nu moet ik even terugkomen in dit verband op dien geweldigen, geestelijken, werfilrlsr.h okkenden strijd tusschen Atha-

nasius en Arius, welke ook nog is de strijd onzer dagen, zooals hij in wezen is de strijd aller eeuwen, opdat gij iets daarvan moogt verstaan. Want daar ging het nu juist om: Heeft God ons iets, heeft Hij ons veel of — heeft Hij ons alles gegeven? Dat eerste

zeide Arius, die Jezus hield voor het voornaamste schepsel, ver boven alle engelen, bijna God, nochtans een schepsel, ge¬

lijkvormig aan God. Maar dat laatste be¬

vestigde Athanasius ook tegen alle bestrij¬

ding van heele en halve Arianen in: God

gaf ons niet slechts veel, maar alles, Hij gaf ons zichzelf in Zijn Zoon, Zijn eeniggeborene, niet slechts bijna-God, maar

waarlijk God, niet slechts gelijkvormig aan,

maar wezensgelijk met God, immers, naar luid der H. Schrift, dat eeuwige Woord,

dat in den beginne bij God was en God was.

Ja, want God is Liefde en hierin, in deze

volkomene overgave van Zijn Eeniggeborene, van Zijn goddelijke hart zelf, staat

onze gansche zaligheid. Dat is inderdaad het wezen van heel het Christendom.

Verstaat ook gij nu, wat Nicaea, waar dit alles na veel moeizamen strijd is bevestigd geworden, heeft te zeggen óók tot ons, óók

Verstaat ook gij nu, wat Nicaea, waar dit

alles na veel moeizamen strijd is bevestigd

geworden, heeft te zeggen óók tot ons, óók nu nog in deze 20ste eeuw ? Welnu wij willen

thans niet te diep ingaan op de verschillende geestesstroomingen in dit verband

van onzen tegenwoordigen tijd, doch liever

voortgaan ons te verdiepen in dit wondere, heerlijke, vertroostende woord van onzen tekst, waarin dit alles is vervat.

Ja, God is Liefde, dat is het thema van heel dezen brief van Johannes. Hij is de Bewogene bij uitnemendheid. En dat blijkt ons nu bovenal uit dit woord: „Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons liefgehad heeft en Zijn Zoon gezonden heeft tot een verzoening voor onze zonden."

Ja, hierin is de liefde. De liefde is niet van beneden, maar van boven, niet van ons, maar van God. Als het van ons komen moest, ach, dan stond het er droevig voor.

Maar nu is het heel anders, Gode zij dank.

God heeft ons het eerst liefgehad.

En dan voorts, Hij heeft ons liefgehad

met een volkomene liefde. Hij gaf niet slechts iets, niet slechts veel, maar Hij gaf alles. Zóó lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eeniggeboren Zoon gegeven heeft," niet slechts Zijn Zoon bij wijze van spreken, maar in volle werkelijkheid, Zijn eigen Zoon, Zijn eeniggeborene, God uit God van eeuwigheid geboren. Zooals Athanasius placht te zeggen: „Zooals het licht niet is zonder den glans en de bron niet is zonder den stroom, zoo is ook de Vader niet zonder den Zoon van alle eeuwigheid."

Ja, voorwaar, zóó lief heeft God de wereld gehad, dat Hij dien Zoon gegeven heeft dat blijft het evangelie in het evangelie, de blijde boodschap voor een arme, zondige, in zichzelf verlorene menschheM bij uitnemendheid.

En dat is nu de blijde boodschap, die daar uitgaat in de wereld naar Oost en West, naar Zuid en Noord, tot allen, die daar hongeren en dorsten, hetzij dan bewust of nog onbewust, naar God, naar de gerechtigheid, naar de zaligheid of (zooals socialisten, communisten en dergelijken) naar het door de zonde verloren Paradijs. Ja, dat is de blijde boodschap, het lichtende raadsel van omhoog, dat God gesteld heeft tegenover al die donkere raadselen in deze wereld, die ons vaak~fceo benauwen kunnen en die wij toch niet oplossen kunnen, tegenover het donkere raadsel van zonde en dood: het lichtende raadsel van Gods liefde in Christus Jezus.

En nu is dit het heerlijke, dat dit lichtende raadsel niemand onbewogen laat. Nu is dit het heerlijke, dat er geen menschenkind op de wereld is, of, wanneer hij dit evangelie j hoort, dan begint er een snaar te trillen in zijn hart daarbinnen, dan voelt hij het