is toegevoegd aan je favorieten.

De gereformeerde kerk, jrg 37, 1924-1925, no 1923, 13-08-1925

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En 't einde was, dat de wimpel op de torens verscheen. Afgewimpeld voor de zooveelste maal; afgewimpeld, ten minste weer voor een jaar, zijn al de Reorganisatieplannen.

_ Het verloop der zaken was aldus: de Commissie, die Rapport zou uitbrengen over de bij de Synode ingekomen verzoeken om Reorganisatie, adviseerde alleszins gunstig. Een commissie om de zaak der Reorganisatie te onderzoeken moest worden benoemd, zoo luidde het advies. Toen kwamen van Moderne zijde de heeren, vooral Ds. Tammens in het geweer.

Men weet net lied reeds van te voren. Rust, rust, rust, rust had de Kerk van noode. En dan: de Kerk begeert eigenlijk geen Reorganisatie. Dat laatste was óók geen nieuw lied. Hoe vaak is ook dit, ter afwisseling van het lied der ruste, reeds gezongen! In het jaar 1907, toen Ds.

Leenmans in de vergadering der Synode kon constateeren, dat minstens twee derden van onze Kerk den wensch naar Reorganisatie had uitgesproken, werd in de Synode ook steeds het beweren gehoord: de Kerk begeert het eigenlijk niet; het zijn maar wat raddraaiers, die de zaak in beweging brengen.

Dr. H. Schokking mocht voor de zooveelste maal antwoorden, dat zoolang de tegenwoordige toestand der Kerk bleef, de rust niet kon

komen, geen oogenblik; dat hielp niets.

Van orthodoxen kant was Ds. Bongers het, die zich met de tegenstanders vereenigde en zich tegen de Reorganisatie verklaarde. Belangrijk is de wijze waarop hij zijn houding motiveerde. In het verslag van het Handelsblad lezen wij:

„De heer Bongers komt op tegen de woor.den van dr. Schokking, dat de tegenstanders van het instellen eener commissie voorstanders zijn van leervrijheid. Hij wil geen commissie; hij aanvaardt de bestaande organisatie als staande onder de leiding van Gods geest. Hij kan het benoemen der commissie ook

niet aanvaarden, omdat, als zij met voorstellen komt er eene scheiding zal komen tusschen belijders en bestrijders en er dan eene catastrophe komt in de kerk, ja, zelfs in de huisgezinnen. Bovendien zal men op deze manier de bestrijders niet tot belijders maken. Wij moeten werkend en biddend afwachten, wat Gods geest ons zal leeren."

Wat hiervan te zeggen?

Wij zingen in een geliefden psalm:

„Heer, ai, maak mij Uwe wegen Door Uw Woord en Geest bekend."

Wij erkennen de leiding des Heiligen Geestes, maar niet zonder het Woord, niet los van het Woord, veel minder nog in strijd met het Woord.

En als wij wandelen op paden, die God de Heere in Zijn Woord ons niet aanwijst, en als wij daarbij dan toch spreken van den Geest

des Heeren, aan Wiens leiding wij onswenschen te onderwerpen, dan scheiden wij niet alleen op Doopersche wijze het Woord en den Geest, maar dan is 't ook bloot zelfmisleiding, als wij spreken van ons aan de leiding des Geestes te willen onderwerpen.

Misschien is een nadenkend lezer geneigd te vragen: is dat niet te kras? De Synodale organisatie is weliswaar niet overeenkomstig Gods Woord, maar mogen wij het niet dankbaar constateeren, dat ook onder die organisatie God niet met Zijn Geest van onze Kerk is geweken?

Daarop is ons antwoord tweeërlei.

Ten eerste: onze Hervormde Kerk bestaat niet enkel en alleen uit de organisatie van 1816. Er is een onderbouw van gemeenten met haar

kerkeraden, haar bediening van tvangene en Sacramenten, die reeds lang te voren bestond en die ook onder de Organisatie is blijven bestaan. En daarvan, neen, daarvan is Gods Geest naar Zijn groote genade niet geweken. Maar al die besturen, die enquêtes instelden naar elke cent, die in de gemeenten werd uitgegeven, maar die angstig de hoofdvraag vermeden: en wordt er nu ook waarlijk het Evangelie van Jezus Christus naar Schrift en belijdenis verkondigd?.... wat van Gods Geest bemerkt ge in zulke besturen, dat de Kerk bestuurt alsof 't was een handelsonderneming?

Ten tweede. God is machtig om in de grootste gevaren, lichamelijke en geestelijke beide, ons te behouden. Welk Christen heeft het niet menigmaal in zijn leven, tot zijn diepe beschaming vaak, ondervonden? Zóó kan de Heere ook onder een gebrekkige organisatie door Zijn Geest Zijn kerk nog in het leven bewaren. Maar als nu iemand meent: dompelt u maar vrij in de gevaren; God bewaart u wel; of, in het tweede geval: laat de Organisatie niet zijn naar het Woord, Gods Geest zal evenwel Zijn werk wel doen, dan noemt de Bijbel zulk een houding een verzoeken van God.

En anders is 't niet. Met geloof heeft het niets te maken.

Niet minder dwaas is wat Ds. Bongers zeide, dat als het kwam tot Reorganisatie, het zou komen tot een catastrophe in de Kerk.

De grootste catastrophe wacht de Kerk, als zij blijft afwijken van de rechte wegen des Heeren. _

Dat zien wij in al het verlies van edel bloed, dat zij reeds heeft geleden.

En dat zien wij ook, in al die onrust, die

zij vond, terwijl zij in ongerechtige wegen meende rust te zullen vinden.

En dat zal de Kerk bij het voortgaan der

jaren nog meer ondervinden!

Geen vrede en geen ware zegen voor haar, vóór er is, ook kerkelijk, een terugkeer tot God den Heere en tot Zijn Woord!

Intusschen is de Reorganisatie dan weer afgewimpeld.

Laat ons bedenken, dat Gods weg anders is dan de onze. Eerst na tien plagen werd Farao's hart vermurwd om Israël te laten trekken.

Zij er ook een bedenken van het Woord van den profeet: laat er geen stilzwijgen bij u wezen."

Geen stilzwijgen; niet alsof wij het moesten doen.

Neen maar, geen stilzwijgen om de hulp te zoeken daar, waar zij eeniglijk is te vinden.

C. A. L.

FELIX TIMMERMANS EN IMMANUEL KANT.

In Uit mijn Rommelkas vertelt de Vlaamsche kunstenaar nog wat na over sijn beroemde boek Pallieter „Rond het ontstaan van Pallieter". Dat er ,,een gelukkig ongeluk" over hem kwam. Een jperatie. Schemeringen van den dood. ..Het

doen.

in een maar, geen stilzwijgen om de hulp te zoeken daar, waar zij eeniglijk is te vinden.

C. A. L.

FELIX TIMMERMANS EN IMMANUEL KANT.

In Uit m,ijn Rommelkas vertelt de

Vlaamsche kunstenaar nos wat na over

zijn beroemde boek Pallieter „Rond het ontstaan van Pallieter". Dat er „een gelukkig ongeluk" over hem kwam. Een operatie. Schemeringen van den dood. „Het bleeke postuur van den Dood zat met het uurwerk in de hand nevens mij te wachten. Mijne stonden waren geteld. Ik

voeiae dat ik niets meer nad te doen dan mijn asem uit te blazen." Dan toch uitkomst. Leven. Herstel. „Och! plots als in een bliksem, terwijl ik den afgrond van den dood zag, zag ik hoe eenvoudig het leven is." Een nieuwe geest „frisch als appelensap" vaart door zijn wezen. „Dan heb ik gebeden lijk een kind, vroom en zonder muizenissen om terug in 't leven

te staan; maar nu met de deuren en de vensters wijd open, opdat langs alle kanten de zon mijn ziekekamer kon verlichten." En daarin ligt dan het eerste begin van het boek, dat de natuur bezingt heel het

jaar door: „een lyrisch dagboek van de wolken en de vruchten, van de waterkens en de boomen, en van alles water op de velden roerten staat." Het boek, waarin Pallieter, de sprekende, werkende, genietende, de dagenmellcende hoofdpersoon is, geflankeerd door Charlot, Marieke en mijnheer pastoor.

En zijn vertellingen over het ontstaan van'dit boek besluit Timmermans aldus: „Alles bij'elkaar genomen, is Pallieter

niets anders dan de kreet van een verloste ziel, die terug het leven, het geluk, de vreugde, de goedheid, de liefde en het

licnt ziet, en m loutere bewondering staat voor God en wat Hij gemaakt heeft."

Zoo spreekt de kunstenaarsziel van Felix Timmermans.

De Koningsberger wijsgeer, Immanuël Kant, zegt het natuurlijk anders; daarvoor is hij de filosoof van de praktische en de zuivere rede. Toch zegt hij het in den grond net als Timmermans. Luister maar naar zijn uitspraak, al honderdmalen aangehaald : „Twee dingen vervullen het gemoed met steeds nieuwe en toenemende bewondering en eerbied, hoe vaker en volhardender ons denken er zich mede bezighoudt: de sterrenhemel boven mij en de zedewet in mij."

Hoevaak heeft dit woord van Kant al

dienst gedaan om zijn diepe vroomheid, ja zijn Christelijke gezindheid te bewijzen!

Als derde in den bond zou naast deze beiden de dichter van den 19en psalm kunnen staan. „Het ruime hemelrond vertelt met blijden mond Gods eer en heerlijkheid; de heldre lucht en 't zwerk verkondigen zijn werk en prijzen zij ft beleid." Dat was ook een dichterlijke ziel; een man met open oogen voor Gods grootheid en schoonheid en goedheid; die daarom ook de dagen en de nachten

liefheeft. En daarbij een filosoof. Een vriend van de ware wijsheid, die zijn oogen niet sluit voor de wonderen van Gods scheppende majesteit en de sprake van het geweten in den mensch.

Evenwel, de derde in dezen bond is niet uitgezongen, wanneer hij zijn „Pallieter" uit heeft. En niet uitgefilosofeerd, wanneer hij, kleine mensch, onder den met honderdduizend diamanten bestrooiden hemelkoepel eerbiedig heeft opgezien en daarna de regulateur van zijn eigen wezen bekeken heeft. Da psalmdichter, voorgelicht en voortgeleid door den goddelijken Geest, die zijn deel was, zingt verder: „Des Heeren wet nochtans verspreidt volmaakter glans, dewijl zij't hart bekeert, 't Is Gods getuigenis, dat eeuwig zeker is en slechten wijsheid leert." En ook: „Des Heeren vrees is rein; zij opent een fontein van heil dat nooit vergaat."

De psalmdichter heeft gelijk.

Felix Timmermans laat mij met zijn „Pallieter" op den stoep staan.

En de Koningsberger filosoof maakt de

deur tot Gods Vaderhart ook niet voor mij open met zijn sterrenhemel en ziin

zedewet.

Dat doet Gods getuigenis, waarvan de psalmdichter zingt. De bijzondere, de allerbijzonderste openbaring Gods waarvan Christus het middelpunt is, zooals de gouden zonnebol van al het zonlicht waarmede hij de wereld overstroomt.

Probeer het Pallieterleven ook eens. Dat gaat goed, wanneer men jong is. En daarbij een kunstenaarsoog bezit, dat

in de minste kleinigheden, „het lichtje op een speldeknop, het* teederste grasken dat uit de aarde piept", een wereld van

scnoonneid ontdekt, iün dan noe- de eunst

en den roem der menschen. o! Dan „melkt" men de dagen. En de zoete room van, het genot, die bij het drinken nog op de lippen kleven bleef, slikt men weg met een begeerige tong. Doch wie blijft er altijd jong ? Zelfs Pallieter en Marieke en hun drieling niet. En welk kunstenaarsoog is altijd helder en klaar, om de wereld in hare grootheid en schoonheid te bestudeeren?

En duurt de eere der menschen veel langer

■ i • • o , ... _ -» , 0

dan vijtentwintig jaren f l>e wereld gaat voorbij met hare begeerlijkheid. „Als een kleed zal 't al verouden; niets kan hier zijn stand behouden; wat uit stof is, neemt een eind door den tijd, die alles schendt," Geeft Timmermans dit zelf niet toe, wanneer hij schrijft: „En toen na vier jaren Pallieter af was, knetterde twee dagen na dien, de groote oorlog los. Door die verschrikkelijke ramp zakte ik als van ontzetting ineen. Ik had het leven frisch en kleurig gezien en altijd gehoopt, dat de menschheid op weg was naar meer levensverheuging en broederlijkheid. Dat botste als een schoone zeepbel kapot. Uit eiken mensch sloeg een vuil-roode wolk van haat, bijna iedereen werd moordenaar

m zijn hart. Bijna heel de beschaafde wereld sloeg zijn vuilen droesem op. Toen heb ik gewanhoopt aan de menschheid."

Bestudeer en bewonder, zooals Kant het te Koningsbergen deed op een stillen, helderen avond, den zwartfluweelen hemel, waar iedere ster haar vasten baan en loop heeft; en zie dan in uw eigen cönscientie

en in die van de andere menschen en verwonder u over de zedelijke wereldorde, welke God heeft gesteld.

Doch.... houd dan niet op, zooals Kant gemakshalve deed.

Gaat ook eens naar buiten, wanneer de winden gieren en huilen, de stormwolken voortjagen langs het spookachtig door de maan verlichte zwerk en alles zucht en

buigt en straks.... breekt onder het geweld der natuurmachten. En begeef u dan naar de spelonken, waar de werken der duisternis worden beoefend; naar de

gevangenissen, waar de dieven en de moordenaars en de overtreders met de zedelijke wereldorde in aanraking zijn gekomen. Of, nog beter, daal af in uw

eigen, innerlijk leven en vraag, of de zedewet, welke God in u werkte, u vrijspreekt of ook, veroordeelt. Wees eerlijk. Redeneer de overtredingen niet weg. Vooral de verborgen afdwalingen niet. Is het dan louter eerbied, bewondering, geestdrift, wat u vervult ? Of komen gewetenskwellingen, zelfbeschuldiging en zelfveroordeeling misschien tegen u op ?

De groote vraag, waaraan èn Felix Timmermans, de kunstenaar èn Immanuël Kant, de wijsgeer zijn voorbijgegaan, is Luther's vraag: Hoe word ik rechtvaaidig voor God ?

Op die vraag beproeft het eene geslacht na het andere een antwoord te geven, dat bevredigt zoowel het ontrust© geweten als de eigenliefde van den mensch.

Het gelukt niet.

Het hoeft ook niet.

God gaf het antwoord in de volheid des tijds.

Hoe?

Timmermans zegt: „Onze Lieve Vrouwe was heel mijn Katholicisme. Ik voelde haar over mij gebogen vol liefde en toewijding en ik had er een schuchtere, weeke liefde voor." Waren we Roomsch, dan zouden wij misschien dit antwoord na^st het Pallieterantwoord ook geven.

Gelukkig, we hebben de H. Schrift. En op dit punt is ze klaar als kristal. „Alzoo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eeniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe."

De mensch moet verzoend worden met zijn God. Van een onrechtvaardige moet hij door goddelijke vrijspraak (en dat geschiedt alleen op grond van de verdienste van Christus) een gerechtvaardigde, een vrijgemaakte, een verloste worden.

Dan kan hij naó,r den hemel opzien, hetzij de wolken verschrikken, hetzij de sterren met vrolijke oogen op hem neerzien in den stillen nacht. Want in den hemel woont zijn God en Vader, met wien

hij door Christus weer verzoend en vereenigd werd.

Dan kan de mensch ook in zijn eigenzelf afdalen zonder terug te huiveren. „Wie zou daar 't verdoemen wagen, waar Godzelf de vrijspraak geeft?" Vrijspraak beteekent immers vrede.

Dan zingt die mensch van de zon, die vrolijk is als een held. o Ja! Maar hij vergeet niet met den psalmdichter voort te zingen: „Des Heeren wet nochtans verspreidt volmaakter glans." Van de Hellenestische, in den grond echt heidensche levensbeschouwing, die de dagen melkt, keert hij zich tot de Christelijke; ook dan wanneer Christus hem toevoegt: „Wie Mij liefheeft, neme ziin kruis op zich

en volge Mij."

Doch dan is noodig te buigen.

Hoe ?

Onder den last van eigen zonde en schuld.

Zoo diep te buigen dat ik met mijn aangezicht het stof raak, waaruit ik gemaakt ben. En dan op te zien. En te luisteren. Naar de stem van Hem die zeide: „Komt herwaarts tot Mii, eii allen «.t.

moeiden belast zijt; en Ik zal u ruste geven."

Kant was een groot wijsgeer. Maar in het Vaderhuis voerde hij niet. Felix Timmermans is een zeldzaam kunstenaar. Maar in het Vaderhuis voert ook hij niet.

Onder alle kunstwerken en wijsbegeerten blijft het Evangelie van den Heere Jezus Christus toch het ééne noodige. Dat is de paarl van groote waarde. Tracht die te koopen. En beproeft gij het met heel uw hart, dan zegt gij aan 't eind: Verkregen om niet! Zonder prijs en zonder geld!

Doch bij dien paarl past een zachtmoedig en nederig hart; en goddelijke genade.

Amsterdam. H. Bakker.

VRAGENBÜS.

De Apostel Paulus, de predikantenbond en Raad van Beheer.

De heer R. A. V. te A. vraagt: Veronderstel, dat de apostel Paulus eens kon terugkomen en zich bij onze Kerk voegen, zou hij dan lid willen worden van den tegenwoordigen predikantenbond?

Antivoord. De apostelen hadden een geheel bijzonder ambt, dat thans niet meer bestaat. Zij waren de grondleggers voor de Christelijke Kerk en stonden als zoodanig niet als herdérs en leeraars over ééne plaatselijke gemeente, maar over de

VRAGENBÜS.

De Apostel Paulus, de predikantenbond

en Raad van Beheer.

De heer R. A. V. te A. vraagt: Veronderstel, dat de apostel Paulus eens kon terugkomen en zich bij onze Kerk voegen, zou hij dan lid willen worden van den tegenwoordigen predikantenbond?

Antivoord. De apostelen hadden een geheel bijzonder ambt, dat thans niet meer bestaat. Zij waren de grondleggers voor de Christelijke Kerk en stonden als zoodanig niet als herdérs en leeraars over ééne plaatselijke gemeente, maar over de geheele Kerk. Zij hadden als zoodanig dan ook een bijzondere macht. Paulus schrijft

ergens: „alzoo verordineer ik, in alle gemeenten". Stel u voor, dat een tegenwoordige dominé zoo iets zou zeggen. Men zou denken, dat het den man in het hoofd geslagen was. Gesteld dat de apostel dus nog eens kon terugkeeren, en dan in zijn oude apostolisch ambt, 'dan was er voor hem geen plaats in een predikantenbond. En gesteld dat de apostel nog eens kon terugkomen, niet als hooge apostel, maar nu als gewoon bedienaar van het Evangelie voor een gemeente, en gesteld: hij werd dan uitgenoodigd om lid te worden van de Confessioneele Vereeniging en van de Utrechtsche predikantenvereeniging en van de Hervormde Broederschap en van den Predikantenbond en van tal van dergeliike

vereenigingen meer, wij veronderstellen, dat de apostel tijd noodig zou hebben om zich in deze vereenigingenwerèldin te leven. En of hij daarin spoedig slagen zou en wat hij dan doen zou, ja! aan uitspraken daaromtrent durven wij ons niet te wagen. Wanneer iemand plotseling uit een oude omgeving naar een nieuwe wordt overgebracht, b.v. hij wordt op eens gezet, uit een Friesch dorp naar middenin een groote stad van Amerika, dan zou het mogelijk zijn dat de overgang hem krankzinnig maakte; of dat hij daar ginds langzaam wegkwijnde, maar 't zou ook mogelijk zijn, dat zijn gaven en talenten zich daar eerst recht en op een geheel nieuwe wijze ontwikkelden. Zoo kon 't ook gaan met een mensch van vóór twee duizend jaren, in onzen tijd overgeplant. Daar valt geen pijl op te trekken.

Dezelfde vrager als boven schijnt zich tijdelijk of blijvend in het rijk der onderstellingen te bewegen. Hij ziet nu den apostel gebogen over een aanslagbillet van den Raad van Beheer, en dan vraagt hij: zou de apostel aan zulke dingen zijn goedkeuring kunnen hechten? Maar die vraag is blijkbaar aan ons adres niet gericht als een vraag, waarop met spanning en leergierigheid het antwoord wordt afgewacht. 't Is in zijn brief veeleer een soort van oratorische wending. Immers hij gaat voort en laat er op volgen: „indien Paulus dien Raad van Beheer zou verfoeien, wat geeft ons dan recht om dien te bestendigen of te erkennen?"

Daarop is ons antwoord: indien de aposte